Overdag werkt Merlijn Kerkhof voor de Volkskrant, ’s avonds is hij (inval)gitarist in de band van zijn vader, The Amazing Stroopwafels. Door tot het bittere einde, heet een documentaire over de 46-jarige band. Maar hoelang gaat dat nog goed?
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Waarom zou je in Paradiso spelen als je ook kunt optreden in Speeltuinvereniging Kindervreugd te Helwijk, in de volksmond ook wel De Blokhut genoemd? Het is een zaaltje zonder daglicht, met linoleumvloer, systeemplafond en statafels; op de wand achter het podium heeft iemand een soort junglefantasie geschilderd.
Hier, in dit dorp in West-Brabant, mag ik straks optreden. Maar voor ik aan het werk ga, moet ik aan het werk. Ik moet nog een recensie afmaken. Ik klap mijn laptop open. Mijn rechteroog registreert dat ik de deadline al heb overschreden, mijn linker ziet dat mijn vader al bijna alle spullen heeft opgesteld. Dat kan ik niet maken, een man van bijna 72 alles alleen laten doen.
Zo ziet mijn leven – mijn ‘dubbelleven’ – er nu al bijna anderhalf jaar uit. Overdag typ ik keurige stukjes als redacteur klassieke muziek bij de Volkskrant. En ’s avonds? Dan ben ik rockster – soort van. Ik ben gitarist in de band van mijn vader: The Amazing Stroopwafels. Invaller voor onbepaalde tijd.
Hoe is het om zeventig optredens per jaar te geven als je ook nog een baan hebt waarvoor je óók vaak ’s avonds weg bent? En altijd krijg ik weer die vraag die eigenlijk geen vraag is: dat moet toch heerlijk zijn, dat je dit met je vader kunt doen?
Dan zeg ik natuurlijk ‘ja, hartstikke bijzonder’, maar denk ik: nou, eigenlijk…
Het begint in november 2023. Mijn vader – Wim Kerkhof: frontman, zanger, toetsenist, contrabassist, liedjesschrijver – belt. Hij heeft slecht nieuws. Rien de Bruin, slaggitarist, accordeonist, tweede zanger en sinds 1984 zijn partner in crime, zegt dat hij stopt met de band. Er is darmkanker bij hem geconstateerd.
‘Dat is meestal goed te behandelen’, hoor ik mijn vader zeggen. ‘Als de kanker weg is, hoop ik dat-ie weer de energie krijgt om mee te doen.’
Rien is stellig: het is klaar. Op het moment van de diagnose is hij 77.
Mijn vader blijft nog maandenlang in de ontkenningsfase. Bij optredens zegt hij dat Rien ‘tijdelijk is uitgeschakeld’ en als er wordt gevraagd wat Rien dan mankeert, zegt Wim dat Rien ‘long covid’ heeft, wat óók waar is. Rien wil geen medelijden, geen aandacht voor zijn ziekte. De publieke bevestiging dat hij ermee is gestopt, komt pas een jaar na zijn plotselinge afscheid, met een dubbelinterview in het AD.
Het is rouw, denkt mijn moeder. Ik heb eens uitgerekend dat Rien en Wim ongeveer een jaar van hun leven samen in de auto hebben gezeten, samen in de Volvo 940, die verder is dichtgetetrist met instrumenten, standaarden en antieke speakerkasten. Ze noemden elkaar ‘collega’.
Geen nog actieve Nederlandse band trad vaker op dan The Amazing Stroopwafels. In 46 jaar speelden ze 7.320 keer, exclusief optredens op straat. Vrijwel niets hield ze tegen. Elektrisch gitarist Arie van der Graaf kreeg kanker (hodgkin), maar speelde ook met pruik zo veel mogelijk door. Rien werd twee keer weduwnaar. Steeds stond hij weer op.
Goed, toen mijn vader bijna blind werd en een operatie nodig had wegens loslatend netvlies, moesten er tot zijn verdriet een paar optredens worden afgezegd (waarna hij de tournee hervatte met piratenooglapje), en de coronamaatregelen zorgden ook voor wat annuleringen, waar hij wel mee kon leven. Maar als stoppen ter sprake komt, is hij duidelijk.
Er zijn artiesten die zeggen: je moet me waarschuwen als het zielig wordt, dan stop ik gelijk. Dat vindt mijn vader ijdeltuiterij. Hoe vaak heb ik hem wel niet tegen interviewers horen zeggen: ‘We gaan door tot we erbij neervallen’? En nu zegt Rien tegen hem: ‘Maar ik bén omgevallen.’ Wim wil het niet horen.
Roofbouw, noemde Rien het eens, het hele Stroopwafel-circus. Waar de meeste professionele bands hun roadies en entourage hebben, doen The Amazing Stroopwafels alles zelf. In- en uitladen, naar optredens rijden, opstellen – een work-out op zich, binnen twee uur tijd spelen, weer afbreken, naar huis. Tussen de nummers kunnen ze niet à la Mick Jagger even aan de beademing. Laat staan aan een infuus.
Mijn vader houdt van lijstjes, van statistiekjes. Hij moet en zal de 7.500 optredens halen. Daar help ik natuurlijk graag bij, want ik hou erg van mijn vader. En ook van de muziek en teksten die hij heeft gemaakt.
Vanaf 2010 speel ik af en toe mee. Rien heeft dan een acuut probleem met zijn evenwichtsorgaan, maar ze hebben die avond een optreden in Rotterdam. Dus belt mijn vader mij, met de vraag of ik mee kan doen – over drie uur. Ik race naar mijn ouderlijk huis in Vlaardingen, we hebben nog net tijd om vier liedjes door te spelen. Ik snaai nog snel een pannenkoek van het aanrecht.
Muzikaal kom ik er improviserend voor het grootste deel wel uit, maar mijn idee dat mijn vader een luizenleventje heeft – lekker spelen – is voorbij.
Eigenlijk trad ik al veel eerder met The Amazing Stroopwafels op, al kwam mijn zang toen nog niet boven het geluid van de speakers uit. Toen ik 3 was en met mijn moeder naar optredens van mijn vader ging kijken, nam ik altijd mijn speelgoedinstrumentjes mee – en ging ik erbij staan. Pakte Rien zijn accordeon, dan pakte ik de mijne; schakelde hij over naar gitaar, dan haalde ik mijn speelgoedgitaar tevoorschijn.
Later raakte ik gefascineerd door de elektrische gitaren van Arie van der Graaf. Hij had Fender Stratocasters in allerlei kleuren. De rode vond ik het mooist. Toen ik voor mijn 5de verjaardag een werkbank kreeg, maakte ik onder toeziend oog van mijn moeder een ‘effectpedaal’, zoals Arie had, voor mijn gitaar. Het was een blok hout met een spijker erin.
Ik had niet door dat ik zelf als zingende peuter ook een attractie was geworden. Een stapel vergeelde krantenknipsels getuigt van mijn vroege roem.
Aan mijn carrière als vierde Stroopwafel kwam van de ene op de andere dag een eind toen ik 4 was, of net 5. Zoals altijd had ik mijn spulletjes uitgestald, stond ik klaar om mee te zingen. Maar het publiek zat zo stil op die klapstoeltjes, netjes in rijen. Waarom keken ze allemaal naar mij?
Na een paar nummers vluchtte ik naar mijn moeder. Toe dan, zei ze, ga maar spelen. Maar na een half nummer keerde ik terug om me te verstoppen in haar armen. Ik was Stroopwafel-af.
Nu hoor ik er dan echt bij, hoewel ik mezelf nog altijd als invaller voorstel. Tegen zo veel geschiedenis kan ik niet op. Mij hoor je niet op die geweldige platen, ik heb niet in de vrieskou in T-shirt gebikkeld op de Lijnbaan, waar mijn vader de groep aanvankelijk als duo met Fred Piek begon.
In het najaar van 2023 is het nog te doen, in het begin van 2024 ook. Wat ik me dan nog niet realiseer, is dat verreweg de meeste optredens tussen april en september zijn, dán wordt het druk. Vier optredens in een weekend, het kan dus gewoon. Ik heb de indruk dat mijn werk voor de krant er niet al te zeer onder lijdt, maar ik kan me vergissen.
Ja, meestal is het leuk om met mijn vader op te treden. Ongeveer een derde van de optredens is in de Rijnmond, waar ik vandaan kom. Door de optredens leer ik de regio pas echt kennen.
Toch zijn de leukste optredens over het algemeen die buiten de Rijnmond, waar je niet tot het meubilair wordt gerekend. Hoogtepunten: een optreden in een piepklein historisch kapelletje in Nijmegen, zeldzaam intiem; een optreden in de kasteelruïne van Geijsteren. En hoe geweldig is het als je in het Zeeuwse Arnemuiden komt, of in het kerkje van Aartswoud, en iedereen – inclusief twintigers – daar alle nummers meezingt?
En het is ook heerlijk om gewoon muzikant te kunnen zijn, te merken dat ik beter word. Strakker. Het voelt een klein beetje als eerherstel. Vroeg je me als puber wat ik wilde worden, dan zei ik: muzikant (tweede en derde keus: schrijver en journalist – die had ik al afgevinkt).
Als een van je ouders muzikant is, denk je dat het een heel voor de hand liggende beroepskeuze is, ook al zegt iedere muzikant-ouder dat je dan wel heel hard moet werken, ook wat geluk moet hebben – en dan is het nog steeds de vraag of je genoeg verdienen zal.
Zo maniakaal toegewijd als mijn vader in zijn begindagen moet zijn geweest, was ik nooit. Toen hij stopte met zijn studie geschiedenis omdat hij de muziek in wilde, heeft hij vier jaar lang onder bijstandsniveau geleefd, zonder een uitkering aan te vragen.
Ik ging wel naar het conservatorium (een jaar), maar wist niet wat ik zocht, en de interesse in muziek die ik niet op mijn eigen instrument kon verwezenlijken – klassiek, renaissancepolyfonie – kreeg de overhand. Je leven neemt een andere wending, ook leuk – en voor je er erg in hebt ben je achttien jaar verder.
Nu ben ik dus alles wat ik ooit had willen worden, maar ben ik ook een soort nepobaby. Bij zijn vader in de zaak.
Er zijn dus ook minder leuke aspecten aan deze trip. Ik vergeet nooit mijn snaren of zo, maar vergeet wel altijd, écht altijd, eten mee te nemen. Dat heeft tot gevolg dat ik dan ’s nachts weer een broodje bal bij een tankstation koop.
En bij best een hoop optredens denk ik: wat doe ik hier? Het ene moment speel je in het Circustheater in Scheveningen voor twaalfhonderd man, de volgende dag sta je in een non-descript zaaltje aan de A12 voor de nieuwjaarsborrel van de ondernemersvereniging van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Die mensen willen netwerken, hebben nul aandacht voor wat je doet.
Gelukkig krijg ik ervoor betaald. Ieder optreden brengt mij per slot van rekening een stap dichter bij die nieuwe gitaar. Toch denk ik vaak: waarom neemt mijn vader op zijn leeftijd optredens aan waarvan hij zeker weet dat je er net zo goed weg kunt blijven en het financieel ook helemaal niet nodig is?
Mijn moeders analyse: hij treedt op, dus hij bestaat.
Dan het spelen zelf.
Mijn vader is zo flexibel als een blok beton. Als ik tweede stemmetjes zing, moet ik hem volledig volgen in zijn frasering en timing. Het is niet erg, wel wennen voor iemand die op zijn vader lijkt en dus ook graag alles zelf bepaalt. Ik ben me ervan bewust dat mensen niet voor mij komen.
En het is ook wel logisch dat ik me moet aanpassen. Neem een nummer als Oude Maasweg, de Top 2000-klassieker. Wim speelt het al vanaf de begindagen van de band. Soms wordt hij gevraagd het nog een keer te spelen, meestal denkt hij: prima. Dus laten we zeggen dat hij het achtduizend keer heeft gespeeld.
Achtduizend keer 3 minuten en 19 seconden: het is bij elkaar 444 uur, 18,5 dag. Vind je het gek dat het zaakje dan is vastgeroest? Het verwondert mij dan weer dat het live de mensen toch blijft ontroeren, ook al weet ik dat de spontaniteit minimaal is.
Ik heb er geen moeite mee om steeds dezelfde nummers te blijven spelen. Meelachen als Wim in een aankondiging een grapje maakt dat hij nu al tien keer of vaker heeft gemaakt, vind ik lastiger.
Nog lastiger is dat mijn vaders gehoor door het vele optreden nogal is aangetast. Hij zet de floormonitors, bedoeld om jezelf als band goed te kunnen horen, daarom vaak keihard, zo hard dat ik er vaak van schrik. Het geluid is daardoor altijd uit balans. Pas in januari van dit jaar heb ik hem kunnen overtuigen om met een gehoorapparaat in te spelen.
Maar het moeilijkst van dit alles vind ik de confrontatie met het verval. Rien komt niet meer terug, maar door de stress om de band lijkt het alsof mijn vader in een jaar vijf jaar ouder is geworden. Hij heeft een trilvinger, zie ik als ik hem zijn vingers voor het contrabas spelen zie intapen met leukoplast. Als ik bij hem in de auto zit, vertelt hij elke maand wel over een generatiegenoot van hem die is overleden.
Ik merk dat hij minder organiseert. Een nieuwe theatertournee zou er toch best eens mogen komen, maar hij lijkt vooral bezig met behoud. Hij rept al jaren over een nieuwe cd, maar schrijft niet meer. Ook al heeft hij in vele interviews het nummer Midweek Tsjaad (gebaseerd op zijn ervaringen in Tsjaad) aangekondigd, het is nog steeds niet af.
Als ik zeg dat zijn Spotify-pagina een rommeltje is (foute data, ontbrekende albums) waar weinig meer van klopt, raakt hij geïrriteerd (het vervelendst: het gehannes met Oude Maasweg, dat hij ooit in een vlaag van verstandsverbijstering heeft overgezongen – wie het nummer opzoekt, krijgt die nieuwe, langere en minder mooie versie voorgeschoteld, terwijl het origineel nota bene als ‘new version’ in de boeken staat). Dit is iets waarvan hij denkt dat hij het niet zelf kan regelen.
Als we optredens hebben in theaters of op festivals, treden we in principe aan met z’n vijven: dan zijn drummer Hans Greeve en basgitarist Koos Pakvis erbij. Maar een van Koos’ vingers werkt niet meer mee, dus hij speelt voorlopig niet.
Helemaal schokkend is het als Arie midden in de zomer een aankondiging doet.
We spelen in een bovenzaaltje van een café voor een privéfeest, het is laat en veel te rumoerig geweest: we hebben de geluidsinstallatie loeihard moeten zetten om boven de feestgangers uit te komen. Twee jaar geleden heeft Arie een pacemaker gekregen, nu heeft hij last van zijn middenrif en krijgt hij te weinig lucht. Als alle spullen van de steile trap af zijn gesjouwd, zegt Arie dat hij er aan het eind van het kalenderjaar mee stopt.
Eerst Rien kwijt, straks ook Arie: daar moet Wim niet aan denken. Voor het geluid is Arie met zijn virtuoze spel nog bepalender.
Wim heeft de oplossing, zegt hij als Arie weg is. ‘Ik ga het er gewoon niet over hebben. Morgen gaat het vast weer beter. Hopelijk vergeet hij weer dat hij dit heeft gezegd.’
Ik word nu ook zenuwachtig. Bestaat de band zonder Arie nog wel echt? Kunnen we het dan niet beter omdopen tot Wim en de Flexibele Schil? Aan het eind van de zomer begint Wim toch een paar invallers te polsen voor het geval dat: Eppo Franken (voor de Arie-rol) en Randy Derkhof (voor de rol van Rien).
Ook ik heb het er niet over met Arie. Tot in december blijkt dat hij het niet vergeten is. Hij meende het.
In het weekend van 14 en 15 december hebben we ineens onze laatste optredens in deze bezetting, in een theatertje in Aalsmeer. Alleen intimi weten dat Arie stopt. We hebben niks speciaals voorbereid, geen afscheidscadeau. Wat geef je aan iemand na 45 jaar dienst en twintig albums?
De eerstvolgende keren dat ik met mijn vader op het podium sta, lijkt er iets van hem te zijn afgevallen. Hij verzint weer nieuwe grapjes tussen de nummers door. Het is niet hetzelfde als met Rien en Arie, maar: ook leuk.
En voor mij is er een uitdaging bij gekomen: als Arie er niet is, kan ik ook sologitaar spelen. Dat doe ik op die donkerrode Stratocaster uit 1980 (‘The Strat’) die ik van Arie heb overgekocht, het instrument waarmee mijn liefde voor de gitaar begon.
Dan komt er in maart ineens een appje van Arie. Als een optreden dichtbij is, en niet al te laat, dan wil hij het best weer proberen. Ik vertel het Wim. Die is als een kind zo blij.
Er is nog hoop. Zijn band bestaat nog.
De documentaire The Amazing Stroopwafels – door tot het bittere einde (NTR) van Sandra Parry is op zondag 6/4 te zien om 19.15 uur op NPO 2 Extra.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant