Voormalig Doe Maar-drummer René van Collem was dertig jaar lang verslaafd aan cocaïne en heroïne. Sinds hij is afgekickt, en daar een boek over schreef, helpt hij familie en naasten van verslaafden. Zijn belangrijkste boodschap? ‘Denk aan jezelf en stop met faciliteren.’
Paul Onkenhout is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over populaire cultuur, media en muziek.
Voor de zestien moeders en één vader die op deze dinsdagavond zijn samengekomen in het gebouwtje van postduivenvereniging De Snelle Vleugels, staan op tafel een paar dozen tissues klaar, voor de zekerheid. De ouders en andere naasten van aan drugs of drank verslaafde jongeren maken er nauwelijks gebruik van. Emoties lopen hoog op tijdens de bijeenkomst van de ‘Moedige Moeders’ in Alkmaar, maar ze zijn gehard – en de schaamte allang voorbij, dat ook.
Het is vanavond drukker dan gebruikelijk. De gast uit Zandvoort, Doe Maar-drummer René van Collem (63), heeft een grote reputatie in deze kringen. Dertig jaar lang was hij zelf verslaafd. Elf jaar geleden schreef hij er een boek over, de onthutsende autobiografie Heroïne godverdomme.
Het was een onverwacht startpunt. Sindsdien biedt Van Collem hulp aan familieleden en partners van wie een dierbare kampt met een verslaving. ‘Ik rolde erin en ik kon geen andere kant meer op.’
Hij bezoekt overal in het land bijeenkomsten, werkt voor instellingen in de GGZ, geeft lezingen en is als ‘familiecounselor’ verbonden aan Spoor 6, een behandelcentrum voor verslaving in Bussum en Utrecht. In zijn populaire, gratis podcast Van verslaving naar vrijheid deelt hij inzichten en tips. Eerder deze maand presenteerde hij een online-hulpprogramma, door hemzelf ontwikkeld.
In deze wereld is hij uitgegroeid tot een autoriteit. Een van de vrouwen is vanavond speciaal voor hem vanuit Drenthe naar Alkmaar gekomen. ‘Ik voel me zo alleen’, zegt ze. Van Collem heeft een warme band met de Moedige Moeders, een organisatie die in 2004 in Volendam werd opgericht uit onvrede met de verslavingszorg en inmiddels ook in vijftien andere steden actief is.
In het onderkomen van De Snelle Vleugels ligt voor de nieuwkomers een A-viertje klaar met een korte beginselverklaring van de gastvrouwen: ‘Eigenlijk willen wij allemaal hetzelfde en dat is onze dierbare verslaafde te verlossen van zijn of haar pijn en dus doe je er alles aan om te helpen. Helaas merk je uiteindelijk dat al het helpen geen enkele invloed heeft op het gedrag van de verslaafde.’
Een voor een vertellen de moeders (en die ene vader) hun verhaal. De onderlinge steun is onuitgesproken, maar voelbaar. Wanhoop, verdriet en machteloosheid vullen het onderkomen van de Alkmaarse duivensportvereniging. Vrijwel iedereen bekritiseert de hulpverlening en het gebrek aan aandacht voor hun eigen lot.
‘De oudste twee zijn verslaafd.’
‘We kunnen geen contact meer met hem krijgen.’
‘Hij belde om te zeggen dat hij niet meer wilde leven.’
‘Die van 21 gaat dezelfde kant op als zijn vader. Kut.’
‘Oh ja, toen ging hij ook nog gokken.’
‘Het is puinruimen, puinruimen, puinruimen.’
‘Binnenkort wordt hij opgenomen.’
‘Hij weet dat ik hem niet op straat zet.’
‘Ik heb gezegd: en nu het huis uit.’
René van Collem luistert aandachtig en stelt, zonder zich op te dringen, zo nu en dan een vraag. Hij wordt vertrouwd, alles wijst erop. Als hij aan de beurt is, vertelt hij kort iets over zichzelf. Na een ‘dertigjarige verslavingsoorlog’ is hij al 14,5 jaar ‘clean en nuchter’, maar ‘de verslaving is niet weg, die ligt nog steeds op de loer.’
De drummer van Doe Maar belooft de moeders gouden bergen noch panklare oplossingen. ‘Er is geen makkelijke weg.’ Denk aan jezelf en stop met faciliteren, is zijn boodschap, en kies voor jezelf. ‘En wie zichzelf helpt, helpt zijn kind. Jullie moeten denken: wat werkt het best voor mij?’ In de praktijk betekent dat: rigoureus en consequent alle hulp aan de verslaafde stopzetten. ‘Er is geen andere manier.’
Nee, heeft hij eerder gezegd aan het strand van zijn woonplaats Zandvoort, destijds had hij geen idee dat zijn autobiografie hem op het spoor zou zetten van een leven als hulpverlener. Heroïne godverdomme was een nieuwe start, dat wel, het begin van wat hij in het boek een ‘glorieuze wederopstanding’ noemt. De boektitel had hij ontleend hij aan een nummer dat Henny Vrienten en Ernst Jansz schreven met hem in gedachten, Heroïne.
Je belazert al je vrienden
Verneukt je eigen lief
Besteelt je moeder voor een tientje
Als je maar je shot krijgt
Heroïne godverdomme
Heroïne godverdomme
Van Collem is de zoon van Simon van Collem, een filmjournalist die in de vorige eeuw dankzij een reeks tv-programma’s een grote bekendheid genoot. Zijn jongste zoon was een begaafde drummer die in 1982 na een veelheid aan incidenten, gerelateerd aan zijn drugsverslaving, uit Doe Maar werd gezet.
Hij had de eerste grote successen van de band meegemaakt, ingezet met een luid bejubeld optreden op Pinkpop en het doorbraakalbum Doris Day en andere stukken. Van Collem, 19 toen, pikte geld van de man die hem meermaals had opgevangen, gitarist en componist Vrienten. De maat van de andere bandleden was vol toen hij na een optreden de portemonnee van een fan stal en werd betrapt.
Een onstuimig leven begon, deels in de muziek. Van Collem bleef een veelgevraagde drummer. Hij maakte ondanks zijn verslaving deel uit van Spargo, Powerplay en Sjako en werkte samen met Herman Brood, Candy Dulfer en Tiësto. ‘Detoxen, thuis afkicken, langere opnames, tranen, zweet (letterlijk) en ondraaglijke zielenpijn, dat was de optelsom van een bijna dertig jaar durende harddrugsverslaving’, schreef hij in Heroïne godverdomme.
Cruciaal was zijn kennismaking met een Amsterdamse therapeute, Margaretha de Vries, ‘de vrouw die me heeft gered en aan wie ik alles te danken heb.’ Ze trouwden in 2012, ook het jaar dat Van Collem voor een reeks reünieconcerten met opgeheven hoofd en tot vreugde van de andere bandleden terugkeerde bij Doe Maar.
Heroïne godverdomme nam hem mee in een stroom, zegt hij. Van Collem werd gevraagd voor lezingen en coaching en van het een kwam het ander. Een vastomlijnd plan had hij niet. ‘Ik kwam net zelf uit de hulpverlening, ik wilde er in eerste instantie niks mee te maken hebben. Maar het boek zette iets in gang. Alle kranten schreven erover en ik zat bij De Wereld Draait Door. Toen ging het balletje rollen, ik hoefde er weinig voor te doen. Ik liet me gewoon meevoeren en er kwam van alles op mijn pad.’
Gaandeweg richtte hij zich op een groep voor wie hulpverleners niet in de rij staan en voor wie nauwelijks oog is: de tienduizenden vaders, moeders, broers en zussen van wie het leven door een verslaafd familielid ernstig is toegetakeld.
Met zachte stem: ‘Ik weet natuurlijk hoe het is, wat het is, hoe het voelt, óók voor de mensen eromheen. It takes one to know one. Familieleden en partners lopen vast. In gezinnen ontstaan enorme spanningen en relaties gaan kapot. Mensen raken banen kwijt of komen in de schuldsanering terecht. Ze gaat kapot aan de verslaving van iemand anders. Verslaving is altijd een systemisch probleem. De omgeving houdt onbedoeld en vanwege liefde vaak dingen in stand met een averechts effect. Net zoals dat bij mij thuis in Zandvoort ging.’
Van Collem had een moeder ‘die geen nee kon zeggen’ en daarmee het tegenovergestelde bereikte wat ze beoogde. ‘Voor een deel faciliteerde ze mijn verslaving. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen om mij in de kou te laten staan. Mijn vader was een getraumatiseerd oorlogsslachtoffer die thuis nauwelijks te handhaven was en voortdurend vreemdging. Het huwelijk was slecht en daar voelde ze zich schuldig over. Thuis was er altijd spanning, altijd gedoe, nooit verbinding.
‘Mijn moeder stelde geen grenzen aan het gedrag van mijn vader, maar ook niet aan het mijne. Ze vond mij zielig, en lief. Veel naasten vergoelijken het gedrag. Ja, maar hij is ook heel lief. Ja, hij is ook heel creatief. Ja maar, ja maar, ja maar.
‘Eigenlijk was zij het slechtst denkbare voorbeeld. Onbedoeld stimuleerde ze jarenlang mijn verslaving. Ze hielp me, maar op precies de verkeerde manier. Tegelijkertijd heb ik alles aan haar te danken. Ze was een fantastische vrouw die dertig, veertig jaar geleden al met spiritualiteit, persoonlijke ontwikkeling en alternatieve voeding bezig was.
‘Van grenzeloze liefde naar liefdevolle grenzen, noem ik het op mijn website. Zij was grenzeloos liefdevol. Wie met een verslaafde te maken krijgt, moet leren grenzen te stellen. Nee zeggen. En dat is verschrikkelijk moeilijk. Het lukt ook niet van de ene op de andere dag, nee zeggen als je kind geld voor de huur of benzine of boodschappen nodig heeft.
‘Dat voelt hard; als een afwijzing. Maar wie weigert te betalen, wijst alleen de verslaving maar af. Je wijst nooit je kind af. Knuffel hem, zeg dat je van hem houdt, maar maak tegelijkertijd duidelijk dat jij zijn shit niet gaat opruimen. Zijn verslaving is zijn pakkie aan.
‘Het is een proces, een gevecht met je hart. Verslaafden zijn over het algemeen manipulatief. Om hun verslaving in stand te houden, liegen en bedriegen ze. Ik weet het, want ik deed het zelf ook, als ik bijvoorbeeld weer eens in een kliniek zat. Op een leuke manier manipuleerde ik als een dolle. Dan zei ik heel lief dat niemand in de kliniek me begreep en dat er in de groep een paar vervelende jongens zaten.
‘Kom dan maar mee naar huis, zei mijn moeder dan, dan proberen we het zelf wel. Maar dat is precies het punt. Anderen kunnen het probleem van een verslaafde niet oplossen. Dat moet hij of zij zelf doen. Naasten blijven het zelf proberen en daar gaat het vaak helemaal mis. Mijn moeder kon na dertig jaar eindelijk nee zeggen, dat was wat ik nodig had.’
Van Collem heeft de cijfers paraat. Bijna twee miljoen mensen in Nederland kampen met een verslaving, het merendeel aan de legale middelen alcohol, tabak en slaap- en kalmeringsmiddelen. Zo’n 150 duizend mensen zijn verslaafd aan cocaïne, cannabis, GHB, crack en heroïne.
‘De overgrote meerderheid zoekt geen hulp, maar klooit verder, vaak met enorme gevolgen voor de omgeving. Het probleem is levensgroot, honderdduizenden mensen zijn erbij betrokken, maar er is nauwelijks aandacht voor. Dat verbaast me na al die jaren nog steeds. Als er in de media al aandacht is voor de drugsproblematiek, gaat het over de drugsbazen en hun criminele avonturen. Over het leed achter al die voordeuren van gezinnen gaat het nooit.
‘Drugsgebruik is volkomen genormaliseerd. Ik heb ook veel met jeugd gewerkt. Als je hoort wat sommige 14-, 15-jarigen gebruiken, val je van verbazing achterover. Coke, GHB, ketamine, vaak nog door elkaar ook, met alcohol erbij. Steeds meer jongeren raken verslaafd. Ik begrijp het wel, hun leven wordt steeds ingewikkelder. Er zijn oorlogen. Ze staan onder grote druk. Ze moeten presteren en op sociale media worden normen gesteld waaraan ze niet kunnen voldoen. Voor mentale problemen of gevoelens van onzekerheid zijn drugs natuurlijk de ideale quick fix. Je neemt wat en alles is meteen goed.
‘Daar komt bij dat het spul enorm makkelijk verkrijgbaar is. Ik moest vroeger op de Zeedijk nog op zoek gaan, de straten in Amsterdam afstruinen. Op het laatst had ik een paar telefoonnummers, maar ik moest er veel moeite voor doen. Nu worden drugs sneller bezorgd dan een pizza. Ik hoor elke dag verhalen over drugs die worden aangeboden in WhatsApp-groepen of op Snapchat, ook ongevraagd. Drie halen, twee betalen, het gebeurt gewoon.’
‘En vrijwel niet een gebruiker legt een verband met de criminaliteit. Als Peter R. de Vries of advocaat Derk Wiersum wordt neergeschoten is er even opwinding, maar op zaterdagavond wordt op een feestje weer gewoon de drugskoerier besteld. Aan al die bestellingen zit bloed, en niet zo’n klein beetje ook, maar niemand trekt zich daar wat van aan.’
Elke dag weer prijst hij zich gelukkig dat hij zijn verslaving heeft overwonnen en zijn leven een totaal andere wending heeft gegeven. ‘Ik zit hier nu leuk tegenover jou en het gaat allemaal best wel goed. Ik kan het navertellen en iets voor anderen betekenen. Daar ben ik elke dag dankbaar voor. Maar dertig jaar lang, de helft van mijn leven, was ik een compleet verloren ziel. En zelfs toen ik was gestopt en clean was, wist ik niet hoe ik een normaal leven moest leiden. Dat heeft Margaretha me geleerd. Voor het eerst kreeg ik een thuis.’
Drummen doet hij nauwelijks nog. Glimlachend: ‘Geen tijd. En geen ruimte voor een drumstel, we wonen hier in Zandvoort in een heel klein huisje.’
Met zijn zoon Ravi uit een eerdere relatie is het contact hersteld, sinds zeven jaar. ‘Hij is 21 nu en vanaf zijn 14de zie ik hem weer; heel vaak, gelukkig. Hij vindt het fantastisch wat ik doe. Ja, hij heeft mijn boek gelezen. Zo moet het dus niet, dacht hij. Maar hij is ook trots op me. Dat maak ik vaker mee. Eerst kijkt iedereen je met de nek aan en ben je een loser, maar als je de verslaving overwint heeft iedereen respect voor je. Dat voelt soms nog steeds vreemd.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant