Home

In de tentoonstelling ‘Paris Noir’ in Parijs krijgen zwarte kunstenaars uit de vorige eeuw erkenning

Met een groot overzicht van zwarte kunstenaars die tussen 1950 en 2000 in Parijs werkten, maakt het Centre Pompidou een inhaalslag. Eindelijk eerherstel voor kunstenaars als Beauford Delaney, Ernest Mancoba en Diagne Chanel, namen die uit de kunstgeschiedenis werden weggebleekt.

is redacteur van de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over voedsel en cultuur.

Ze waren goed bevriend, de Amerikaanse kunstschilder Beauford Delaney en zijn literaire kompaan James Baldwin. Beiden een grootheid in hun vak ook, tenminste, in hun latere leven, in Parijs. ‘Beauford was voor mij het eerste bewijs op twee benen dat een zwarte man kunstenaar kon worden’, zou Baldwin zeggen over zijn vriend. Zo was de realiteit in het grootste deel van de 20ste eeuw: zwarte beeldend kunstenaars waren zeldzaam in de westerse wereld, en nauwelijks zichtbaar.

Beauford Delaney (1901-1979) schilderde meerdere portretten van Baldwin, waarvan er nu enkele zijn te zien op Paris Noir 1950-2000 in het Centre Pompidou in Parijs. Die omvangrijke tentoonstelling toont 350 werken van 150 beeldend kunstenaars met een (verre) Afrikaanse achtergrond die tussen 1950 en 2000 in Parijs werkten.

Segregatie en homofobie in de VS

Op aandringen van Baldwin, die in 1948 in Franse hoofdstad was gaan wonen, kwam Delaney in 1953 over uit New York. Een opmerkelijke stap voor een beeldend kunstenaar: het zwaartepunt van de kunstwereld bewoog na de Tweede Wereldoorlog juist de andere kant op, van Parijs naar New York. Maar de verhuizing was voor zowel de schrijver als de schilder een pijnlijke noodzaak: ze waren zwart, arm en homoseksueel, en hadden zwaar te lijden van de snoeiharde segregatie en de homofobie in de VS.

Ze waren de enigen niet. Al voor de Tweede Wereldoorlog, maar vooral daarna, ontstond in Parijs een dynamische scene van kunstenaars uit Afrika en de Afrikaanse diaspora, nazaten van slaafgemaakten en slachtoffers van rassenscheiding. Ze zochten vrijheid, inspiratie en erkenning – vanuit de Verenigde Staten, de Europese koloniën in Afrika en de Cariben, en vanuit het Zuid-Afrika van de apartheid.

Onderdrukking en identiteit

De onafhankelijkheidsstrijd in de koloniën en de zwarteburgerrechtenbeweging liepen deels gelijk op. In Parijs ontwikkelde zich een gedeeld zwart bewustzijn, gebaseerd op de ervaren onderdrukking, maar ook op een gezamenlijke, geërfde identiteit. Schilders en beeldhouwers mengden zich met musici, filmers en intellectuelen – Parijs werd hun artistieke draaischijf. Er ontstond een levendige culturele uitwisseling in de luwte van de jazzscene die na de Tweede Wereldoorlog weer was opgebloeid.

Sommige kunstenaars brachten een hommage aan de jazz, de van oorsprong zwarte muziek die zowel bevrijding als emancipatie belichaamde. De Afro-Amerikaan Sam Middleton, die later vanuit Nederland aan de weg timmerde (1927-2015), sloeg aan het freestylen met papier, wat resulteerde in een serie collages. Zijn werk Telling It the Way It Is is een visuele improvisatie met notenbalken, muziekinstrumenten en zwarte musici.

Geïnspireerd door Van Gogh

Met zes werken is Beauford Delaney een van de sterren op Paris Noir. Hij arriveerde in Parijs als fan van Vincent van Gogh en van de impressionisten, wier trekken zijn terug te vinden in een vroeg portret dat hij maakte van Baldwin. In Parijs ontwikkelde hij zich in de richting van het abstract expressionisme, hoewel hij zelden volledig abstract werkte.

Naamloos graf

Beauford Delaney mocht uitgroeien tot de ‘dean of American Negro painters living abroad’, zoals hij werd genoemd door tijdgenoten, hij eindigde in een naamloos graf buiten Parijs. Ook in de relatieve vrijheid van de Franse hoofdstad kregen niet alle zwarte kunstenaars de blijvende erkenning die zij verdienden, geeft het Centre Pompidou toe met deze expositie. Paris Noir is in meerdere opzichten een laat eerherstel voor degenen wier namen waren weggebleekt uit de Parijse kunstannalen.

Vaak zagen de gemigreerde zwarte kunstenaars pas in de Parijse instituten met koloniale collecties de volle omvang van de Afrikaanse vormen- en beeldentaal. Op de Franse kunstopleidingen en in musea konden ze zich verdiepen in zowel westerse stijlen als in hun Afrikaanse wortels, wat geregeld leidde tot een versmelting. De Haïtiaan Roland Dorcély bijvoorbeeld raakte in ban van onder anderen Fernand Léger. In zijn werk Leda en de zwaan uit 1958, naar een verhaal uit de Griekse mythologie, paste hij de pure kleuren en zwarte lijnen toe van Léger, maar wel met de soepele zwier van tropische planten en met een bruine Leda.

Veel kunstenaars pakten de iconografie terug uit hun Afrikaanse erfenis, waarvan westerse kunstenaars zich volop waren gaan bedienen, Picasso voorop. Die had er nooit een geheim van gemaakt aan wie hij schatplichtig was, zijn hoekige gezichten en geometrische vormen komen regelrecht uit de Afrikaanse kunst. Picasso – zelf immigrant, uit Spanje – was begin 20ste eeuw onder de indruk geraakt van Afrikaanse maskers in de grote etnologische collecties van Frankrijk.

In de Parijse kruisbestuiving gebeurde ook het omgekeerde. De Afro-Cubaanse kunstenaar Wifredo Lam, een vriend van Picasso, liet zich op zijn beurt inspireren door diens werk en het kubisme, zonder zijn wortels te verloochenen.

Op Paris Noir laten vooral de werken uit de eerste naoorlogse decennia veel leed en strijd zien. Lijdende mensen, referenties aan onderdrukking en slavernij – die komen terug door alle kunststijlen heen. Soms letterlijk: een naakte donkere vrouw, geboeid, tussen twee leden van de Ku Klux Klan, een doek van Henri Guédon uit Martinique.

Maar ook in de abstractie is het verhaal van de pan-Afrikaanse geschiedenis te lezen. De driehoeken op het doek L’Île de Gorée van Robert Radford, een schilder uit de Franse kolonie Guadeloupe, staan voor de transatlantische driehoeksvaart, de door slavernij aangestuwde handel tussen Afrika, Amerika en Europa, waarin het Senegalese eilandje Gorée een spilfunctie had.

Ernest Mancoba en Sonja Ferlov

En wie aandachtig kijkt, ontdekt de vormen van een Afrikaans masker in een schijnbaar abstract doek van beeldhouwer en schilder Ernest Mancoba. De Zuid-Afrikaan kreeg eind jaren dertig in Parijs een relatie met de Deense Sonja Ferlov, die er als beeldhouwer studeerde bij Alberto Giacometti.

Na de oorlog – die Mancoba doorbracht in krijgsgevangenschap – verhuisde het stel naar Denemarken en zocht aansluiting bij de Deense avant-garde en een beginnende beweging die Cobra zou gaan heten. Ze trokken op met onder anderen Asger Jorn, Corneille en Karel Appel.

Het blijft wat mistig waarom Mancoba en zijn vrouw nooit tot de founding members van Cobra zijn gerekend. Het kan zijn dat ze buiten de boot vielen door de richtingenstrijd in deze turbulente kunstbeweging, het kan dat er racisme in het spel was. Vaststaat dat ze veel te verwerken kregen vanwege hun gemengde huwelijk en mede daarom terugverhuisden naar Parijs. De twee kregen in 2023 een podium met een dubbeltentoonstelling in het Amstelveense Cobra Museum.

Trots op het zwarte lichaam

Aan het einde van het millennium wordt meer zelfvertrouwen zichtbaar in de beelden van de uitgeweken kunstenaars. De zwarte mens, het zwarte lichaam, is dan niet meer onderworpen aan verdrukking, maar wordt met trots getoond. Meerdere kunstenaars op Paris Noir lieten zich inspireren door Josephine Baker, de Amerikaanse entertainer die het Europa van de jaren dertig om haar vinger wond met haar sensuele shows.

En klinkt daar in een hoek van de expositie niet La vie en rose, gezongen door de even sensuele performer Grace Jones? Het beroemde chanson uit 1946 van Édith Piaf is Franser dan de Eiffeltoren en behoort tot het kernrepertoire van de natie. Ruim een halve eeuw na Josephine Baker liet de in Jamaica geboren Jones horen dat culturele toe-eigening een verrukkelijk resultaat kan opleveren.

Ook een portret van de Frans-Senegalese Diagne Chanel uit de jaren zeventig getuigt van dat groeiende zelfvertrouwen. Het is inmiddels niet meer te bevatten dat haar schilderij Le Garçon de Venise uit 1976 een gedurfde onderneming was. We zien een zwarte student tegen de achtergrond van een renaissancistisch geschilderd Venetië. De kunstenaar vertelde erover: ‘Er werd mij in de jaren zeventig te verstaan gegeven dat het gewoon onmogelijk was om schilderijen waarop zwarte mensen zijn afgebeeld te exposeren en te verkopen.’

Dat Chanel samen met andere zwarte kunstenaars uiteindelijk toch barsten kon slaan in het witte marmer, zou langzaam maar zeker duidelijk worden. Volgend jaar heeft de Biënnale van Venetië, een internationaal toonaangevende kunstmanifestatie die sinds 1895 wordt gehouden, voor het eerst een curator van Afrikaanse afkomst, de in Kameroen geboren Koyo Kouoh.

Paris Noir legt de worsteling en emancipatie bloot van een groep kunstenaars die tot voor kort in de schaduw stond. Het past in de trend waarin westerse musea en kunstinstituten speuren naar de pijnlijke gaten in hun collecties. Het Centre Pompidou verrichtte veel speurwerk. Een opvallend deel van de werken komt van de kunstenaar zelf of uit diens nalatenschap, uit particuliere verzamelingen en uit kleinere instituten aan weerszijden van de oceaan, van Haïti tot Dakar.

Aandacht voor zwarte wegbereiders

Het Amsterdamse Stedelijk maakte vijf jaar geleden een inhaalslag met de expositie Surinaamse school, over Surinaamse schilderkunst in de vorige eeuw. Tate Modern in Londen is zich bewust van eenzelfde postkoloniale plicht – in oktober opent daar een expositie over Nigeriaans modernisme.

De tentoonstellingen laten zien op wier schouders de zwarte kunstenaars staan die zich ná deze wegbereiders hebben gemanifesteerd. Het is dankzij de laatsten dat werk van hedendaagse kunstenaars met een Afrikaanse achtergrond zich organisch in belangrijke collecties kan vlechten.

Loop maar eens binnen in de Bourse de commerce, bij de Pinault Collection, op een steenworp van het Centre Pompidou. De tentoonstelling Corps et Âmes gaat over het menselijk lichaam in de hedendaagse kunst. De zwarte mensen van de Afro-Amerikaan Kerry James Marshall vergezellen het witte oudemannenlijf van de Duitser Georg Baselitz. De Brits-Ghanese Lynette Yiadom-Boakye staat op hetzelfde podium als de Zwitserse Miriam Cahn – de zwarte huid gelijkwaardig aan de witte.

Of bekijk de tentoonstelling When We See Us in het Brusselse Bozar, met werk van Afrikaanse en zwarte kunstenaars. Zij houden zich niet alleen meer bezig met hun afkomst, met strijd en emancipatie, hun werk mag ook gaan over alledaagsheid, over plezier of sensualiteit, en dat is vooruitgang.

Ontwikkelingen in de VS

Maar het monster is allerminst getemd. In februari schrapte The Art Museum of the Americas in Washington DC, van de Organization of American States (OAS), twee grote tentoonstellingen vlak voor de opening, de ene met werk van lhbti-kunstenaars, de andere met kunst van Afro-Latijnse, Caribische en Afro-Amerikaanse kunstenaars waar thema’s als migratie, kolonisatie en verbondenheid in de Afrikaanse diaspora centraal zouden staan.

De OAS zou met de annulering vooruit hebben willen lopen op eventuele financiële strafmaatregelen van de regering-Trump. Die heeft niet alleen het diversiteitsbeleid de nek omgedraaid, maar heroverweegt ook de relaties met instituten als het OAS. Niet eens Trumps beleid is het ergste, zei een van de getroffen curatoren tegen The Guardian: ‘Dit is anticiperen. Dit is voor mij nog enger, omdat het voelt alsof we van dichtbij zien hoe fascisme zich ontvouwt.’

De annulering benadrukt onbedoeld de waarde van exposities als Paris Noir. Ondanks de late timing zit hierin het belang: in het zichtbaar maken en (eindelijk) erkennen van zwarte pioniers in een kosmopolitische, interculturele kunstwereld. Op een zelfportret uit 1947 in het Centre Pompidou lijkt de Zuid-Afrikaan Gerard Sekoto een wantrouwige blik te werpen in de richting van de toekomst. Het schilderij, gemaakt in het jaar dat Sekoto het apartheidsregime ontvluchtte, is het dragende beeld van Paris Noir. Hoewel er sindsdien grote sprongen zijn gemaakt, is zijn waakzaamheid bijna zeventig jaar later nog altijd gegrond.

Paris Noir

Beeldende kunst
★★★★☆

Centre Pompidou, Parijs, t/m 30/6.

Paris Noir is de laatste grote expositie voordat Centre Pompidou vijf jaar dichtgaat voor renovatie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next