De eerste houten doe-het-zelfmeubelen in de 19de eeuw waren niet alleen goedkoop, maar hadden ook tot doel het vakmanschap te stimuleren. Ook de nieuwste zelfmaakbeweging, met lasersnijders en 3D-printers, wil de consument een handje helpen als producent.
schrijft voor de Volkskrant over grafische vormgeving, productdesign en interieurarchitectuur.
Zelf doen. Deze twee woordjes markeren de overgang van het afhankelijke kind naar een zelfdenkende en handelingsbekwame volwassene. In zekere zin geldt voor het doe-het-zelven iets soortgelijks. Het is een cruciale stap in de ontwikkeling van een afhankelijke consument naar een autonoom en creatief individu dat zijn lot in eigen hand neemt. Het is de bevrijdende afslag naar een homo economicus, de calculerende burger, die weet hoe hij zijn uitgaven kan drukken.
Geen wonder dat het zelfbouwmeubel altijd een verheffingsideaal in zich heeft gedragen. Dat begint al met de toegankelijke timmeresthetiek van de Shakers, de 19de-eeuwse Amerikaanse religieuze gemeenschap die communaal leefde. In een streven naar spirituele puurheid en autarkie waren houten meubels en gebouwen zo eenvoudig dat iedereen ze kon maken.
De vormen zijn rank en slank om hout te besparen, de constructie is degelijk met traditionele verbindingen. Dit even nuchtere als vernuftige design werd in gezamenlijkheid gerealiseerd als een devote expressie van naastenliefde. Hun ethiek en uitgebeende esthetiek spreekt twee eeuwen later nog steeds tot de verbeelding; de grote zomertentoonstelling in het Vitra Design Museum in het Zuid-Duitse Weil am Rhein is The Shakers: A world in the making.
Het zelfbouwmeubel beweegt sindsdien soepel met de tijd mee, zonder zijn morele verhevenheid te verliezen. Het kan een sociale emancipatie van de arbeider nastreven, maar ook een duurzame droom, of juist een zuivere vormleer. Het manifesteert zich in sociale werkplaatsen, activistische galeries of een online chatroom. Het is, kortom, volwassen design met net een beetje meer ambitie. Je moet het tenslotte wel zelf doen. Vijf hoofdstukken uit de geschiedenis van het zelfmaakmeubel.
Als in 1890 een jonge moeder in een armenhuis in de Amerikaanse stad Cleveland vraagt om een kinderstoel, komt de maatschappelijk werkster Louise Brigham (1875-1956) op een idee: een kinderstoel gemaakt van het houtafval van de plaatselijke industrie. Dit hout, dat gebruikt werd als verpakkingsmateriaal, was ruim voorradig en het zelf timmeren van meubels kon de behoeftigen aansporen om zelfredzamer te worden. De bevlogen Brigham, die de kunstacademie in New York verruilde voor maatschappelijk werk, ontwerpt vervolgens een eenvoudige kinderstoel. De rest van haar werkzame leven zal Brigham wijden aan het ontwikkelen van meubels die snel, eenvoudig en goedkoop uit schroothout kunnen worden gemaakt. Brigham schrijft ook boeken, geeft lezingen en organiseert workshops om anderen aan te moedigen hetzelfde te doen.
Brigham wordt gezien als een voorloper op het gebied van social design, ontwerp dat maatschappelijke verbetering als uitgangspunt heeft. Ze is bovendien een voorloper in circulaire productie. Al is ze volgens The New York Times vooral een ‘praktische filantroop’.
Feitelijk is ze allebei: een ontwerpende weldoener. De meubelontwerpen die ze in 1909 in haar boek Box Furniture – How to Make a Hundred Useful Articles for the Home publiceert – de allereerste doe-het-zelf meubelcatalogus – zijn slim, multifunctioneel en compact ontworpen. De verarmde doelgroep woont immers in kleine krotten. Van de optimale hoogte voor een eettafel tot de meest praktische houtverbindingen, het is tot in detail vastgelegd in dit praktische boek. Met als hoger ideaal dat deze gemarginaliseerde mensen niet alleen hun huis kunnen inrichten, maar ook een vak kunnen leren.
In 1934 ontwerpt Gerrit Rietveld een serie meubels gemaakt van vurenhout, afkomstig van houten kratten die hij gebruikt voor zijn meubeltransporten. De planken worden in lengte verzaagd en met messing schroeven geassembleerd tot ergonomische meubelontwerpen met aangename verhoudingen. Niet toevallig zijn het de crisisjaren; Rietveld ontwerpt de stoel nadrukkelijk voor mensen met een krappe beurs. Aanvankelijk produceert Rietveld het meubilair in eigen beheer, maar hij is dat al snel zat. De hele kratcollectie (leesstoel, eetstoel, bijzettafeltje, boekenkastje en werktafel) wordt vervolgens als één bouwpakket aangeboden bij het deftige warenhuis Metz & Co in Amsterdam. Allesbehalve voor armelui dus.
Geheel volgens de vooruitstrevende idealen van De Stijl, waarbij Rietveld zich had aangesloten, streven de kratmeubels ook een esthetisch ideaal na: schoonheid verlost van overtolligheden. De eenvoudige zelfbouwmeubels zijn een ode aan industriële efficiëntie. De constructie is zichtbaar, het materiaalgebruik eerlijk en transparant. Zo omschreef Rietveld de kratlatten als ‘edelhout, lichter dan zijde’ en de productiemethode als ‘een timmermethode die recht op het doel afgaat’. Het was volgens hem hoog tijd dat er ‘iemand het krat verkoos boven het ‘meubel’’. Het was kortom niet zomaar een goedkoper product maar vooral ook een beter meubel. Tegenwoordig circuleren er talloze instructievideo’s voor deze ontwerpen op internet. Ook geheel in de geest van Rietveld.
Proposta per un’autoprogettazione – een voorstel voor zelfontwerp. Zo omschrijft de communistische ontwerper Enzo Mari (1932-2020) in 1974 zijn twintig prototypen van houten meubels die door de consument eenvoudig in elkaar kunnen worden gezet. Het gelijknamige boek Autoprogettazione is zowel een politiek manifest als een praktische doe-het-zelfcatalogus. De arbeider dreigde af te stompen tot een willoze prooi voor het opkomende consumentisme van de jaren zestig. Hij werd een anoniem radertje in een commerciële wereld, gedwongen tot kopen door zijn zucht naar materialisme. Om deze destructieve cyclus te doorbreken, moest de arbeider een zinvolle relatie aangaan met zijn fysieke leefomgeving. Te beginnen met zijn eigen meubels.
Uit deze collectie zal de stoel Sedia uitgroeien tot een erkend designicoon. Slechts dertien beukenhouten plankjes zijn het, vergezeld van een doosje met 50 spijkers en een vel papier met bouwinstructies, die opzettelijk vrij voor interpretaties zijn – Mari ziet ze vooral als suggesties. Dat zijn pamflettistisch design geen bestseller zou worden, dat moet hij zelf ook hebben ingezien. Waarom presenteerde hij zijn collectie anders in een kunstgalerie?
Zijn autoprogettazione moet vooral een beter begrip kweken voor hoe industriële producten worden vervaardigd en daarmee ook de kritische blik op deze massaproducten versterken. Met als uiteindelijke doel de vervanging van massaproductie door productie dóór de massa, of op z’n minst van de massa. Zo ver is het nooit gekomen. De Sedia is uitsluitend massaal aangekocht door musea waar iedereen de stoel bewondert – dat dan weer wel.
Strikt genomen is de stoel Do Hit van Marijn van de Poll geen zelfbouwmeubel maar een zelfsloopmeubel. Je koopt een metalen kubus van 1 meter bij 75 centimeter en een sloophamer. Vervolgens moet je zelf met de hamer een zitvorm in het harde metaal beuken. De stoel is onderdeel van de collectie Do Create die het kritische ontwerpplatform Droog in 1999 presenteert. Uitgangspunt is een onaf design, dat de consument moet voltooien om het object daarmee fysiek en emotioneel eigen te maken. Vandaar dat Do Hit. Maar het is vooral een aanklacht tegen de Italiaanse bling-esthetiek en het kille minimalisme uit Scandinavië dat het design eind jaren negentig overheerst.
De Do Hit is een conceptuele daad van verzet. Met humor en branie heeft Droog dan al naam gemaakt met een kroonluchter die uit niet meer dan een bundel van 85 kale peertjes bestaat (85 lamps van Rody Graumans, 1993) of een stoel die bestaat uit een stapel vodden (Rag Chair, Tejo Remy, 1991). Aan het einde van de verwende jaren negentig is de enige overtreffende trap van dit verantwoorde design nog bruut geweld. Kostenbesparend en goedkoop? Trots na een zelfvoldane creatie? Niks ervan, hier wordt met pragmatische slagkracht een culturele superioriteit uitgedragen.
Met de opkomst van betaalbare digitale doe-het-zelfapparatuur als 3D-printers en lasersnijders waait rond 2010 een Maker Movement over uit de Verenigde Staten. Op websites als Instructables en Etsy worden technieken en producten uitgewisseld. Op maker fairs wisselen wetenschappers, professionele ontwerpers, hackers en amateurtechneuten hun laatste snufjes uit. De toekomst is aan de prosumer, de consument die ook producent is van zijn eigen spullen. Deze ‘maakbeweging’ biedt niet alleen nieuwe creatieve vrijheden, maar is ook een duurzamere manier van produceren. Bij 3D-printen wordt precies zoveel materiaal gebruikt als nodig is, waardoor geen afval overblijft. Bovendien is er geen distributie nodig en bestaat overproductie niet.
De Vlaamse ontwerper Thomas Lommée introduceert in 2011 zelfs een alternatief productiesysteem: Open Structures. Met zelfgemaakte bouwelementen als houten planken, metalen buisconstructies of 3D-geprinte koppelstukken kan een compleet interieur worden vervaardigd; van prullenbak tot eethoek, allemaal van een eenvoud die zelfs een kind begrijpt. Omdat alle ontwerptekeningen op basis van hetzelfde raster zijn gemaakt, is alles bovendien schakelbaar. Drie stoelen aan elkaar schroeven en je hebt een zitbank, dat idee. Alle ontwerpen en maakinstructies staan op de website openstructures.net. Omdat al deze kennis vrij wordt gedeeld, zijn de bouwpakketten duurzaam én democratisch.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant