‘En wat ben jij, man of vrouw?’ Altijd weer krijgt schrijver Mariken Heitman dit soort vragen. Maar de grenzen tussen man en vrouw zijn veel complexer dan Trump denkt, Connie Palmen schrijft en The Kinks zingen.
Ik sta voor de ingang van de toiletten op een internationale luchthaven. Rechts het poppetje zonder kenmerken, links het poppetje met een rok. Al sinds de kleuterschool kies ik voor dat tweede.
Ook vandaag: ik sla linksaf en passeer een toiletdame. Direct hoor ik haar opgewonden, gebiedende stem, vang het woord mujeres op, gevolgd door uitroeptekens. Dit overkomt me zo vaak dat het me koud zou moeten laten.
Dan doe ik iets wat ik nog niet eerder deed: ik trek mijn jas open. Met een verhit hoofd toon ik mijn welving. De vrouw, overduidelijk gegeneerd, verontschuldigt zich. Mijn borsten winnen.
Ik registreer: niet welkom, gevaar. Zoals altijd spreek ik mezelf tegen. Vergis ik me nooit?
Mijn bestemming is een schrijfresidentie die ik deel met een handvol andere schrijvers. Het is de week voor de inauguratie van Donald Trump, de dagen verlopen ogenschijnlijk kalm. Ik werk aan een stuk over wildernis, voer gesprekken met de anderen. We wachten af. Dan bereiken de decreten onze bubbel: stopgezette immigratie, de vrijlating van de Capitool-bestormers, terugtrekking uit de WHO.
De overheid, bepaalt de kersverse president, kent vanaf nu maar twee geslachten: man en vrouw.
Ik drink koffie met een schrijver, Paul, die in de VS woont en wiens paspoort (lees: leven) om bovenstaande, gendergerelateerde reden een probleem zal gaan vormen. De geschiedenis van Pauls lichaam is niet eenduidig. We praten over Spanje als mogelijke uitwijkmogelijkheid. Het is duidelijk niet de eerste keer dat hij hierover nadenkt. Dat geldt trouwens ook voor mijzelf, je moet een plan hebben.
Om hem op te vrolijken vertel ik een kolderieke versie van mijn vliegveldanekdote. Een andere schrijfster, Sascha, schuift aan en ze vangt iets op van ons gesprek. Ze zucht. Zou het niet fijn zijn, zegt ze, als jullie het niet stééds over gender hoefden te hebben? Eigenlijk maakt het toch allemaal niets uit?
Later doen we boodschappen en vraagt Sascha mij: beschouw je jezelf als vrouw? Ook deze vraag krijg ik vaak genoeg. Maar we hadden het net nog over ontbijtgranen. Ik leg mijn spullen op de band, denk aan toiletdames, straatverkopers (señor!) en al hun voorgangers. Dat ligt eraan, mompel ik veel te eerlijk.
Te laat realiseer ik me dat ik had moeten beginnen over de discrepantie. Want het maakt allemaal niets uit, maar wel graag een antwoord op de vraag. Een discrepantie die ook de avond tekent waarop de schrijfsters op jolige, licht geërgerde toon de tekortkomingen van hun mannelijke partners doornemen. Die laten hun moeder de keuken opruimen, zien dagelijkse rommel niet liggen, denken niet na over wat er gegeten moet worden. Hopeloos, maar dat is nou eenmaal hoe mannen zijn. Dat dit aantoonbaar onjuist is – ik heb met mijn vrouwelijke partner dezelfde irritaties – wordt weggewuifd. Het is een ondankbare rol, die van spelbreker.
Op de terugweg gebeurt er hetzelfde als op de heenweg, met het verschil dat deze toiletdame na haar excuus onplezierig hard begint te lachen.
Thuis ontwaak ik uit mijn jetlag. Moet ik hier nou mijn energie in steken, wéér boos worden? Ik heb wel wat beters te doen. Het ziekenhuis bellen, bijvoorbeeld.
Een paar weken geleden werd de jaarlijkse MRI-scan van mijn hersenen gemaakt, een pijnlijk intiem beeld. Als gehypnotiseerd keek ik naar de lichte punten in een donker, schedelvormig sterrenstelsel: littekenweefsel van voorbije ontstekingen. Naast het beeld van vorig jaar verscheen dat van nu. Waar links intact hersenweefsel te zien was, verscheen rechts een nieuwe ster: een nieuw plekje. Plekjes herstellen nooit helemaal, wat weg is komt niet terug.
De neuroloog zei dat we zwaardere medicatie moesten overwegen, maar eigenlijk deed ik net zo lief niets. Niet uit berusting maar omdat ik bij herhaling dacht: een nieuw plekje. Er was simpelweg geen ruimte voor andere gedachten.
Die medicatie, vervolgde de arts, is effectiever maar heeft ook meer bijwerkingen. Denk erover na, dan bellen we later.
Ik ben lang genoeg patiënt om te weten dat naarmate de ziekteactiviteit toeneemt, zwaardere middelen nodig zijn. Die vragen op hun beurt een hogere tol van het lichaam. De afweging tussen voor- en nadelen wordt steeds complexer. In theorie dan, want op dat moment woog ik helemaal niets af.
Multiple sclerose, de ziekte waar ik aan lijd, is progressief. Mijn hersenen lopen onherstelbare schade op en niemand kan het stoppen. Ik heb nooit veel zeggenschap gevoeld over een lichaam dat anderen in verwarring brengt – mujeres! Maar dat kan ik meestal met logica pareren, zoals in een tekst als deze. Ziekte is taaier, logica ketst erop af. Sinds de diagnose ben ik veroordeeld tot een onvolmaakt lichaam, daarbuiten besta ik niet.
Mijn woede zwiept als een komeet door de ruimte. Hij raakt niets.
Woede zoekt woede. Beschouw je jezelf als vrouw? Er schiet me een essay te binnen van Connie Palmen, getiteld Lola, naar het gelijknamige liedje van The Kinks. Ze sprak de tekst uit als lezing voor De anatomische les in het Concertgebouw in Amsterdam (2022), maar ik las hem in de Volkskrant (2023) en later in de essaybundel Voornamelijk vrouwen (2023).
Palmen buigt zich over wat zij ‘de transkwestie’ noemt. Zoals de verteller in Prousts Op zoek naar de verloren tijd door een madeleine in een eindeloze reeks herinneringen belandt, zo wordt Connie Palmen door het liedje Lola teruggevoerd naar het dorp waar ze als jongensachtig meisje opgroeide. Ze parafraseert haar moeder: ‘Ik heb vier jongens en zij (Connie Palmen, MH) is de ergste.’
De jonge Palmen wil geen vrijgezelle onderwijzeres of moeder worden. Ze slaat aan op het liedje Lola en redeneert dat een zin als girls will be boys and boys will be girls daarom ‘geen opwindende voorspelling was maar eerder de ondersteunende bevestiging van een bestaande werkelijkheid’.
Misschien suggereert ze met deze anekdote verwantschap met transgenders, al blijft dat hinderlijk impliciet. Grotere bezwaren voel ik bij die madeleine, het liedje zelf. In de songtekst is er sprake van een mannelijke verteller die zich in een club aangetrokken voelt tot een zekere Lola, waarover hij zingt: ‘Well I’m not dumb but I can’t understand/ Why she walked like a woman and talked like a man’.
Je kunt hieruit citeren dat Lola walked like a woman and talked like a man. Los van de context is dat een aantrekkelijk, antiburgerlijk beeld. Maar die zin staat niet op zichzelf. Wat er staat is dat de ‘ik’, de jongeman, niet snapt waarom Lola liep als een vrouw en sprak als een man. Daarmee krijgt het lied toch een andere lading. In die ogenschijnlijk ruimdenkende retoriek schuilt bovendien iets venijnigs.
Neem deze zin: ‘Well I’m not the world’s most masculine man/ But I know what I am and I’m glad I’m a man/ And so is Lola’. De cisgender verteller – I’m glad I’m a man – romantiseert de crossdressende Lola maar ontmantelt haar zelfgenoegzaam met enkele woorden: and so is Lola.
Lola is een man. En jij, Mariken, wat ben jij? De hónger waarmee deze vraag mij steeds gesteld wordt, ook in interviews, is opvallend. Die gretigheid zegt, behalve iets over mij, ook veel over de vragensteller. Kwestie van perspectief. En precies dat, het eenzijdige perspectief, is wat mij in dit liedje ook raakt. De mannelijke verteller toont ons zijn blik op Lola, zoals Palmen dat doet op de transkwestie. Beiden zijn van goede wil, zelfs gecharmeerd van dit type mens. Zo zingt de verteller dat hij bijna voor Lola viel, toen hij in haar ogen keek. Voor de 15-jarige Palmen, die geen idee heeft hoe haar leven eruit zal zien, toont het lied, met zinnen als it’s a mixed up muddled up, shook up world, de mogelijkheid van een alternatief leven, buiten de gebaande paden die het dorp haar biedt.
Maar nergens ontstijgt de verteller of Palmen de beperktheid van die blik. We komen niets over de wording van hun volwassen identiteit te weten – en nee, het telt niet dat je een jongensachtig meisje was, dat waren we tot op zekere hoogte allemaal, vraag maar na bij vriendinnen, dochters, je vrouw. We komen ook helemaal niets te weten over wat Lola er eigenlijk van vindt. Lola heeft geen stem. Ze is een excentriek accessoire, waarmee de bleue verteller in een vrijgevochten rock-’n-roll-held verandert.
De grote winst van deze tijd is dat we de Lola’s niet meer uitsluitend via andermans (cisgender) blik zien. De Lola’s van vandaag praten terug, ze schrijven hun eigen lied.
Het weinig verrassende bericht bereikt me dat Wilders zich achter Trumps genderdecreet schaart. Dáár moet ik mijn woede op richten, zoals ik mijn energie moet steken in een besluit omtrent medicatie. Maar kennelijk is het overzichtelijker om obsessief Palmens essay te ontleden dan om pillen te kiezen, pillen die me óók zieker zullen maken. Het is makkelijker me op te winden over de onzorgvuldige wijze waarop Palmen aan de haal gaat met een onderwerp dat voor mij (en vele anderen) verre van vrijblijvend is, dan me te moeten verhouden tot politici als Trump en Wilders die het bestaansrecht van honderdduizenden mensen ontkennen.
Overspronggedrag, heet dat in de biologie: oog in oog met de vijand je veren poetsen omdat een frontale aanval veel te kostbaar is.
Of: veel heisa maken om een relatief onschadelijk essay omdat de gekken met werkelijke macht onbereikbaar zijn. Al die woorden opschrijven, omdat ik geen vat heb op mijn ziekte.
Ter verdediging: Palmens essay is exemplarisch voor hoe er door veel mensen over gender en identiteit wordt gedacht. Neem deze passage: ‘Zodra onze lichamen en levens aan het toeval en het lot onttrokken worden, we erover kunnen heersen als een oppermachtig demiurg, zodra het bestaan object wordt van maakbare, diepgaande transformaties, van menselijk ingrijpen, overschrijden we de grens van het natuurlijke en betreden het domein van de kunst, van de fictie.’
Ik denk aan mijn schedelvormig sterrenstelsel, aan het spontane spoor van vernietiging dat mijn lichaam tekent. Maakbaar? Hou toch op. Het is vooral die vermeende ‘grens van het natuurlijke’ die me dwarszit. Niet alleen omdat het woord ‘natuurlijk’ een positieve connotatie heeft, het wordt in het algemeen geassocieerd met zoiets als een door de goden beschikte toestand – ook als we niet in goden geloven: als iets dat zo moet zijn. Natuurlijkheid is vaak het streven. Waar ik vooral op blijf hangen, is die scherpe grens tussen natuurlijk en – onvermijdelijk – onnatuurlijk. Of, in de woorden van Palmen, fictie.
Veel mensen schijnen te weten waar die grens ligt. Terwijl zoiets als het ongeschonden lichaam niet bestaat. We passen het al duizenden jaren aan, van kiezentrekken en botten zetten tot ivf en stamceltherapie. Maar dat is kennelijk anders. Kunstheupen en harttransplantaties (of de immunoregulerende medicatie die ik overweeg) mogen niet verward worden met zoiets als – ik maak het maar even concreet – verwijderde of juist gecreëerde borsten. Alleen dán is er sprake van een overschreden natuurlijke grens. Borsten zitten muurvast aan een maatschappelijke mythe en in veel mindere mate aan een lichaam.
Het lichaam wordt als waarachtiger beschouwd dan de geest. Nou ja, als dat zo uitkomt. Word je namelijk geboren met een intersekse conditie, dan gelden er ineens heel andere regels. Een intersekse conditie betekent dat het natuurlijke lichaam niet overeenkomt met het maatschappelijke beeld dat we hebben van een man of een vrouw. Het aantal mensen met deze conditie wordt in Nederland geschat op 190 duizend. Absolute cijfers ontbreken, omdat niet iedereen het van zichzelf weet, maar vooral omdat hun bestaan tot voor kort werd verzwegen: het stigma is enorm. Deze mensen ondergaan in het geniep (vaak ongevraagd, soms piepjong) allerhande ingrepen die tot meer eenduidigheid moeten leiden: iets meer man of iets meer vrouw. Eén hokje aanvinken, graag.
Waar zijn de natuurlijke grenzen als je ze nodig hebt?
Het opportune gemak waarmee zaken als (on)natuurlijk worden bestempeld, is mij in algemene zin een doorn in het oog, en niet alleen omdat daarna eigenlijk nooit iets zinnigs over die natuur volgt. Het gaat me vooral om de totale uitholling van het begrip. Niemand is geïnteresseerd in een essay over natuurlijke grenzen die al dan niet met kunstheupen of gelaserde ogen worden overschreden. Daar zit geen verhaal in. Het wordt pas precair wanneer het gaat om de diepste essentie van onze identiteit: gender en sekse. Torn je aan het gegenderde lichaam, dan overschrijd je geen natuurlijke, maar een normatieve grens.
Ik heb mijn veren lang genoeg gepoetst. Waar het op neerkomt, is dat ik het aanmatigend vind om de identiteit van mensen die een geslachtgerelateerde operatie ondergaan, te verwijzen naar het domein van de fictie. Óók als je, zoals Palmen, dat domein het hoogste goed vindt. In slordige retoriek wordt de intersekse of transgender persoon voortdurend ‘verklaard’ door een dominante massa die zichzelf niet evenredig kritisch onderzoekt.
Ik kan alleen gissen naar het waarom. Misschien is het gewoon makkelijk om je eigen identiteit als neutraal of natuurlijk te beschouwen, een ongekunsteld ijkpunt waartegen je andere identiteiten kunt afzetten. Alsof bij jouw geboorte de geschiedenis begon. Maar we zijn allemaal kinderen van onze tijd, onvermijdelijk ergens in geboren en door omstandigheden en gebeurtenissen gevormd. Geloofwaardigheid staat op het spel als je dit niet meeweegt. Dan bedrijf je exotisme en kwijnt Lola weg in een stoffige wunderkammer.
Toch bekruipt mij een gevoel van ongemak. Hoe vaker ik het essay van Palmen herlees, hoe sterker ik me realiseer dat zij er op z’n minst iets van probéért te begrijpen. Hetzelfde geldt voor alle Sascha’s – het zijn er veel – die met de allerbeste bedoelingen, maar losgezongen van iedere maatschappelijke en politieke realiteit, roepen dat gender er niet toe doet.
Het knaagt dat ik juist op de welwillenden zo kritisch ben. Maar bij hen valt er tenminste iets te winnen. Ik kan ze over de streep trekken. En we hebben ze hard nodig, want de maatschappelijke werkelijkheid wordt steeds grimmiger.
Als Trump spreekt over ‘het bewaken van de biologische realiteit’, hoor ik daarin een echo van die ‘natuurlijke grenzen’. Dat de Amerikaanse overheid dit aan de hand van de grootte van geslachtscellen wil bepalen, is een bespottelijke vereenvoudiging. Maakt ze niets uit, ook niet dat sekse bijvoorbeeld aantoonbaar variabel is (in het brein, dna, (prenatale) hormoonverhoudingen, secundaire en primaire geslachtskenmerken).
Er zijn tal van factoren die bijdragen aan deze idiotie. Op de meeste heb ik weinig grip, maar een daarvan is de taal. Die laat ik niet kapen.
De warboel in mijn hoofd is iets minder groot. Daardoor ontstaat er ruimte om die andere, medicijngerelateerde kwestie aan te pakken, niet met woorden maar met een daad. Het boek dat ik daarvoor nodig heb, The Wahls Protocol, heb ik al een tijdje in huis. De schrijver, dr. Terry Wahls, doorleefde de klassieker aller ficties. Bij haar was de MS dermate vergevorderd dat ze eigenlijk niet meer kon lopen. Haar dagen bracht ze liggend door, op een speciaal daartoe ontworpen stoel.
Aanbeland op dat dieptepunt begon ze zich grondig in voeding en auto-immuniteit te verdiepen. Ze ontwierp een compleet dieet dat zich vooral richtte op voedsel dat onze vroege voorouders aten, vóórdat ze boer werden. Inmiddels loopt ze weer (!), heeft ze een Ted-talk gegeven, schrijft ze (kook)boeken en doet ze onderzoek naar leefstijlinterventies.
Daar sta ik al in een pan met bottenbouillon te roeren, twintig jaar vegetariër geweest – zo groot is het verlangen naar heling. Ik probeer me de natuurlijke grens voor te stellen als de overgang van een gezond naar een ziek lichaam, van natuurlijke versus onnatuurlijke voeding. Flinterdun. Dat vond ik tot voor kort zelf ook. Maar dr. Wahls, daar kun je niet omheen, die lóópt weer.
Ik verlang zoals zovelen naar een eenduidig plot, van ziek zijn naar herstel. Anderzijds ben ik er niet van overtuigd dat harde grenzen bestaan, niet tussen ziek en gezond maar ook niet tussen man en vrouw. Het is nog maar de vraag in hoeverre die uitersten bestaan. De natuur lijkt opgebouwd uit een overweldigende hoeveelheid uitzonderingen die de (arbitraire) regels bevestigen.
In het nieuwe boek van Arita Baaijens, In gesprek met de Noordzee, wordt gezocht naar een nieuwe relatie met de natuur: ‘Nadruk leggen op verschillen creëert een werkelijkheid waarin alles los van elkaar kan bestaan. Een illusie, we zouden doodgaan zonder zuurstof, rijke darmflora, schimmels en bodemdiertjes die humus produceren waar ons voedsel op groeit.’
Het welbekende onderscheid tussen lichaam en geest is er ook zo een. Je kunt ze uit elkaar halen, ja, en het bodemdiertje uit de bodem, om het onder een microscoop te bestuderen. Je kunt de bokken van de geiten scheiden, de vrouwen van de mannen. Daarna kun je met wetten eenduidigheid afdwingen, transgenders verbieden hun paspoort en hun lichaam te veranderen en mensen met een intersekse conditie juist onder druk zetten om operaties te ondergaan.
Je kunt, met andere woorden, een ‘natuurlijke’ grens bepalen, toiletdames en politici als grensbewakers aanstellen. In het mooiste geval creëer je een vereenvoudigde situatie die de werkelijkheid benadert. Ondertussen sterft het bodemdiertje buiten de bodem een wisse dood, zoals het de geest vergaat zonder lichaam.
Door nadruk te leggen op de verschillen verlies je bovendien het midden uit het oog, een oeroud midden waar wij tot op zekere hoogte allemaal toe behoren. Misschien is een absolute grens gewoon minder betekenisvol dan we denken.
Baaijens vervolgt: ‘De focus op de rede creëert een ontzielde en comateuze wereld die geen enkele ruimte laat voor het ambigue, voor dingen die ons beroeren. Wie of wat de zee is, kan zijn en doet is ten diepste een mysterie, behalve voor pragmatici die spiritualiteit als een geestesstoornis beschouwen.’
Waar ‘zee’ staat, lees ik ook ‘mens’. Want zoals de Noordzee niet met enkel cijfers of ecologische begrippen wordt begrepen, zo heeft mijn ziekte aan neurale woorden niet genoeg. Net als een identiteit, die een mengelmoes van indrukken is, achtergelaten door de vele relaties binnen en buiten onszelf. Relaties zijn altijd in beweging en beweging kun je niet vangen. Belangrijker: niemand heeft er wat over te zeggen welk deel van mijn wezen natuurlijk is, en welk deel fictief. Zoiets is intiem, ten diepste onkenbaar.
Ik eet de bottenbouillon. Volgende maand, besluit ik, start ik met de nieuwe medicatie.
Mariken Heitman (1983) is schrijver. Haar meest recente roman is De mierenkaravaan (2024). Voor haar roman Wormmaan kreeg ze in 2022 de Libris Literatuurprijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant