Home

Deze Nederlandse ontwerper leeft een Legoleven in een Legodorp en heeft Legovrienden

Stijn Oom (27) bouwde als kind met Lego, hij bouwde als puber met Lego en als volwassene bouwt hij weer met Lego. Al die tijd kon hij niet vermoeden dat hij daarmee steen voor steen aan zijn carrière bouwde: hij werd Lego-ontwerper.

is verslaggever bij Volkskrant Magazine en columnist.

Er zijn van die momenten die je later als bepalende momenten in je leven kunt aanwijzen, en voor Lego-ontwerper Stijn Oom (27) uit Deventer is één ervan het moment dat hij als 3-jarige door zijn ouders zindelijk werd verklaard en als beloning een Duploset van Bob de Bouwer kreeg. Er zat zo’n graafmachine met oogjes bij, Scoop heet-ie, en Bob de Bouwer zelf uiteraard.

Je kunt ook wijzen naar het moment dat de 12-jarige Oom, die allang had gezien dat in zijn omgeving in Deventer niet op niveau werd gelegood, eens op internet besloot te zoeken naar inspiratie en op een internationale Legoscene op fotoplatform Flickr stuitte, vol fanatici die net als hij groter dachten dan wat er op het doosje staat.

Of je wijst naar het moment dat ergens ter wereld een vleermuis zijn vleugels spreidde en het coronavirus op de mens overbracht, waardoor wereldwijd lockdowns werden ingesteld en de toen 22-jarige Oom, die de Lego in zijn studietijd een tijdje bij zijn ouders op zolder had gezet, ineens dacht: weer eens aan de slag.

‘Ik kwam altijd weer terug bij die steentjes’, zegt Oom, ‘maar ik had ook toen nog niet gedacht dat ik daar professioneel iets mee kon’. Toch ontmoeten we hem in het Lego House in het Deense Billund, de Legohoofdstad van de wereld, vlak bij zijn werkplek bij het Legoconcern. In het bezoekerscentrum is onderin een museumpje gevestigd. Oom speurt langs de vitrinekasten waarin oude sets staan tentoongesteld, maar helaas: geen Bob de Bouwer.

‘O, dat vliegveld herinner ik me nog, eindeloos mee gespeeld, en die politieboot had ik ook. Elke verjaardag, elke Sinterklaas, maakte ik een verlanglijst en dan stond op één iets van Lego, en op alle andere plaatsen ook.’ Ging de familie Oom op vakantie naar Zuid-Italië, dan kieperden de broers dat vliegveld en de politieboot en de rest in een kist. Eenmaal in Italië keerden ze de kist weer om op de vloer van de tent en dan had je geen kind aan ze.

Wat wel in de vitrines staat: een van Ooms eerste ontwerpen, een glamoureuze villa met veel glas uit de ‘Creator’-serie, Legosets die je op drie manieren in elkaar kunt zetten. En een gieter met bloemen erin: ook van Ooms hand. Het Lego House is het epicentrum van Billund (zeg: Biel-lóénd), waar vrijwel alles Lego-gerelateerd is. Zelfs het vliegveld verderop is hier neergezet door de mensen van Lego, in 1964.

Als je vanaf dat vliegveld richting Billund rijdt, zie je eerst links Legoland, het pretpark dat ’s winters gesloten is, dan rechts het Legohotel, een soort opgedirkt conferentiecentrum waar de Volkskrant in een piratenkamer slaapt. Dan passeer je de Lego Campus, dat is het Legohoofdkantoor, vervolgens loop je op een T-splitsing tegen het Innovation House aan, waar Oom werkt, en ga je daar naar links, dan kom je nog langs het Idea House, een wat groter Legomuseum waar de hele Legogeschiedenis te zien is.

Zijn grootste ontwerp tot dusver

Overal is Oom weleens geweest, behalve op die plek waar het begon: de Legofabriek aan de andere kant van het dorp. Daar mogen we vanmiddag in, wat naar we begrijpen uitzonderlijk is, en waar vele lagen van de speelgoedfirma hun fiat aan moesten geven. Het zal geholpen hebben dat Oom aanstaande vrijdag in Nederland in de Legowinkel in de Amsterdamse Kalverstraat zijn grootste ontwerp tot dusver presenteert: een Legoversie van De Zonnebloemen van Vincent van Gogh, een project in samenwerking met het Van Gogh-museum.

Zijn grootste wapenfeit tot dusver ontstond half per toeval: ‘Soms hebben we een soort inspiratieweek’, vertelt Oom, ‘waarin je wat mag experimenteren. Toen ben ik begonnen met een schets van die zonnebloemen. Later werd ik gevraagd naar Lego Botanicals en Art over te stappen (series met respectievelijk bloemen en bekende kunstwerken in Lego, red.), en werd het dus een echt product.’

Die zonnebloemen in Lego maken, dat is echt iets wat de AFOLs graag doen, de Adult Fans of Lego. Er is een substantiële groep volwassenen opnieuw aan de Lego gegaan en dat zijn de mensen voor wie Oom nu met name ontwerpt. ‘Dat is de doelgroep die iets van Lego wil bouwen en dat dan wil tentoonstellen in hun huis. Het gaat hen ook om een soort... zen. Legoën is een soort ASMR voor ze.’

ASMR staat voor een Autonomous Sensory Meridian Response: een gelukzalig gevoel dat door het lijf raast bij het horen van een heerlijk geluid, gefluister bijvoorbeeld, óf: het zien van iets dat klikt en klopt, zoals kalm steentjes op elkaar klikken. Kijk, laat Oom zien bij een grote tafel vol Lego onderin het gebouw, waar bezoekers zij aan zij zitten te stapelen: alles aan een Legosteen deugt.

Gulden snede

‘Eén brick, een gewoon steentje dus, is precies drie plates hoog – drie van die platte. Maar’, en nu moeten de mensen die ook een hoger Legolevel willen bereiken even opletten, ‘het klopt ook in de breedte als je zijwaarts bouwt, SNOT heet dat: Studs Not On Top.’ Want ook dan heeft zo’n steen een soort gulden snede: heb je bijvoorbeeld twee studs, die blokjes met één zo’n nopje bovenop, dan zijn die – let op – precies even breed als vijf plates op elkaar, de 5:2-regel, waardoor je dus zijwaarts kunt bouwen, en dan – ja, nog even volhouden – is er nog de 6:5-regel: zes studs breed is even breed als vijf gestapelde bricks hoog zijn. Daar was Oom dus al mee bezig als puber.

Ja, het is waar: er had weleens iemand vóór 1958 een stapelbaar steentje bedacht, maar: die waren aan de onderkant hol, en dan donderde je bouwwerk dus zo weer in mekaar. We hadden hier nooit gezeten als timmerman Ole Kirk Christiansen in de jaren veertig niet aan de slag was gegaan met mallen maken voor dat nieuwe spul, plastic, en uiteindelijk in 1958 het steentje bedacht met die holle buisjes onderin: het steentje dat ‘pakt’, precies genoeg, maar niet te veel.

Verder bouwen waar anderen stoppen

We praten verder tijdens de lunch in Brasserie B in Billund, een dorp dat angstaanjagend keurig en schokkend algemeen oogt. Het is nu tweeënhalf jaar geleden dat Oom naar Veile verhuisde, een stad een half uur verderop, waar ook niet veel te beleven is. ‘Maar ik heb geen moment spijt, voor de duidelijkheid.’ Tot vlak daarvoor had Oom geen idee dat zijn toekomst in Denemarken lag.

Ja, aan Oom werd als puber gevraagd of hij niet wat oud werd voor dat spul, maar juist in die tijd, bleek later, bouwde hij de basis voor z’n carrière. ‘Ik ben er nooit zo druk mee geweest als toen, maar ik deelde het niet echt met vrienden van school. Het is toch een periode waarin mensen een mening gaan vormen over wat wel en niet cool is. Ik was een redelijk klein en onzeker jongetje. Voetbal was cool, bier drinken, wat later, en achter de meisjes aan, maar daar was ik helemaal niet mee bezig. Die hele levensweg kwam bij mij veel later. Ik had genoeg te doen op mijn kamer.’

Oom zocht online naar gelijkgestemden en stuitte op Flickr, in die tijd een groot fotoplatform waar mensen uit de hele wereld, van Mitchell uit Australië tot Mats uit Utrecht, net als Stijn verder bouwden dan de meeste leeftijdsgenoten. ‘Daar ben ik gaan posten, ik noemde mezelf Dutch Lego’s, een beetje een stomme naam achteraf, maar ja.’

Alle taferelen van Oom zijn er nog te zien: een ontzagwekkende oorlogsscène die hij met Legovrienden bouwde, Operation Market Garden, compleet met Hollandse molens en geallieerde tanks die kwamen binnenrollen. Een Frank Lloyd Wright-achtig huis tegen een rots, een gigantische zeppelin, een scène uit een maffiafilm. ‘Ik bouwde ook veel zombie-apocalypsen en zo, heel jongensachtig. We reageerden allemaal op elkaars ontwerpen en de vriendschappen ontstegen uiteindelijk de Legowereld.’

Thuiskomen in de Legowereld

Nooit had Oom gedacht dat je daar een baan mee kon krijgen. ‘Wie weet er als-ie 18 is nou eigenlijk wat-ie wil gaan doen? Ik ging Fashion en Branding doen aan het Amsterdam Fashion Institute en toen ging de Lego op zolder, maar ik merkte in de eerste twee jaar al dat die modewereld niet echt voor mij was. Ik zag mezelf als een nuchtere jongen uit de provincie, het was allemaal erg flashy. Ik heb het toen ook weleens in opdrachten voor mijn studie gebruikt: dan presenteerde ik een interieur voor een modewinkel in Lego. Want ja, in die blokjes kon ik me uitdrukken.’

Intussen ging Oom samenwonen en toen kwamen in coronatijd die kisten dus weer van zolder, zoals bij wel meer mensen. ‘Na jaren ging ik online, ik dacht: even kijken, en ja, ik zag dat een van die jongens van toen weer iets had gepost, en hij nodigde me uit voor de Discord-community (een onlinegemeenschap op een overkoepelend platform, red.) World in Darkness, waarnaar veel mensen waren verhuisd.’ Ineens had Oom het weer te pakken. ‘Er was een hele groep op een Discord bezig met storytelling: het bouwen van scènes die passen in een verhaallijn die we samen hadden verzonnen. Alles speelde zich af in een soort toekomstige cyberpunkwereld. Het ging best diep allemaal, er waren facties, verschillende groepen en er waren conflicten. Ja, het was echt thuiskomen.’

Toen op LinkedIn een vacature langskwam voor Lego-ontwerper, was het zijn moeder die zei: daar ga jij natuurlijk op solliciteren. ‘Ik zei: maar dan moet ik naar Denemarken. Dan ga je daar toch heen?, zei zij.’ Toen kon alles van Flickr en Discord zó in die portfolio en belandde Oom vele sollicitatieronden later in Denemarken.

Strikte geheimhouding

De lunch laten we half opgegeten achter, de poorten van de fabriek Billund gaan precies een uur voor ons open. Als Oom naar het Konmarken-industrieterrein rijdt, passeren we lange lanen vol Legofabrieksgebouwen en vrachtwagens die vermoedelijk vol Legostukjes zitten. ‘Een van de moeilijkste dingen aan mijn werk vind ik dat ik nooit mag praten over wat ik aan het maken ben. Ik praat nu met jou over die bloemen, maar ik mag nooit praten over wat ik nú doe. Met niemand. Ook niet met mijn vriendin, toen ik die had.’

Vergelijkbaar met een Legoblokje is ook het Lego-universum een nogal planmatig universum, waar je als journalist niet een-twee-drie binnenwandelt. Overal waar we komen worden we vergezeld door twee pr-mensen die nooit ver van ons verwijderd raken. ‘Er zijn maar af en toe tours door de fabriek, de Legofans verdringen zich erom’, zegt onze tourleider. Op de website vinden we ergens driedaagse Lego Inside-tours, voor de echte diehard-fans (3.081 euro). Onze camera’s moeten we inleveren. Ook over de telefoons is de gids onverbiddelijk. ‘In dat kastje daar.’

‘Goed dat jij hier eens komt’, zegt de gids tegen Oom, ‘dan zie je wat je aanricht als je nieuwe onderdelen verzint.’ Nou, zegt Oom met enige trots, ‘ik heb nog nooit om een nieuw onderdeel hoeven vragen. I use existing parts.’ In de Legowereld geldt dat als creatiever. De gids knikt goedkeurend. ‘Dat is het moeilijke inderdaad.’ Neem die bloemen, die Oom maakt voor de Botanicals-serie: ‘In die bloemen zitten allemaal cockpit-elementjes, die zijn mooi rond als bloembladeren. Toen ik de Zonnebloemen maakte, werkte ik ook vanuit wat er al is. Zo gebruikte ik een stuurwiel als midden van de bloem, maar je kunt ook een hoedje voor een minifig (Legopoppetje, red.) gebruiken als midden.’

Tour door de Legofabriek

Goed, de tour: ‘Alle bewegende elementen hebben voorrang’, zegt onze gids, wijzend naar de heftrucks, ‘de bricks moeten naar de klant.’ Wij moeten met onze oranje hesjes aan op het groene voetpad links blijven, binnen de hekjes. We komen langs wat wandplaten waarop de generaties na oeroprichter Christiansen staan afgebeeld – de achterkleinkinderen staan nu aan het roer. De gids: ‘Die zijn alleen maar aan het paardrijden.’

We beginnen bij een hal vol grote stalen silo’s waarin het hoofdmateriaal voor Legosteentjes zit: kunststof pellets van wittig ABS (acrylonitril-butadieen-styreen) iets kleiner dan muisjes op een beschuit. Naar rechts rollen over een band bovenin de ruimte groene, rode en blauwe dozen vol Lego richting distributie, naar Tsjechië, waar ze in sets worden gesorteerd.

Naar links lopen wij, met de transparante buizen mee die langs het plafond lopen, waarin de korrels, schwwwieeesj naar boven worden gezogen – een beetje als de chocomel die door de chocoladefabriek suist. Stijn, de Sjakie van dit verhaal, ziet voor het eerst waar dat spul vandaan komt, hij volgt de rivier boven onze hoofden, op weg naar de zalen waarin het tot product wordt geperst. Een eind lopen, een step zou nu niet gek zijn, maar we belanden bij de twaalf zalen waar het gruis wordt geperst, de molding modules, met in elke module 64 machines. Zo rollen er 1.300 stukjes per seconde uit de fabriek.

We stappen binnen in zaal nummer zes, het ruikt er naar nagelsalon. Er klinkt een gigantisch kabaal van al die korrels die naar binnen kletteren door de buizen. Voor ons staat de 226765 ENGEL victory 110. Elk van deze machines maakt één type Legoblokje: een 3 bij 2-brick bijvoorbeeld, of een plaatje van 1 bij 4, of een rond kapje dat je ergens op of aan kunt klikken.

Voor elke machine staat een soort transparante mengcentrifuge: hier wordt eerst de juiste kleur bij het plastic gevoegd. Dan slurpt een slang het gekleurde gruis weer op en wordt het razendsnel in de mallenmachine gespoten, door een soort raster van spuitjes. Dan vallen er hup, per keer 16 blokjes uit, die spuugt de machine uit in een bak.

Een nieuw soort puzzel

De Oempa Loempa’s van dit verhaal zijn niet oranje, maar blauw, en machinaal: af en aan rijden vriendelijk ogende, maar onverstoorbare blauwe Legorobotkarretjes langs die Lego uit de bakken van de machines komen oogsten. De ene machine maakt bijvoorbeeld een armpje, dan brengt een robot dat armpje naar de volgende machine, waar er een plastic mouwtje omheen komt. ‘I love this’, zegt Oom, ‘als ik zo’n bak vol zie, brengt dat me terug naar dat kinderlijke gevoel dat alles kan.’

Het is nog steeds een heerlijke puzzel, dat legoën, maar op een nieuwe manier, zegt Oom. ‘Vroeger zat de beperking erin dat ik een maximaal aantal stenen had, dat vond ik leuk. Nu heb ik dat niet: we hebben gewoon een magazijn waarin ik elke steen kan vinden die ik wil. Dat is waar ik vroeger van heb gedroomd en ik vind het nog altijd bijzonder om daar te lopen, maar het gelimiteerde valt weg. De beperking zit er nu in dat ik moet opletten dat ik niet te veel onderdelen gebruik, en dat iets geschikt moet zijn voor de leeftijd waarvoor ik ontwerp.’

Dat eerste gedeelte van het ontwerpen lijkt het meest op hoe Oom het vroeger deed: gewoon beginnen, er komt geen computer aan te pas. ‘Maar ik moet nu op veel meer letten. Vroeger wilde ik dat het er mooi uitzag, dat ik het op de foto kon zetten. Het maakte niet uit als het ding daarna meteen uit mekaar viel, zeg maar. Ook nu denk ik nog eerst aan de vormgeving: ziet het er gaaf uit? Maar daarna zijn er veel meetings waarbij ik met collega’s zit die weer expert zijn op hun gebied. We denken bijvoorbeeld over de ervaring van de maker: is dit leuk om te bouwen? We praten ook over de vraag of het klopt, of het logisch voelt om te doen.’

Want mensen maken graag iets wat klopt. ‘Stel: je hebt een plaatje van 2 bij 8. Dan voelt het intuïtief om een 2 bij 4 blokje in het midden van dat plaatje te plaatsen. Als je een muur bouwt, is het fijn als die aan beide kanten hetzelfde is. En dan moet het natuurlijk stevig zijn: wij noemen dat locken, dat de stenen elkaar vasthouden.’

Kussende robots

We passeren twee robots die Legobakken schoonmaken. De gids drukt op een knop en kijkt hoofdschuddend naar de robots die nu even pauzeren, elkaar een robotkus geven en een robotdansje doen: ‘Mijn collega’s hebben echt te veel tijd om te programmeren’, zegt hij. ‘Een Legosteentje dat de fabriek verlaat, is door geen enkele mensenhand aangeraakt. Tenzij er een lading verkeerd blijkt te zijn bij de kwaliteitscontrole, dan moeten de stagiairs die lading manueel uitsorteren.’

Zoals gezegd: spontaniteit is schaars in Legoland. Wanneer we onze gids een vraag stellen over de poging die Lego een paar jaar geleden deed om blokjes te maken van milieuvriendelijker materiaal, wordt het onderwerp direct afgekapt. Er volgt in juni weer een ‘sustainability statement’, zegt de brand relations manager van Lego Benelux. ‘Er is al veel gedaan voor duurzaamheid: de plastic zakjes zijn vervangen, de verpakking is verbeterd en ook voor het blokje zelf worden stappen gezet’, zegt ze. Daar moeten we het mee doen.

Ja, zegt Oom in de auto terug, ‘ik ben voorzichtig. Over sommige onderwerpen kun je het beter niet hebben. Ik weet dat Lego met duurzaamheid bezig is, maar ik weet ook niet alles.’

Ooms leven is nu hier, een Legoleven in een Legodorp, met Legovrienden, die echt wel over andere dingen dan Lego praten als ze vrij zijn. ‘Het is wel grappig’, zegt Oom, ‘ik heb een paar collega’s die ik blijk te kennen van vroeger, van het internet, zij hadden ook Legopagina’s online. Laatst ontdekte ik van een collega die ook meewerkte aan de zonnebloemen, van: hé, dat was jij? Ik had ooit, lang geleden, onder zijn foto’s comments gepost.’

Toen hij 15 was, wist Oom niet dat het bestond: het beroep van Legodesigner. ‘Legoën was voor mij ook sociaal, het was communiceren met mijn leeftijdsgenootjes, met mijn broertje. Zo ben ik opgegroeid, dat is de persoon die ik nu ben. Nu zeggen mensen: dit is jouw droombaan. Maar ik had er geen besef van dat iemand die sets ook moest verzinnen. Dus het is een soort reverse droombaan. Een droombaan die bleek te bestaan. Ja, het is wel gek gelopen, als ik er zo aan terugdenk.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next