We zullen nog wel een tijdje aan kippenbloed blijven denken als we de rode shirts van voetbalclub AZ zien, dankzij het tweede deel van de serie ‘De voetbalfabriek’ over de jeugdopleidingen van Nederlandse voetbalclubs, die deze maand in Trouw en NRC verscheen. Daarin werd onder meer beschreven hoe in 2016 spelers van AZ onder-16 werden meegenomen naar Duitsland voor een verrassingskamp van militaire snit, waar de kinderen de opdracht kregen om eigenhandig kippen te slachten. „Met respect voor het dier”, maar toch.
De voetbalclub meldde, zo was te lezen in een kader bij het verhaal en later op de website van de club, het artikel „eenzijdig en ongenuanceerd” te vinden. De voorbeelden zouden met name uit het „(verre) verleden” komen. Ook zei de club de journalisten te hebben aangeboden enkele dagen mee te lopen op het trainingscentrum, maar deze hadden zich beperkt tot een bezoek van „slechts een paar uur”.
Enkele dagen blijven leek de verslaggevers inderdaad niet nodig, zegt Joost Pijpker, een van de auteurs. „We hebben het hoofd van de jeugdopleiding twee uur geïnterviewd. Ook hebben we verschillende (oud-)medewerkers, soms uitgebreid, gesproken en een aantal jeugdwedstrijden bezocht om met eigen ogen te zien hoe het er nu aan toe gaat. Daarna verwachtten we weinig veelzeggende momenten meer van een setting waarin de kans bestaat dat je een geregisseerd positief beeld voorgeschoteld krijgt.”
Die afweging lijkt me redelijk, ook al omdat het artikel op basis van de bezoeken aan het trainingscomplex liet zien dat er (nog altijd) een zekere spanning bestaat tussen het verlangen naar ‘positief coachen’ met ‘elf gouden regels’ en de gevoelde noodzaak om een ‘pampercultuur’ te voorkomen. Het kamp met de kippenslacht is weliswaar een uitwas van negen jaar geleden, maar de journalisten schreven ook over recente ervaringen van (ex-)jeugdspelers.
Intussen meldde zich een lezer met een klacht van een andere orde. Hij is abonnee van zowel Trouw als NRC en voelde zich bekocht omdat hij op beide plaatsen dezelfde tekst aantrof. Saillant: in NRC stonden Joost Pijpker en Steven Verseput als auteur vermeld, maar in Trouw Matthijs van Dam en Esther Scholten. Beide kranten meldden de namen van de auteurs van de overkant in een kader. Deze lezer vond het maar niks. „Ik verwacht van mijn krant dat die zich onderscheidt. Dezelfde tekst publiceren wekt alleen maar verwarring en doet afbreuk aan de eigenheid van zowel NRC als Trouw.”
Dat zijn interessante opmerkingen, zeker in een tijd waarin NRC steeds vaker journalistiek samenwerkt met andere partijen, in Nederland en daarbuiten. Afgelopen herfst bleek dat Trouw en NRC allebei het idee hadden opgevat om de cultuur in de opleidingen van betaald-voetbalclubs te onderzoeken, naar aanleiding van het boek Voetbaldroom waarin oud-prof Finn Berk vertelde over nare ervaringen bij AZ. Pijpker: „De voetbalwereld is behoorlijk gesloten, dus het was van het begin duidelijk dat het loskrijgen van alle informatie heel tijdrovend zou zijn. Dan kan het beter zijn om samen te werken dan om apart aan dezelfde verhalen te gaan trekken, ook al omdat dan het gevaar bestaat dat je je laat opjagen door het verlangen om de eerste te zijn.”
Nadat was gebleken dat de journalisten van beide media ongeveer hetzelfde voor ogen stond, werd besloten om inderdaad gezamenlijk op te trekken. Alle gesprekken werden waar mogelijk door een journalist van NRC en Trouw samen gevoerd; ook de inzage vooraf die sommige betrokkenen kregen, gebeurde voor beide publicaties. Vandaar ook dat – afgezien van enkele minimale eindredactionele inkortingen – de verhalen in beide kranten woordelijk hetzelfde waren.
Dat vormde een wonderlijke combinatie met de verschillende auteursnamen. Daar werd voor gekozen omdat een artikel met vier auteurs een rommelige indruk zou maken, zegt Joost Pijpker. Drie auteursnamen wordt vaak al als overdadig beschouwd. Het nadeel van de gekozen aanpak is wat in NRC de woorden van Pijpker en Verseput zijn, in Trouw de woorden van Scholten en Van Dam zijn. In beide gevallen met transparante vermelding van de samenwerking in een noot, maar dat verschil suggereert een hiërarchie die er niet was. Ik had alle vier de namen boven de artikelen gezet; dan is het voor de eeuwigheid ook maar duidelijk wie er aan het woord waren.
Plaatsvervangend hoofdredacteur Melle Garschagen (van NRC) begrijpt dat de ‘dubbellezer’ verbaasd opkeek toen hij hetzelfde verhaal in zijn Trouw en in zijn NRC voorgeschoteld kreeg. „We werken steeds vaker samen: nationaal en internationaal, met concurrerende media en met niet-concurrerende media.” Niet omdat samenwerking een doel op zich is, zegt hij. „Er moet een meerwaarde zijn die opweegt tegen de extra afstemming die erbij komt kijken. Dat is eigenlijk altijd de toegang tot bepaalde informatie. Dat kan gaan om een bijzondere dataset, maar ook om een gesprek met een buitenlandse politicus dat je als correspondent van NRC alleen niet rond krijgt, maar dat wel haalbaar is als je samen optrekt met internationale collega’s.”
Garschagen vindt het „ergens wel mooi” dat landelijke kranten zo samen optrekken. „Al vraag ik me af of we zo’n project ook met de Volkskrant zouden doen.” Wat dat betreft is het een treffend detail dat DPG, eigenaar van Trouw, abonnees van hun kranten ook toegang geeft tot het werk van de concerngenoten. Zo hebben ook abonnees van de Volkskrant, Het Parool, De Morgen en het AD kunnen lezen over de jongens die door AZ kippenbloed aan hun handen kregen.
Arjen Fortuin
Reacties: ombudsman@nrc.nl
Tom-Jan Meeus schreef in de krant van 17 maart (Nieuwe wereldorde, Haagse wanorde: grote vragen, kleine politiek) een aardige analyse over het Nederlandse defensiebeleid in de afgelopen decennia. Zijn bijdrage eindigt plotseling met een nare en onbegrijpelijke verwijzing naar Emmen: „Een land, kortom, dat defensie, Oekraïne en Rusland decennia benaderde vanuit schraperigheid, eigenbelang en geopolitieke naïviteit: het Emmen van Europa (sorry, Emmen).”
Hoezo is Emmen het summum van schraperigheid, eigenbelang en geopolitieke naïviteit? Als Meeus deze vergelijking al wil maken had hij dat daarvoor moeten toelichten. Nu leunt hij op een verondersteld algemeen negatief gevoel over Emmen dat stemming maakt maar kant noch wal raakt.
Frans Mencke
Nogal wat lezers toonden zich ontsteld door de onflatteuze vermelding van Emmen. Het was niet de bedoeling van Meeus om in zijn nieuwsbrief Machtige Tijden – waarvan het artikel in de editie een aangepaste versie was – om de Drentse plaats zomaar in de hoek te zetten. De toelichtingloze vermelding was het gevolg van een ongelukkig uitgevallen inkorting, zegt hij: „Mijn stuk was te lang. In het concept greep ik in de slotalinea terug op een ervaring in Emmen in de periode waarmee het stuk begon: begin jaren negentig. Bij het inkorten heb ik die zinnen te haastig geschrapt. Dat was onzorgvuldig.”
De ombudsman opereert onafhankelijk; zijn oordeel is persoonlijk en niet dat van de (hoofd)redactie. Kijk hier voor de statuten van de ombudsman. Wilt u rechtstreeks reageren op artikelen of audioproducties van NRC, dan kunt u een brief van maximaal 200 woorden mailen aan opinie@nrc.nl. Kijk hier voor de bijdragen van ombudsman Sjoerd de Jong (2010-2021).
Source: NRC