Reputaties veranderen continu. In deze rubriek kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert. Deze week: Christien Brinkgreve.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Zomaar, geheel onverwacht, verrees er een Arend Jan Heerma van Voss-Industrieel Complex in de Nederlandse literatuur.
Dat zijn zonen, Daan en Thomas, na zijn overlijden veel en vakkundig over hem zouden schrijven zag iedereen aankomen. Essays, columns, autobiografische romans. Wat daarentegen niemand verwachtte, was dat het hun moeder, Christien Brinkgreve, was die er met de gouden eieren vandoor ging. De rouwmemoir Beladen huis van de emeritus hoogleraar sociale wetenschappen moet een van de meest onverwachte bestsellers van de laatste jaren zijn.
Dat beladen huis staat in Amsterdam-Zuid. Brinkgreve schrijft dat als je vanuit haar huis uit het raam kijkt, je de mensen kunt zien lopen die naar het Concertgebouw gaan. Een bevoorrechte buurt. Het huis is zoals alle huizen in de straat groot, met hoge kamers, een tuin, een buitenkamer. Het is het soort huis waar voorname academici en gewaardeerde schrijvers kind aan huis zijn. Iedereen kan binnenstuiven, mee-eten, ‘culinair niet echt verfijnd, maar alles ging altijd op’.
Het is een huis in zo’n soort brede straat waar je in de zomer doorheen loopt en geen teken van leven ziet, omdat dit nu eenmaal het soort huis is waar mensen wonen die ook nog andere huizen hebben, aan de kust, of in Frankrijk.
Normaal gesproken zijn dit huizen die voor een paar miljoen opgekocht worden, maandenlang strak gerenoveerd worden, visgraatje erin, vrijstaand bad, keukenblad van Calacatta-marmer, om dan al dan niet gesplitst voor nog een miljoen meer opnieuw op de markt te komen.
Maar het is maar net met welke blik je kijkt. In Oroppa typeert Safae el Khannoussi Amsterdam-Zuid als een buurt met ‘droefgeestige straten’, waar een ‘morose monotonie’ heerst. Brinkgreve gaat daar nog eens overheen. In haar specifieke huis zitten scheuren in de muren, de verf bladdert af. Het ruikt er muf, er hangt een nicotinelucht. Overal liggen oude kranten, tijdschriften, rommel. Het huis is vastgelopen, de schoonheid is verdwenen. Het is ‘een opbergplaats van gebruikte en in ongebruik geraakte dingen’. De kelder heeft ellenlang onder water gestaan. Brinkgreve krijgt er geen genoeg van het te beschrijven. Het leest alsof ze dit boek schreef als bezwaarschrift tegen haar WOZ-aanslag.
Het huis is natuurlijk een metafoor. Zelf merkt ze op dat ‘de ziel van het huis beschadigd is geraakt’ en die ziel, dat was haar relatie met A, zoals ze hem noemt. A kan niet van het leven genieten, ziet pessimisme als realisme, is met zijn pensioen als VPRO-icoon bitterder geworden, wil niet met haar praten over gevoelens, toont geen affectie, houdt zelfs op zijn sterfbed zijn vrouw op afstand.
Oké, oké – je mag personages uit romans niet een-op-een met werkelijke personen verbinden, maar in Daan Heerma van Voss’ autobiografische roman Geen vaarwel vandaag valt de term een ‘notoir moeilijk te duiden’ man.
De vraag bij zo’n beladen huis is: wie wil er achter de gevel kijken? En waarom? De moeder aller rouwmemoirs is Het jaar van magisch denken (2005), van de Amerikaanse Joan Didion. In haar klinische, afgemeten stijl onderzoekt Didion hoe rouwmechanismen werken, nadat haar man John ineens in elkaar is gezakt. Dat literaire onderzoek was sterk en invoelend, maar je kon merken dat het boek ook zo intens populair was omdat het een inzicht gaf in haar unieke leven, omringd door bobo’s en door literaire sterren. Doe mij zo’n uitvaart, dacht je al lezende.
Beladen huis heeft niet die glamour. Er is niks gestileerds aan. Het boek lijkt verbijsterd, de tekst van iemand die uit een auto kruipt die op zijn kop in de berm ligt. Wat is me overkomen, vraagt Brinkgreve zich af: hoe hield ik het vol bij deze man en zijn humeur? Waarom ben ik gebleven? Had ik het anders kunnen doen?
Anders dan Didion maakt ze van haar man en zichzelf geen sterren. Ze maakt van hen producten – van hun tijd en van hun sekse. Brinkgreve spreekt over ‘de karrensporen van het patriarchaat’. Als man in een patriarchale samenleving zou hij meer ruimte opeisen om zijn humeur en ongenoegen te laten gelden. Zij als vrouw paste zich aan, want dat is wat van vrouwen wordt verwacht. Zijn pensioen trof hem als een doodvonnis; haar carrière leek hij weinig belangrijk te vinden. Buiten de deur was ze een hoogleraar die volle zalen toesprak, binnenshuis hield ze haar mond.
In feite is dit een trend die de laatste tien jaar school maakt: memoirs die niet vanuit de persoonlijke ervaring denken, maar vanuit het systeem. Denk aan de ronduit sociologische memoirs van Franse schrijvers als Didier Eribon (Terug naar Reims) en Édouard Louis (Weg met Eddy Bellegueule) en Nobelprijswinnares Annie Ernaux, die hun jeugd in en hun sociale klim uit de arbeidersklasse beschreven.
Waarschijnlijk is deze methode, waarin het leven in een collectieve ervaring wordt gehaakt, het geheim van het succes. Mensen lezen het denkende: inderdaad. Zo had ik het ook. Waarom ben ik zo lang met die vent getrouwd gebleven?
Dit is een zoete paradox. Want de levens die Brinkgreve beschrijft zijn zo nadrukkelijk singulier. Hij was VPRO-icoon, zij een van de eerste vrouwelijke hoogleraren. Ze komen uit kunstzinnige, academische patriciërsfamilies waarin elk familielid een Wikipedia-lemma lijkt te hebben. Hun jeugdtrauma’s zijn redelijk uniek, hun sociale kringen zeldzaam geprivilegieerd. Hun huis is beladen, maar voor de meeste mensen nog steeds onbereikbaar.
Christien Brinkgreve: Beladen huis. Atlas Contact; 176 pagina’s; 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant