Martin Rombouts debuteert met een roman vol koketterie en quasi-artistieke witregels. Ondanks alle balorigheid blijkt in Boek 1 een oprechte schrijver aan het woord.
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
Wat weet je van het jachtluipaard? Het was die vraag die van dichter, schrijver en theatermaker Martin Rombouts (1992) de slimste mens maakte (‘cheeta’, ‘snel’). En sneller dan een cheeta stonden daarna de uitgevers klaar, met ongekend hoge voorschotten voor zijn eerste boek, dat er nu dus ook is: Boek 1, een schreeuwend geel-zwart geval, met de auteursnaam die de halve kaft beslaat en de aanprijzing ‘mijn hemelbestormende debuutroman’ op de achterkant – heel jancremeriaans allemaal, en ook een beetje irritant, dat doordachte machismo.
Het binnenwerk wekt evenzeer een kijk-mij-eens-lak-hebben-indruk: weinig hoofdletters, veel witregels
en zinsafbrekingen
die een poëtische dan wel artistieke
indruk moeten maken.
Vaak zijn dit façades voor een gebrek aan kwaliteit: als je een gekke bek trekt, heeft misschien niemand door dat je onzin kletst. Dat dacht ik eerst ook over Rombouts; de eerste hoofdstukken hebben iets onuitstaanbaars. Het gemaakte montere cynisme: ‘Helaas kreeg mijn moeder toen bloedkanker.’ De tabellen met kankeroverlevingscijfers zijn ‘best wel interessant!’. De manier waarop hij de lezer steeds nadrukkelijk aanspreekt als Lezer; ‘Kijk, Lezer, ik schreef mijn eerste boek al toen ik zestien was.’
Het gekoketteer, ook met zijn dichterschap, over hoe zijn afstudeerscriptie – per ongeluk! – werd opgevat als poëzie. ‘Mijn moeder zei altijd dat het wel goed zou komen, en toen werd ik een dichter!’ Oeps! Die milieuonvriendelijke bladspiegel. De ijdelheid in dit zinnetje: ‘En dus ben ik het je nu verschuldigd, Lezer, om alles te geven.’
Jongen, denk ik dan, rustig aan. Jij bent mij helemaal niks verschuldigd en al helemaal geen boek.
Vast heel zuur, om zo te denken. Fuck recensenten, zou Rombouts de rebel schrijven, schríjft Rombouts: ‘Fuck hun recensies met een lekkere uitsmijter of juist het venijn in de staart.’ Oké, maar het punt is, als je zo heel nadrukkelijk tegen de ‘regels’ schopt, je je lekker puh niets van anderen aantrekt, je daarmee juist het tegenovergestelde bewijst: dat je je wél enorm bezighoudt met hoe het hoort. Bovendien kan alle balorigheid niet verhullen dat Boek 1 een vrij standaard uitgangspunt heeft: schrijver worstelt met het schrijven van een boek (het mag niet over papa gaan), maar het eindresultaat houdt de lezer uiteindelijk toch in handen – het is al zo vaak gedaan.
Maar. Op een gegeven moment begint het erop te lijken dat Rombouts niet zomaar wat roept, niet lukraak op enter heeft gedrukt maar oprecht is. Dat merk je doordat de stijl en vorm je opeens helemaal niet meer opvallen. De witregels, de zinsafbrekingen, ze doen naturel aan als ademhaling in een gesprek. De tekst ís in feite een gesprek. Of nou ja, een monoloog van Rombouts, die met die witregels ruimte maakt voor de lezer, de mogelijkheid biedt tot een dialoog: ‘Hoezo lees je dit eigenlijk?’
Hoezo schrijf je dit eigenlijk?, kaats je de bal in gedachten terug en dit boek is Rombouts’ antwoord. Hij analyseert het artistiek-economisch systeem (en legt uit waarom het boek daarin een armzalige uitzonderingspositie heeft), filosofeert over rijkdom en armoede, of, beter gezegd: over de waarde van dingen. Van kunst, van een boek (ook kunst, toch?), van geld, van door AI gegenereerde plaatjes van knuffeleendjes, van zijn erfenis, van subsidie van het Letterenfonds, van gelijk krijgen, van winnen.
Er zitten aardige essay-aanzetjes in. Waarom, bijvoorbeeld, daten rechtse mannen wel linkse meisjes maar rechtse vrouwen nooit linkse jongens? Boosheid, ook dat. ‘Ik ben zó klaar met die taalspelletjes, Lezer.’ Rombouts wil zich niet bezighouden met wat mensen willen horen. Hij bouwt juist een carrière op als dichter om ‘met elke volgende regel weer iets op het spel te kunnen zetten’. En drukt nog maar een paar keer op enter.
En ondertussen wordt alles, Rombouts’ ideeën, tirades, anekdotes, gedragen door een onderstroom: het verdriet om zijn dode moeder, Addy, aan wie het boek is opgedragen. In die zin doet Boek 1 denken aan De geschiedenis van mijn seksualiteit van Tobi Lakmaker. Ook zo’n berg recalcitrantie die betekenis kreeg, en zelfs ontroerend werd, door een intens doorvoelde onderlaag. Rombouts, peinzend over de herkomst van een speelgoedje uit zijn jeugd – van zijn vader gekregen, of toch van de koninginnedagmarkt:
‘Hoeveel weet ik niet meer zeker,
omdat jij de enige andere was
die erbij was?
En wat is dan nu de bedoeling?
Moet ik dan nu gewoon iets kiezen?
Een verhaal?
Of iets verzinnen?’
Doe dat laatste maar. Verzin iets. En noem het Boek 2.
Martin Rombouts: Boek 1. Das Mag; 228 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant