De anti-wegkijkwet voor maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt steeds verder uitgekleed. EU-voorzitter Polen wil uitstel vanwege de concurrentiepositie.
is economieredacteur. Hij schrijft over het grote geld en corruptie.
De EU-lidstaten zijn donderdag akkoord gegaan met uitstel van de grote anti-wegkijkwet die vorig jaar is aangenomen, en de rapportageplicht voor duurzaamheid die dit jaar zou ingaan.
Het is de volgende stap in de ontmanteling van twee Europese richtlijnen die grote bedrijven tot meer maatschappelijke verantwoordelijkheid hadden moeten dwingen. Met de Europese concurrentiepositie als belangrijkste argument zijn (centrum)rechtse politici en het bedrijfsleven eendrachtig bezig de voortgang van de afgelopen jaren terug te draaien.
‘De overeenkomst van vandaag is een eerste stap op ons beslissende pad om de bureaucratie te verminderen en de EU concurrerender te maken’, zei Adam Szłapka, de Poolse minister voor de Europese Unie donderdag. Polen is de huidige voorzitter van de EU en heeft vereenvoudiging van regelgeving tot een van de prioriteiten bestempeld.
Inhoudelijk dreigt met name de anti-wegkijkwet, die bedrijven verplicht om beter te weten waar hun spullen vandaan komen en onder welke omstandigheden die worden geproduceerd, sterk te worden uitgekleed. Nadat de Europese Commissie daartoe eind februari het startsein gaf, wordt nu overal in Europa aan deze revolutionaire richtlijn gemorreld, formeel CSDDD geheten, die vorig jaar nog met veel gejuich werd aangenomen.
Ook in Nederland is de stemming veranderd. Het kabinet nam deze week zo ongeveer alle suggesties van bedrijvenkoepel VNO-NCW over om de richtlijn af te zwakken. Tot vorig jaar had het ook oog voor andere belangen.
Daarmee lijkt een min of meer logisch eindpunt van de dekoloniale ontwikkeling – geen Europese uitbuiting meer van de bewoners en natuur van andere landen – een stip op een verre horizon te zijn geworden.
Het kostte twaalf jaar om zo ver te komen.
In 2013 leidde het instorten van de Bengaalse textielwerkplaats Rana Plaza, die zeker 1.134 werkers het leven kostte, tot een collectief morele kwestie. Waren we, als westerse afnemers, niet op zijn minst gedeeltelijk verantwoordelijk voor de misstanden in de toeleveringsketen van goedkope producten uit Azië, Afrika en Zuid-Amerika?
In eerste instantie besloten bedrijven in sommige sectoren (zoals textiel) tot vrijwillige convenanten. Die leidden tot meer ‘bewustwording’ en ‘dialoog’, bleek in 2020 uit een evaluatie van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, maar het effect was beperkt.
Alleen in de textiel- en bankensector was vooruitgang te zien (in de textielfabrieken van Bangladesh dragen de kledingsnijders nu metalen handschoenen en krijgen ze meer loon). In andere hoogrisicosectoren deed maar 1,6 procent van de bedrijven mee.
Toen concludeerde ook het bedrijfsleven dat een geweten verplicht moest worden. Voorzitter Ingrid Thijssen van VNO-NCW zei twee jaar geleden dat de tijd van vrijblijvendheid voorbij is. ‘De samenleving verwacht terecht dat er duurzame handelsketens zijn.’
In Nederland werd zo’n wet tot ‘ketenverantwoordelijkheid’ tot in detail door parlementariërs uitgewerkt, maar op het laatst door het kabinet Rutte-IV in de ijskast gezet. Belangrijkste reden: Europa moest het regelen.
Dat gebeurde: de Europese Unie nam vorig jaar de CSDDD-richtlijn aan die ‘gepaste zorgvuldigheid’ verplicht stelt. Bedrijven met meer dan duizend werknemers en 450 miljoen euro omzet moeten verplicht de risico’s in hun aanvoerketens in kaart brengen en optreden tegen wantoestanden. Ook kunnen ze aansprakelijk worden gesteld als ze dat negeren.
‘Dit is een overwinning in de strijd om mensen verantwoordelijk te houden voor mensen en milieu’, zei de Nederlandse PvdA-Europarlementariër Lara Wolters destijds, die als opsteller en onderhandelaar vier jaar aan de richtlijn had gewerkt. Die zou per 2026 in werking treden.
Bedrijvenvereniging BusinessEurope was minder enthousiast, en begon een lobby-offensief. Dat leidde afgelopen najaar tot een twaalfpuntenplan van Ursula van der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, om concurrentie in de Europese economie toe te laten nemen. Belangrijk onderdeel: regels schrappen.
Dit plan werd vorige maand door de Europese Commissie vertaald in een ‘omnibus’-voorstel, een wetspakket om, nog voor de CSDDD van kracht is geworden, hem alweer af te zwakken.
Daar moeten de lidstaten en het parlement het vervolgens wel weer mee eens zijn, en Nederland omarmt de afzwakking enthousiast.
Allereerst hoeven de bedrijven nog maar één stap verder in de keten te kijken, en niet tot aan de oorsprong. ‘Dan hoef je alleen nog maar bij je directe leverancier te kijken of alles goed gaat’, zegt David Ollivier de Leth van Somo, een onderzoeksorganisatie die dit dossier al jaren volgt. ‘Daar zitten de problemen meestal niet.’
Daarnaast hoeven bedrijven straks nog maar eens in de vijf jaar in plaats van jaarlijks te rapporteren over de risico’s en wat ze daaraan gedaan hebben. ‘Dan is het niet echt meer iets om je actief druk over te maken’, zegt De Leth.
Een derde punt is dat maatschappelijke organisaties straks geen recht meer hebben om lokale bewoners of arbeiders te helpen bij het starten van procedures: alleen direct betrokkenen mogen nog procederen. Daardoor zullen bedrijven minder last hebben van Europese organisaties, zoals Milieudefensie, die zich het lot van bijvoorbeeld Nigerianen aantrekken die werden getroffen door olielekkages.
Een vierde punt is dat bedrijven geen informatie mogen inwinnen bij bedrijven kleiner dan duizend werknemers. Dat maakt het haast onmogelijk om misstanden te achterhalen.
Daarbij volgt het kabinet bijna steevast de adviezen van VNO-NCW, blijkt uit de nota waarin het standpunt van het kabinet wordt uitgelegd – ook al gaan die bijvoorbeeld tegen de adviezen van ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken in.
‘In het Omnibus-voorstel zien we een aantal verbeteringen die de uitvoerbaarheid verhogen en de administratieve lasten verminderen’, zegt een woordvoerder van VNO-NCW. ‘Dit is voor bedrijven – en zeker voor het mkb – echt een verbetering. Voor een succesvolle implementatie is het belangrijk om de grootste knelpunten aan te pakken, zonder daarbij de doelen van de wetgeving op het gebied van duurzaamheid en verantwoord ondernemen uit het oog te verliezen.’
Wolters, de auteur van de richtlijn, zei twee weken geleden in een debat in het Europees Parlement dat de Europese Commissie ‘zich zou moeten schamen’. Volgens haar maakt de afzwakking de richtlijn alleen maar gecompliceerder, en is het argument van de concurrentiepositie vals. ‘Er is geen bedrijf dat de EU verlaat vanwege een duurzaamheidsrapportage.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant