22 jaar is Tineke Ceelen directeur van Stichting Vluchteling, nu zwaait ze af. Ze zag de houding ten aanzien van vluchtelingen veranderen. ‘Er hangen hier camera’s op het huis, en niet omdat ik het zo leuk vind om beelden te maken van mijn voortuin.’
is redacteur van Volkskrant Magazine. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.
Het is niet niks om te besluiten dat je stopt, als je gewend bent om altijd te werken en nooit zonder je telefoon en laptop naar bed gaat. Toch kwam Tineke Ceelen (61) tot de conclusie dat het, na 22 jaar directeur te zijn geweest van Stichting Vluchteling, niet anders kon. Het schrijven van Vlucht, met journalist Lidy Nicolasen, over haar leven als hulpverlener, droeg bij aan die conclusie. Ceelen staat met haar gezicht op het omslag, maar o wee als je het boek een biografie noemt. Het gaat niet om haar, zal ze blijven benadrukken. ‘Lidy noemt het boek een biografie, en dan verbeter ik haar. Dit boek gaat over de vluchtelingenproblematiek, door mijn ogen. Ik doe er zelf niet toe, mijn jeugd in Maren-Kessel doet er niet toe. Wat ertoe doet, is de vluchtelingenproblematiek.’
Op tafel, in de woonkeuken van haar rijtjeshuis in Noordwijk, heeft ze een uitgebreide lunch klaargezet: acht soorten broodjes, tien soorten beleg. Vooraf heeft ze per mail gevraagd of er ‘iets speciaals zoals havermelk’ in de koffie moet. Verbazing over dit warme welkom wuift ze weg. ‘Ik ben Brabants. Je kan niet iemand om 12 uur uitnodigen zonder voor een broodje te zorgen. Een klein beetje gastvrijheid, dat is wel het minste.’
Aan de muur hangen Afrikaanse maskers en foto’s van haar dochter Agnes, vernoemd naar haar moeder, die ze 26 jaar geleden kreeg met een Tibetaanse vrijheidsstrijder en alleen opvoedde. Niet gepland, maar ‘een prachtig cadeautje’, zij werkt nu als houtbewerker in Toscane. Een relatie is er daarna nooit meer van gekomen. ‘Scharrels. Meer wilde ik ook niet. Dat is geen kwestie van tijd, maar van prioriteit, en die lag bij mijn dochter en mijn werk. Ik was alleen, had een veeleisende baan, was vaak op reis, Agnes was dan bij mijn zus of moeder. Ik wilde haar behoeden voor elke andere vorm van instabiliteit.’
Ook aan de muur: een grote zwart-witfoto van Ali, de Afghaanse jongen die ze een paar jaar geleden ontmoette in een vluchtelingenkamp in Samos, onder haar hoede nam en die tegenwoordig meegaat op vakantie, over hem straks meer.
Tijdens het schrijven van Vlucht ging Ceelen door alle fotoalbums. Ze groeide op in een katholiek gezin in Maren-Kessel, een klein dorpje in Noord-Brabant. Een liefdevol gezin en ook ‘hopeloos ouderwets’, met name haar vader. Op de basisschool was ze de beste van de klas, maar naar het atheneum gaan vond hij onzin. Tineke zou toch trouwen. ‘Als ik al een opleiding ging doen, dan naar Schoevers, om secretaresse te worden. Mijn ene zus is verpleegster geworden, mijn andere zus ging inderdaad naar Schoevers. Dat waren vrouwenberoepen. Onderwijzeres had nog gekund. Maar studeren aan de universiteit, waarom zou je?’
Haar vader ‘bepaalde alles’, zegt Ceelen. Zeker bij haar, want zij was de oudste. Ze moest uit school direct naar huis, mocht nooit naar een vriendinnetje, logeren was ondenkbaar. Voor iemand met een grote vrijheidsdrang was het niet te doen. ‘Ik dacht: hoe kun je in Oss of Maren-Kessel blijven hangen, als je ook naar Afrika zou kunnen gaan? Mijn vader begreep daar niets van, die zei: je kunt dat ook op televisie zien. Ik voelde me beknot, liep van huis weg en werd ondergebracht bij een pleeggezin, via het Jongeren Advies Centrum. Het was pijnlijk voor mijn vader, hij was woedend. Hij heeft een flatje voor me geregeld omdat hij niet wilde dat anderen voor mij zouden zorgen.’
Ze studeerde culturele antropologie, deed haar afstudeeronderzoek in Kameroen, werkte vier jaar voor hulporganisatie Memisa en vertrok daarna voor het Rode Kruis naar Tibet, waar ze drie jaar woonde. Daarna verhuisde ze, niet lang na de geboorte van Agnes, weer naar Kameroen, waar ze vier jaar werkte voor hulporganisatie SNV. In 2003 trad ze aan als directeur van Stichting Vluchteling. Talloze reizen maakte ze naar conflictgebieden, naar vluchtelingenkampen, naar plekken waar rampen plaatsvonden en oorlogen werden uitgevochten, om zelf te zien hoe Stichting Vluchteling ter plekke het best kon helpen met het voorzien in basisbehoeften: tenten, medicijnen, voedsel.
In het boek leg je niet echt uit waarom je stopt.
‘Om dat uitgebreid te gaan beschrijven, daar was het boek niet voor. Maar ik doe dit werk al bijna 22 jaar, ik ben niet bij de eerste tegenwind afgehaakt, zal ik maar zeggen. Maar ik heb ook al 22 jaar diabetes. Ik doe eigenlijk al 22 jaar alsof dat niet zo is, en ik geloof dat ik niet langer kan ontkennen dat ik ziek ben. Ik heb een insulinepomp, die vastzit aan mijn lichaam, en een sensor die mijn bloedsuikers meet. In het ziekenhuis kunnen ze die op afstand uitlezen.
‘De arts in het ziekenhuis zei: Tineke, ik kan precies zien wanneer jij rustig thuis een krantje zit te lezen en wanneer je aan het werk bent, onder druk staat. Als ik stress heb, aan het reizen ben, stuiteren de bloedsuikers alle kanten op, en dat brengt op lange termijn grote risico’s met zich mee. Diabetes hou je onder controle met rust, reinheid en regelmaat, en als je reist naar crisisgebieden, kun je die rust, reinheid en regelmaat wel vergeten. Ik deed het toch, omdat ik in een ander bestaan niet gelukkig was geworden. Dit is het leven waarvan ik vond dat ik het moest leiden.’
Wat zijn de risico’s op lange termijn?
‘Als ik mijn diabetes niet onder controle heb, word ik heel moe, alsof er een soort waas in m’n hoofd zit. Daar kun je je tegen verzetten, wat ik jaren heb gedaan, maar ik wil het lot niet langer tarten. Ik ben al aan zeven vingers geopereerd, dat is een kleinigheidje, maar ik weet dat erger voor de deur staat als het niet lukt de ziekte onder controle te houden. Het kan leiden tot beroertes, een hartaanval, tot blindheid, een voet eraf, of een been eraf. Daar zit niets tussen waarvan ik denk: doe mij dat maar.’
Je neemt afscheid terwijl het politieke klimaat ten aanzien van vluchtelingen zeer guur is.
‘We willen niet meer voor elkaar zorgen. Het gaat niet om kunnen, we wíllen het niet. Mensen kijken alleen naar zichzelf en de eigen bankrekening, de eigen belangen. We zijn, kortom, niet bereid om de helpende hand toe te steken aan mensen die zonder die hulp het leven verliezen. Donald Trump is trots op de opheffing van USAID, waarmee binnen een paar dagen 40 procent van de noodhulpverlening in de wereld stilvalt. Hij zegt het met een lach, met trots, terwijl het diezelfde dag de eerste mensenlevens kost. Dat raakt me diep. Ik word er wóédend van. Echt, razend. En verdrietig, omdat ik weet dat hij niet de enige is die zo denkt. Kijk naar onze eigen PVV, hoe trots ze zijn, Marjolein Faber voorop, dat ze het strengste vluchtelingenbeleid ooit hebben bedacht.’
Met stemverheffing: ‘Ga je schamen. Ga je schamen! Je loopt trots te kakelen dat je gaat bezuinigen op iemand die al niets heeft. Kun je het mensen kwalijk nemen dat ze een betere toekomst willen? Wij zijn zelf toch ook de hele dag met niks anders bezig? Weet je, laat maar. Ik kan de domheid niet aan. Als ik die vrouw zie, zet ik de televisie uit. Dat ze gaat staan beweren dat president Volodymyr Zelensky niet democratisch is gekozen. Ze leest niet eens een krant.’
Vervolgt: ‘En dan die Reinette Klever, die 2,4 miljard euro gaat bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking en zegt dat alle uitgaven van nu af aan in het belang moeten zijn van Nederland. Je verwoest je internationale contacten. Je schiet jezelf in de voet. Maar dat is van later zorg, tegen die tijd is ze alweer vertrokken.’
In het boek stel je vast: ‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat we klaarstaan voor mensen in grote nood. Het roept zelfs agressie op.’
‘Ja, met die agressie ben ik ook klaar. Er hangen hier camera’s op het huis, en niet omdat ik het zo leuk vind om beelden te maken van mijn voortuin. In de eerste jaren dat ik dit werk deed waren vervelende reacties niet aan de orde. Ik kon er op een feestje mee aankomen dat ik bij hulporganisaties werkte. Inmiddels is het anders.
‘Je ziet het aan de retoriek vanuit Den Haag. Hulpverleners worden gecriminaliseerd. Kijk naar de processen die gevoerd zijn of nog op stapel staan tegen hulpverleners die mensen hebben gered toen hun wrakke bootjes op de Middellandse of Egeïsche Zee dreigden te zinken. Mensen zijn gearresteerd op de Griekse eilanden omdat ze vluchtelingen een lift hebben gegeven. Al is het een oma met een gebroken been, je mag niet helpen, dan ben je strafbaar. En dat wordt steeds erger.’
Met wat voor agressie krijg jij zelf te maken?
‘Nazihoer, NSB-trol, verzin het maar, verzin de verschrikkelijkste dingen en mensen roepen het, vooral op X, maar ook elders. Na de verkiezingen in 2023 werd gedreigd dat ze me zouden komen halen, er zouden tribunalen komen en ik was een landverrader die zou worden opgehangen. Op den duur voel en zie je het niet meer, maar in het begin vond ik het lastig. Waar ik echt van schrok waren de dreigbrieven, gericht aan mij en Agnes. Ondertekend door ene Mustafa, al twijfel ik zeer of dat de werkelijke naam was.
‘Agnes kreeg persoonsbeveiliging en moest met bodyguards naar paardrijden. Aan de ene kant dacht ik: schei uit, die gaat nooit écht iets doen. Maar het is wel je kind, een klein meisje, en helemaal zeker weet je het niet. Toen er een tweede brief kwam, heb ik ingestemd met beveiliging. Voor Agnes, voor mezelf heb ik het geweigerd. Bizar hoor, je opent ’s ochtends de gordijnen en er staan twee mannen naar boven te kijken.’
Stichting Vluchteling-ambassadeur Art Rooijakkers zei: ‘Na 2015 was er een omslagpunt. Het woord ‘vluchteling’ werkte vanaf toen als rode lap op een stier. In het begin kreeg ik complimenten als ik voor Stichting Vluchteling op reis was geweest, nu krijg ik een emmer stront over me heen.’
‘In 2015 kwamen er meer mensen dan anders naar Europa, vooral uit Syrië. Dat is op een bepaalde manier door media in beeld gebracht. Als je duizend mensen achter elkaar ziet lopen, bepakt en bezakt, lijkt het alsof we worden overlopen. De retoriek vanuit Den Haag zwol aan, waarbij de schuld van het woningtekort de vluchtelingen in de schoenen werd geschoven. Bedenk een probleem en de vluchtelingen krijgen er de schuld van. Overigens is dat ook elders zo. Vluchtelingen krijgen in Jordanië de schuld van het lage grondwaterniveau. Het is makkelijk, ze kunnen zich niet verweren.’
Het blijft raar dat de woede zich op jou richt. Als je vindt dat er geen vluchtelingen naar Nederland moeten komen, zou je het werk van Stichting Vluchteling juist moeten aanmoedigen.
‘We worden vaak door elkaar gehaald met VluchtelingenWerk: zij zetten zich in voor vluchtelingen in Nederland, wij bieden noodhulp in de regio. Maar ik word uitgescholden omdat ik ‘al die mensen’ deze kant op haal, ik word uitgescholden voor iets wat ik helemaal niet doe.’
In het boek beschrijf je ook de toenemende kritiek uit eigen gelederen. Bijvoorbeeld op het inzetten van bekende ambassadeurs.
‘Het duurde even voor ik het begreep, zal ik eerlijk zeggen. Als ik op reis was geweest met Art, of met Waldemar Torenstra, kwam er in toenemende mate commentaar. Van buiten, maar ook intern. Dat het niet van deze tijd was om met een beroemde witte man op reis te gaan om arme zwarte kindjes te helpen. Dat dat ongelooflijk koloniaal was. In het begin dacht ik: hè, wat, waar heb je het over? Maar de tijden veranderen en daar heb je mee om te gaan.’
Hoe reageer jij als je op dit soort dingen wordt aangesproken?
‘Dan moet ik op m’n tong bijten. Niet meteen reageren is voor mij moeilijk, want ik ben vrij spontaan. Soms leidt het tot discussies. Ik had in een fondsenwervende brief aan donateurs geschreven over een ‘mooie jonge vrouw’, nou, dat kon absoluut niet. Het ging over een vrouw die ik trof in een vluchtelingenkamp in Goma, zij was in haar dorp overvallen door terreurbeweging M23, ze staken haar hut in brand, vermoordden haar man. Drie van haar kinderen zijn levend verbrand, zij liep forse brandwonden op. Maar dat wist ik toen nog niet.
‘Zij zat daar in dat vluchtelingenkamp, ik praatte met iemand en mijn oog viel op de brandwonden op haar arm, helemaal verkleefd, duidelijk niet behandeld. Ze vertelde me wat er was gebeurd. Ik weet niet eens of ze zo mooi was. Het ging mij om het contrast met haar lelijk geheelde brandwonden, maar ook met de figuurlijke lelijkheid, dat wat mensen elkaar aandoen.
Nogmaals, ik begrijp de bezwaren ook, hè. Later, iets later, begreep ik de bezwaren. Tegelijkertijd denk ik: het gevaar van dit soort discussies is dat je alleen op jezelf gaat letten. Dat je bang bent bij alles wat je schrijft. Terwijl je naar buiten moet, met je energie, en juist zo min mogelijk naar binnen. Er is genoeg te doen in de wereld.’
Ook waren er felle discussies op kantoor over Gaza, beschrijf je. Jij vond dat Stichting Vluchteling daar geen meerwaarde kon bieden. Waarom niet?
‘Ik vond dat we in Gaza niet konden helpen. Ja, er is grootschalige hulp nodig, maar de vraag is: door wie? In de eerste maanden was gebrek aan geld niet het issue. Het probleem was dat er geen toegang was, de Israëli’s sloten de hele Gazastrook af. Veiligheid was een groot probleem. Ik concludeerde: er zijn zoveel internationale hulporganisaties en lokale hulporganisaties actief, wij hebben geen toegevoegde waarde. Hoe meer organisaties, hoe meer hulpkonvooien op de paar wegen die er zijn, dan loop je elkaar alleen maar in de weg.’
Uiteindelijk zwichtte je wel.
‘Onder druk van de collega’s. Het was niet tegen te houden. Het was zo emotioneel dat ik dacht: als ik nu niets doe, hebben we een totale opstand hier. Dus we hebben een kwart miljoen gegeven aan een partner die dat geld ook ergens anders had kunnen vinden. Sindsdien is het bij ons rustiger geworden. Ook omdat daarna Libanon betrokken raakte, en in Libanon is onze stichting wél aanwezig. Daar konden we meteen in actie komen.’
Is je mensbeeld veranderd in de 22 jaar dat je dit werk doet?
‘Ik ben een stuk minder naïef geworden. Ik heb lang gedacht dat slechte mensen niet bestaan. Nou, ze bestaan. Maar mensen wórden ook slecht. Toen ik in Kameroen woonde, kon ik met Agnes in de buggy leuk door het stadje lopen en in het weekend picknicken in Waza National Park. Dat is nu de speeltuin van Boko Haram geworden.
‘De armoede is enorm, zeker in de kleine dorpjes. Het gebied is getroffen door klimaatverandering, de woestijn rukt op, regens zijn niet meer voorspelbaar. Mensen hebben vaak honger. Dan heb je handelaren, over goed en kwaad gesproken, die oogst opkopen en opslaan in silo’s, om op het moment dat er grootschalige honger is, het graan voor de hoofdprijs op de markt te gooien. Als je in dit soort omstandigheden opgroeit, als jonge jongen, is alles kansloos. Er is geen middelbare school, je zit onder een boom in het zand met je lotgenoten, wetend dat je nooit een fijne baan zult hebben, dat je nooit genoeg inkomsten zult hebben om er gerust op te zijn dat je elke dag eten op tafel kunt zetten. En dan komt Boko Haram voorbij, en biedt jou een geweer en een bromfiets. Zodat je kunt gaan halen wat je hebben wilt. Wat denk je dat er gebeurt?’
Ben jij iemand die geneigd is om te denken in slecht en goed?
‘Ik ben wel van het zwart-witdenken. Mijn vader was zo en ik kan niet ontkennen dat ik ook zo ben. Ik weet het van mezelf, dus ik probeer het onder controle te houden. Ik zie slechtheid, maar ook veel goedheid, gelukkig. Mensen zijn ook in staat boven zichzelf uit te stijgen, veel te geven, ook als ze eigenlijk niets hebben. En mensen zijn in staat het leven weer beet te pakken. Je staat versteld van de kracht van mensen.’
De slechtheid blijft meer hangen, als ik het boek lees.
‘De gruwelijkste dingen staan niet in het boek. Ik heb geselecteerd, anders is het niet te lezen.
Je beschrijft hoe een vrouw door gewapende rebellen gedwongen wordt om over een over de weg gespannen darm te springen, die van haar vermoorde zoon is geweest, je beschrijft hoe kinderen met het hoofd van hun vader op schoot moeten zitten.
‘Dat was de eerste reis die ik maakte voor Stichting Vluchteling, naar Liberia. Dat heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt. Maar het kan nog erger. Het kan altijd erger. Kinderen die de eigen ouders om het leven brengen, daartoe aangezet door de terreurgroep die ze heeft ingelijfd. Dat moet dan zo gruwelijk mogelijk. Moeders die moeten toekijken terwijl hun kind wordt verkracht en vermoord. Dat zijn de verhalen die ik te horen krijg. Op een of andere manier praten mensen vaak makkelijk over wat ze is overkomen.’
Sommige vluchtelingen boeien de wereld meer dan anderen. Je schrijft: ‘Zo guur als de ontvangst, denkbeelden en gedachten over vluchtelingen uit Afrika of islamitische landen zijn, zo snel en enthousiast kwam de hulp op gang voor de mensen die op de vlucht sloegen voor het Russische geweld.’
‘Ja, toen vloog het geld binnen. De afstand tot Soedanese of Congolese vluchtelingen is groter, want ze lijken niet op ons. Het is moeilijk je te verplaatsen in hun levens.’
Ceelen haalt een kastje onder haar blouse vandaan, drukt op wat knoppen. ‘Ik schiet nu omhoog, dus er moet extra insuline aan te pas komen. Het reageert overal op. Je bent er de hele dag mee bezig, daar komt het eigenlijk op neer.’
Hoe kom je eigenlijk aan diabetes type 1?
‘De vraag is: hoe kom je eraf? Niet, dus. Je krijgt het of je krijgt het niet, daar is weinig over bekend. Ik kreeg het pas op mijn veertigste, dat komt weinig voor. Deze vorm krijg je met name als je jong bent. Kleine kinderen. Ik zeg dus altijd maar dat ik geluk heb gehad. Je zult het maar krijgen als je jong bent, of in je studententijd. Dat zou pas vervelend zijn geweest.’
In het boek gaat het uitgebreid over je band met Ali, geboren in Iran met Afghaanse ouders, in zijn eentje gevlucht naar Europa. Je ontmoet hem op Samos en verbond ‘zonder aarzelen’ jouw lot aan dat van hem. Waarom?
‘Dat heb ik me later vaak afgevraagd: waarom hij? Ik heb wel vaker individuen geholpen. Soms kun je niet anders, ook al hoort het niet. Ik weet nog, in een kamp in Noord-Kenia, witte tenten op een uitgestrekte vlakte. Snikheet, ik probeerde te praten met mensen, maar verstond niets. Toen kwam een man naar me toe met zijn puberzoon, hij sprak zijn talen, hij tolkte.
Later zag ik hem stilletjes vertrekken, ik liep achter hem aan om hem te bedanken, hij draaide zich om, legde zijn hand op de schouder van zijn zoon en zei: ‘We konden net zo goed dood zijn.’ Na al die jaren spookt dat nog altijd door mijn hoofd. Dat je denkt: hoeveel moeite was het geweest, voor mij, om iets te doen, om in ieder geval te zorgen dat die jongen naar school had gekund? Er is altijd wroeging, een gevoel dat je te weinig hebt gedaan.’
Waarom hielp je Ali wel?
‘Hij heeft nergens om gevraagd. Nooit. Maar ik kon niet aan hem voorbij lopen. Ali was alleen. Ik heb zelden iemand gezien die zo alleen was, geknakt. Hij is alleen vertrokken vanuit Iran. Met mensensmokkelaars, eerst naar Turkije. Hij was een jaar of 20 toen ik hem op Samos ontmoette, zijn leeftijd weet hij zelf niet, want hij had geen papieren, nul. Hij deed van alles, organiseerde voetbalwedstrijden, had zichzelf leren zwemmen, had zichzelf Engels aangeleerd. Ik zag iemand die getraumatiseerd was en zijn best deed het leven op te pakken. Hij zei: ik wil een toekomst. Daar wilde ik aan bijdragen. We hebben gezorgd dat hij in Italië terechtkon, via het relocatieprogramma van de paus.’
In het boek gedraagt hij zich af en toe onuitstaanbaar. Jij regelt dat hij naar Italië kan, maar hij blijft mopperen op Zuid-Europa, hij wil naar Duitsland. Als je hem meeneemt op vakantie, gedraagt hij zich onbehouwen.
‘Ali is ook kwetsbaar, aardig, hartelijk. Maar anderzijds is het een kapotte jongen en dat repareer je niet zomaar, en misschien überhaupt niet. Ik heb veel van Ali geleerd. Over hoe vluchtelingen naar ons kijken, naar hulporganisaties, maar ook naar het Westen. Ali is vernietigend over de organisaties die hij heeft gezien op Samos. Ze lopen even rond, wij moeten dankbaar gaan doen voor een camera, maar er verandert niets, zegt hij.
‘Op vakantie vond ik hem bij momenten erg vervelend, ik dacht: kun je niet een beetje dankbaarder zijn? Ik heb het vuur uit mijn sloffen voor je gelopen! Ik heb mezelf toen terechtgewezen. Hoezo moet die jongen dankbaar zijn voor iets wat ik me makkelijk kan veroorloven, wat mij, eerlijk gezegd, niet zoveel kost? Het gaat om de vraag: wie heeft waar recht op? Waarom zou hij geen recht hebben op een leven zoals jij en ik? En waarom zou hij, als hij een klein beetje krijgt wat daarop lijkt, dankbaar moeten zijn? Dat was een confronterend inzicht, voor mij.’
Wat was er zo confronterend aan?
‘Dat ik dat gevoel blijkbaar óók heb. Dat ik blijkbaar óók vond dat dankbaarheid op z’n plek was. Van vluchtelingen die in Europa mogen blijven, wordt verwacht dat ze zich voorbeeldig gedragen, en hun kinderen en kleinkinderen ook. Daar zit de gedachte achter: jij hoort hier niet. Alles wat je hier mag doen, is een geschenk aan jou, een gunst. Ali merkt dat er dankbaarheid van hem wordt verwacht, maar hij voelt die dankbaarheid niet. Ali heeft, dat komt er ook nog eens bij, altijd gedacht dat de weg hier met goud geplaveid zou zijn. Hij dacht dat hij een uitkering zou krijgen en een appartementje, dat hij zou kunnen gaan studeren en aan zijn toekomst zou kunnen werken. Dat blijkt niet zo te zijn. Hij moet vanaf nul beginnen.’
Wat voor rol speelt hij in jouw leven?
‘Ik voel me verantwoordelijk voor hem. Maar die vertrouwensband, die is er nog niet. In het begin liet Ali veel vertrouwen zien, maar na verloop van tijd raakte hij steeds meer gesloten. Misschien ook door de discussies die we hebben gehad. Af en toe bedenkt hij iets raars. Dan heeft hij een jaarcontract en gaat hij een vaste aanstelling eisen. Ali, zeg ik dan, dat kun je zo niet doen. Zijn gedrag stoot soms af, dat probeer ik hem uit te leggen. Dan zit ik elke avond met hem aan de telefoon. Hij zegt dan: het is mijn recht, ze moeten het me geven.
‘Hij vindt het moeilijk om dingen van mij aan te nemen. Hij heeft geleerd zich aan niemand te hechten. Ik voel dat dat ook bij ons speelt, dat hij altijd op z’n hoede is dat ik hem laat vallen. Ondanks dat ik dat nooit heb gedaan. Ondanks al die discussies, waarbij ik soms denk: ik word gek. Ik verzeker hem doorlopend: Ali, ik laat jou niet vallen, ik help je. Ja. Zolang als ik kan, met de mogelijkheden die ik heb. Ik ben er voor je.’
In 2023 kreeg je, na twintig jaar in deze functie, een burn-out.
‘Ik geloofde niet in burn-outs. In Afrika heeft niemand een burn-out, dus kom op. Ik had het er moeilijk mee, om het zo te noemen, maar ik denk toch dat het zo genoemd moet worden. Ten eerste kreeg ik mijn diabetes niet onder controle. En toen overleed mijn moeder, in augustus 2023. Dat was de genadeklap. Ze was 85, helemaal goed in haar hoofd, maar met een falend skelet. Ze had twee nieuwe heupen, waarvan er eerst eentje afbrak, waardoor ze in een rolstoel terechtkwam, en daarna schoot ook de andere uit de kom. Toen heeft ze gezegd: ik wil niet meer.
‘Ze is oud geworden, maar voor mij betekende die leeftijd niks. Ik raakte mijn moeder kwijt, mijn vanzelfsprekendheid. Ik belde haar minstens twee keer per dag. Ik vind het nog steeds moeilijk om het erover te hebben. Gek hè? Ik ben na een paar dagen natuurlijk gewoon teruggegaan naar kantoor, maar ik was niet geconcentreerd, ik huilde steeds. Er kwam niets meer binnen. Het ging niet.’
Verbaast het je, dat je decennia zeer stressvol werk deed en uiteindelijk een burn-out kreeg na het overlijden van je moeder?
‘Nee, want zij was de basis waarop ik stond. Ik had mijn eigen veilige omgeving gecreëerd, en dat was zij. Als ik op reis ging, was zij de laatste die ik belde voor ik opsteeg en de eerste die ik belde na de landing. Toen ze was overleden, was het gek thuiskomen. Ik heb een maand of drie daar gezeten, op de bank. Toen dacht ik: nou is het klaar.’
En was het ook klaar?
‘In zoverre dat ik gewoon weer ben gaan werken, gaan reizen. Maar er is wel iets veranderd, sindsdien. Het is nooit meer hetzelfde geworden. Ik ben kwetsbaarder. Omdat ik me beter realiseer wat verlies betekent. Mijn moeder was weg, kijk wat dat met mij deed. Dan dacht ik aan Agnes, die nog jong is. Ik kan me niet veroorloven dat er iets met mij gebeurt, dat kan ik haar niet aandoen. Ik tart het lot met mijn diabetes, ik maak reizen die niet ongevaarlijk zijn. Toen is het gaan spelen, het idee dat ik er misschien eens mee moest ophouden. Dat gevoel werd sterker tijdens het maken van het boek.’
Stoppen is ‘een dingetje’, zegt ze. ‘Het is moeilijk om afscheid te nemen van iets wat ik zo lang met hart en ziel heb gedaan. Voorlopig ben ik gelukkig nog bezig met van alles. Het is niet overmorgen, want er moet nog een nieuwe directeur worden gevonden, en die moet nog worden ingewerkt. Maar ik denk wel na, wat hierna? Wat zal ik eens?’
Tuinieren?
Blik op de compleet betegelde achtertuin. ‘Wacht maar. Kom over twee maanden terug, dan is het een bloemenzee. Maar dat kan ik erbij doen, al bellend. Dat is geen dagvulling.’
20 april 1963 Geboren in Maren-Kessel.
1989 Culturele Antropologie, Universiteit Utrecht.
1989-1993 Projectleider regionale vakopleiding bouwbedrijven.
1993-1997 Hoofd afdeling uitzendingen Memisa.
1997-2000 Werkzaam voor het Rode Kruis in Tibet.
2000-2003 Regionaal directeur SNV Kameroen.
2003-heden Directeur Stichting Vluchteling.
2009 Boek Hier en daar een crisis.
2020 Benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.
2023 Comeniusprijs.
2025 Boek Vlucht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant