Home

Gemeenten die te weinig aan asielopvang doen, worden ‘beloond’ terwijl de opgave voor voortvarende gemeentes nog groter wordt

Asielopvang Gemeenten zijn kritisch op de manier waarop minister Faber de spreidingswet interpreteert en hoe zij resterende asielopvangplekken heeft verdeeld. Bij de helft van de gemeenten kon de opvang omlaag omdat andere gemeenten juist meer gaan doen, blijkt uit een data-analyse van NRC.

Van een eerlijke verdeling van asielopvangplekken over gemeenten is na ingrijpen van minister Marjolein Faber (Asiel en Migratie, PVV) nog maar weinig over. Dat blijkt uit een analyse van NRC van de zogenaamde ‘verdeelbesluiten’ die Faber in het kader van de spreidingswet heeft genomen. Tientallen gemeenten zijn in bezwaar. Zeker zes daarvan vinden de besluiten niet in de geest van de wet. Zij hebben, samen met de provincie Gelderland, de afgelopen maanden bezwaar gemaakt tegen de verdeling van Faber.

Hun frustratie komt hieruit voort: de minister heeft besloten het aantal opvangplekken dat gerealiseerd moet worden in de helft van de gemeenten te verlagen, ook in provincies zoals Noord- en Zuid-Holland die juist nog te weinig aan opvang doen. Die verlaging is mogelijk omdat een kleinere groep gemeenten in deze provincies juist méér doet dan volgens de spreidingswet had gehoeven.

En in plaats van deze gemeenten te ontzien, wil Faber hun extra gecreëerde opvangplekken vanaf komende zomer ook wettelijk vastleggen. Dat betekent dat gemeenten gedwongen zouden kunnen worden om deze plekken beschikbaar te houden. Gemeenten als Almelo, Voorschoten en Wassenaar voelen zich nu gedupeerd en willen dat Faber deze plekken als vrijwillig beschouwt, en niet als een verplichting.

De gang van zaken laat zien dat Faber niet veel opheeft met het idee achter de spreidingswet. Die was juist bedoeld om gemeenten die te weinig asielopvang aanbieden te stimuleren dit wel te doen. Voor alle 342 gemeenten zou duidelijk worden hoe hun bijdrage aan de eerlijkere verdeling van asielopvang eruitziet, met het ultieme doel om de druk op zwaarbelaste plekken als Ter Apel en Budel te verlichten.

Maar Faber heeft steeds duidelijk gemaakt dat zij gemeenten niet wil dwingen en de spreidingswet wil intrekken. Een wetsvoorstel daarvoor wordt binnenkort verwacht. Faber heeft ook altijd gezegd dat zolang de spreidingswet nog van kracht is, zij zich als minister aan die wet moet houden.

96.000 asielbedden

Bij invoering van de spreidingswet maakte Fabers voorganger, staatssecretaris Eric van der Burg (VVD), bekend dat tot februari 2026 behoefte is aan 96.000 asielbedden. Die moeten in elk geval vanaf 1 juli dit jaar beschikbaar zijn. Faber kan vanaf dat moment, in theorie, gemeenten aanpakken die zich niet aan de afspraken en het verdeelbesluit houden.

De verdeling voor asielopvangplekken kwam tot stand met behulp van een methode waarbij inwoneraantal en de sociaal-economische score van een gemeente doorslaggevend zijn. Het is gemeenten toegestaan dat ze onderling plekken voor (minderjarige) asielzoekers, statushouders en Oekraïense ontheemden met elkaar uitruilen, zolang provincies onderaan de streep aan de opgave voldoen.

Eind oktober, na negen maanden onderhandelen, bleek dat slechts vier provincies aan de opgave kunnen voldoen. Friesland voldeed weliswaar aan de opgave voor het aantal reguliere asielplekken, maar kwam wel 85 plekken voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers) tekort. In de overige zeven provincies was een tekort aan honderden tot duizenden plekken. Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland kampten met een gat van vier- tot zesduizend opvangplekken.

Faber boog zich tussen november en eind december over de provinciale plannen, en kwam kort voor Kerst met twaalf verdeelbesluiten. Daarin heeft ze de opvangplekken die provincies tekortkwamen (de ‘restopgave’) verdeeld over gemeenten. In provincies met nu al te weinig plekken hebben 174 gemeenten, ruim de helft van het totaal, een lagere verplichting gekregen een lagere opgave gekregen.

‘Beloond’

Gemeenten die niet aan hun verplichtingen voldoen, worden hierdoor „beloond”, zo stelt de gemeente Almelo in een bezwaarschrift. Almelo heeft al zeker dertig jaar een azc in de gemeente met bijna vierhonderd opvangplekken, genoeg om de opgave van 323 plekken te kunnen vervullen. Daarbovenop stelt de gemeente komend jaar zeventig extra tijdelijke opvangplekken beschikbaar. Minister Faber heeft deze 145 extra plekken opgeteld bij de opgave en komt zo in haar verdeelbesluit tot 468 plekken voor de gemeente Almelo. Maar die wil niet dat de extra, vrijwillige plekken een wettelijke verplichting worden. De gemeente vreest anders dat andere gemeenten „dat extra stapje niet zullen zetten, en zelfs achterover kunnen gaan leunen”, zo staat in het bezwaarschrift aan Faber.

Buurgemeente Borne leverde geen plannen voor asielopvang in en zag de opgave van 148 naar nul opvangplekken dalen. De gemeente zou al niet worden meegenomen in de verdeling van de restopgave vanwege het grote aantal opvangplekken voor Oekraïense ontheemden, maar hoeft nu helemaal geen asielzoekers meer op te vangen van minister Faber.

Wassenaar (930 opvangplekken tegenover een opgave van 158) en Voorschoten (200 plekken bij een opgave van 167) zijn om dezelfde reden als Almelo in bezwaar gegaan. Volgens het Wassenaarse gemeentebestuur is in het verdeelbesluit „zonder enige motivering afgeweken” van de oorspronkelijke opgave.

Stimulans verdwijnt

„De spreidingswet was bedoeld om opvangplekken te herverdelen, zodat iedere gemeente een bijdrage levert”, zegt Rutger Groot Wassink (GroenLinks), die als voormalig voorzitter van de tijdelijke asielcommissie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) nauw betrokken was bij het opzetten van de spreidingswet. „Juist gemeenten die het minste doen, moeten daar het hardst op aangesproken worden.” Hij wijst erop dat door Fabers verdeling „elke stimulans om meer te doen, verdwijnt”.

In de plannen die provincies hebben ingeleverd, worden ook locaties genoemd die pas na 1 juli beschikbaar zijn, of waarvan de lokale besluitvorming nog niet in orde is. Toch telt Faber deze plekken mee in de plannen. Dit leidt tot een onevenwichtige verdeling van de opvangplekken binnen de provincie, schrijft Henri Lenferink, waarnemend commissaris van de Koning in Gelderland, in zijn bezwaarschrift.

Sommige Gelderse gemeenten hebben nu een wettelijke taak gekregen om het drie- of vierdubbele van hun asielopgave te realiseren, terwijl die bij gemeenten elders in het land omlaag ging.

Niet alle provincies en gemeenten staan er op dezelfde manier in, volgens Jetta Klijnsma, commissaris van de Koning in Drenthe en voorzitter van de Kring van Commissarissen. „Er zijn ook gemeenten die veel meer opvangen dan de opgave en dat niet erg vinden. Andere gemeenten kunnen dan minder doen, maar doen dan wel meer op andere vlakken, zoals opvang van Oekraïners. Zo spreiden we de opvangplekken over Nederland.”

Vanaf 1 juli komt het aan op het afdwingen van de verdeling van de asielopvang. Maar zal Faber het daarop laten aankomen? „Ik vraag me af hoe zij de wet gaat handhaven”, zegt Jetta Klijnsma. „Ik heb de minister daar ook om gevraagd, maar dat blijft nog een beetje in het ongewisse.”

Reactie Ministerie

In reactie op vragen van NRC schrijft het ministerie dat de beslistermijn met zes weken is verlengd omdat „een aantal gemeenten” meer tijd nodig had om de bezwaargronden „aan te vullen”. Dit mocht tot 14 maart, de dag waarop minister Faber eigenlijk had moeten reageren op de bezwaren. In april worden hoorzittingen met bezwaarmakers gehouden, schrijft een woordvoerder van het ministerie aan NRC. In elk geval Voorschoten, Wassenaar en Almelo zullen daar hun bezwaar in persoon naar voren brengen.

De provinciale verslagen zijn een belangrijk uitgangspunt voor de verdeelbesluiten, schrijft het ministerie verder. Gemeenten die meer plekken hebben aangeboden dan nodig, zien dit inderdaad terug in het besluit van de minister. „Wanneer er in een provincie gemeenten zijn die meer plekken realiseren dan het aantal uit de indicatieve verdeling, betekent dit automatisch dat andere gemeenten minder plekken hoeven te realiseren (…). Dit is inherent aan de systematiek van de wet.”

De extra, vrijwillig aangeboden plekken betekent voor gemeenten dat die „een wettelijke taak [krijgen] om deze plekken te realiseren”. Het ministerie stelt dat gemeenten „hier ook baat bij hebben aangezien ze (…) zo aanspraak maken op de specifieke uitkeringen die horen bij de wet”.

Source: NRC

Previous

Next