Van der Heem was ooit het grootste industriële bedrijf van Den Haag. Het produceerde radio’s, televisies, stofzuigers en ventilatoren die samen met de Rotterdamse handelsmaatschappij R.S. Stokvis en Zn op de markt werden gebracht onder de merknaam Erres. Ook produceerde het bedrijf Solex-bromfietsen.
Maar de naam beklijft vooral door de vierhonderd typen radio’s die daar werden gemaakt. De radio’s hadden een glazen schaal, waarachter een wijzer liep die met de afstemknop niet alleen naar Hilversum, maar ook naar talrijke andere Europese hoofdsteden en exotische oorden met een ontvangstmast kon worden gebracht; zoals Athlone (Ierland), Beromünster (Zwitserland), Hörby (Zweden) en Moermansk (Rusland). Wie met de knop speelde, kreeg tussen de Hilversumse zenders en latere piraten meestal krakende en piepende geluiden te horen.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Van der Heem kwam in 1951 in problemen toen het na-oorlogse kabinet besloot een ‘superweeldebelasting’ van 30 procent te heffen op radio’s en de eerste generatie televisies. Het was een van de redenen dat de prijs voor een radiotoestel boven de 200 gulden kwam. Op 23 november van dat jaar werden bij Van der Heem 175 van de 1.460 werknemers ontslagen. Een zwarte dag, zo meldde de directie. ‘Ons inziens is de verhoging van de weeldebelasting wat radio’s betreft de voornaamste reden van het teruglopen van de binnenlandse afzet.’ De verkoop van televisies zou hierdoor helemaal niet van de grond komen. Pas in de jaren zestig zouden die gemeengoed worden.
Weeldebelastingen waren er al in de 17de en 18de eeuw. Rijken moesten belasting betalen op luxe. Als teken van welvaart golden bijvoorbeeld het aantal ramen in een huis of het aantal schoorstenen. Ook kwamen er in de 19de eeuw belastingen op paarden en dienstboden. In de 20ste eeuw werd dit uitgebreid tot modernere luxe, zoals een bad of douche. Maar het bleef arbitrair. Op eiken-, noten- of mahoniehouten meubelen gold geen weeldebelasting, maar weer wel op wortelnoten meubelen. Vlak na de oorlog strekte weeldebelasting zich zelfs uit tot zakdoeken, dassen, haargolfapparaten, pantoffels, wandelstokken en hangmatten.
Winkels klaagden steen en been over de weeldebelasting. Veel Nederlanders zagen het als een inbreuk op de privacy als een ambtenaar het huis binnenstapte om te kijken of er op zolder een hangmat lag. Het was een nachtmerrie als de taxatiedagen weer kwamen, net zoals dat nu geldt voor de ozb. Zelfs het communistische dagblad De Waarheid pleitte voor afschaffing van de weeldebelasting. In 1953 werd het tarief verlaagd, om in de loop van de jaren zestig helemaal te worden afgeschaft. Het was veel handiger om luxegoederen onder het hoge btw-tarief te brengen. Van der Heem kon niet worden gered: het bedrijf kwam in 1966 in handen van Philips.
Soms wordt er nog wel voor gepleit voor het in ere herstellen van de weeldebelasting – bijvoorbeeld op smartphones, golfsets, digitale camera’s en kant – al durft niemand hier zijn vingers aan te branden. Ook de SP heeft het niet in het programma staan. Bovendien zou geen ambtenaar het nog aandurven een kast open te trekken op zoek naar verscholen pantoffels en zakdoeken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant