Voor zijn boek TBS verdiepte Hans Faber, de oom van de in 2017 vermoorde Anne Faber, zich in daders met een stoornis. De Volkskrant spreekt met Faber – én met tbs’er Egbert. ‘Manipuleren is heel moeilijk, als patiënt.’
Maud Effting is onderzoeksjournalist en Menno van Dongen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant
Vijf jaar na de gruwelijke moord op zijn nichtje Anne liep schrijver Hans Faber rond in een tbs-kliniek. Tussen daders met psychiatrische stoornissen die zware delicten hadden gepleegd. Op het soort plek waar de moordenaar van Anne in de toekomst terecht zou komen. Dat was in 2022. Nu zit hij broederlijk naast Egbert, een patiënt die al meer dan dertig jaar in de tbs zit. En hij luistert glimlachend naar zijn woorden.
‘Van alle tbs’ers die ik ben tegengekomen’, zegt Faber, ‘is hij de enige met wie ik samen een interview zou geven.’
Egbert, een kleine, tanige en alerte man, kijkt even verrast opzij. Hij oogt nerveus, in dit kale kantoortje. Het ministerie van Justitie en Veiligheid en zijn behandelaars gaven bij wijze van uitzondering toestemming voor het interview met de Volkskrant, dat niet op een persoonlijke plek mocht plaatsvinden.
Vandaag verschijnt TBS, Fabers boek over daders met een psychiatrische stoornis. In 2017 werd zijn familie landelijk nieuws toen ze te maken kreeg met de huiveringwekkende daden van Michael P. Die verkrachtte Fabers 25-jarige nichtje Anne meermaals, vermoordde haar en begroef haar in een bos.
P. verbleef op dat moment niet in de tbs, maar in een forensische kliniek in Den Dolder, nadat hij twee minderjarige meisjes op brute wijze had verkracht – iets waar hij ‘trots’ op was. De rechter had hem alleen een celstraf opgelegd, want P. werkte niet mee aan psychisch onderzoek.
Na de moord op Anne ontstond hevige kritiek op justitie en de rechtspraak: waarom had Michael P. eerder niet tóch tbs gekregen? En waarom kon hij zo vaak onbegeleid naar buiten?
Faber (58) besloot zich te verdiepen in de forensische zorg, en keek ruim een jaar mee in de Van der Hoeven Kliniek in Utrecht. Dat leidde in 2023 tot de goed bekeken documentaireserie In de tbs (BNNVara).
Moest je vaak aan Anne denken in de kliniek?
‘Nee.’ Aarzelend: ‘Nou ja, soms. Ik kon het daar vrij goed parkeren.’
Je broer Wim, Annes vader, waarschuwde van tevoren dat je tbs’ers niet te humaan moest maken.
‘Dat zinnetje zat wel de hele tijd in mijn achterhoofd. Maar Wim steunt me. Hij is een kritische medestander, zeg maar. Al heeft hij nog niet alles gelezen.’ Hij lacht ongemakkelijk. ‘Wim vindt het in elk geval goed geschreven.’
Aanvankelijk hield Faber in de kliniek een dagboek bij dat hij omschrijft als ‘Kuifje in tbs-land’. ‘Dat kon wel wat verdieping gebruiken’, zegt hij. In zijn boek beschrijft hij patiënten zonder hun daden te vergoelijken. Daarbij is één verhaal dat opvalt: over Egbert.
‘Voor de documentaire waren we Egbert aan het filmen, maar de regisseur kapte het af. Ze vond dat er te weinig ontwikkeling in zijn verhaal zat. Maar ik dacht: hoe kan het dat iemand hier al dértig jaar lang zit?’
Was het door wat er met Anne is gebeurd moeilijk voor jou om rond te lopen tussen moordenaars en verkrachters?
‘Het klinkt raar, maar na haar overlijden is de duistere kant van mensen onderdeel van mijn bestaan geworden. Dat komt ook door mijn werk voor Namens de Familie, een organisatie die ik mede heb opgericht. We helpen slachtoffers en nabestaanden om tijdens crises om te gaan met de media. Ik kom bij families die vreselijke dingen hebben meegemaakt.’
Journalisten reageren volgens Faber soms zo hijgerig dat nabestaanden de regie verliezen. Zelf maakte hij mee dat live op tv werd uitgezonden hoe de politie naar het lichaam van Anne zocht in het water. Het vormde de inspiratie voor zijn huidige werk.
Eerder sprak de Volkskrant met Hans Faber en zijn broer Wim Faber (de vader van Anne) over de moordzaak: ‘Wat als straks Annes dood is vergeten?’
Hoe interview je tbs’ers? Ze kunnen soms goed manipuleren.
‘In de tbs-kliniek kwam ik erachter dat mijn sociale antenne totaal niet werkte. Voor de documentaire kreeg ik met opzet geen achtergrondinformatie over patiënten te horen, zodat ik hen open kon benaderen. Met sommigen bouwde ik vervolgens een band op. Er waren mensen bij die ik innemend en intelligent vond.
‘Maar toen ik later ontdekte waarvoor ze daar zaten, kon ik dat vaak niet met elkaar rijmen. De rustigste, aardigste patiënten bleken de verschrikkelijkste dingen te hebben gedaan. Het ergste was: bij de onberekenbaarsten voelde ik me het meest op mijn gemak.’
Dus je herkende het ‘monster’ niet.
‘Inderdaad, en dat verraste me soms toch. Het maakte me boos en teleurgesteld. Bij één patiënt kreeg ik kortsluiting. Het was iemand met wie ik echt goede gesprekken had gevoerd. Maar toen ik de puzzelstukjes bij elkaar legde – ik had gegoogeld – kwam ik erachter dat hij een fles sterk bijtend zuur over het hoofd van een vrouw had leeggegoten. Tot de laatste druppel.
‘Zodra ik dat wist, kon ik hem niet meer aankijken. Ik heb hem nooit meer gesproken.
‘Na een tijd begon ik gedragspatronen te herkennen. Sommige patiënten manipuleerden en speelden machtsspelletjes, ook met ons. We moesten telkens onderhandelen als we wilden filmen. Want ze wisten: Faber volgt me al een tijd, hij wil die beelden vast niet weggooien. Eén man hebben we om die reden lang links laten liggen. Uiteindelijk was hij zo narcistisch dat hij toch weer opdook.
‘Bijna alle tbs-patiënten begonnen met een disclaimer. Dan zeiden ze: jaaaaa, mijn dossier klopt niet helemaal – ze waren eigenlijk onschuldig, het lag niet aan hen, het kwam door drugs, alcohol, een slechte jeugd. Egbert deed dat niet. In al onze gesprekken heeft hij nooit enig excuus aangevoerd voor zijn daden.’
Egbert – een fictieve naam, om privacyredenen – is 67 en zit al 31 jaar in de tbs. Hij zat in de Van Mesdagkliniek, De Kijvelanden en de Van der Hoeven Kliniek. Hij kreeg drie jaar cel en tbs wegens poging tot doodslag, nadat hij een vrouw ernstig had toegetakeld met een hamer en een mes. Een psychiater bestempelde hem destijds als psychopaat.
In zijn eerste jaren was hij zo agressief en onvoorspelbaar dat hij geïsoleerd werd opgesloten, op de extra beveiligde afdeling. Voor zijn detentie bedreigde, mishandelde en sloeg hij zo veel mensen dat hij niet meer weet hoeveel. Hij stond bekend als ‘de schrik van Groningen’, was verslaafd aan coke en heroïne en werd meermaals beschoten.
Egbert wijst naar zijn voorhoofd, waar een politiekogel hem ooit raakte. ‘Zie je het?’ Ook trekt hij zijn witte trui omhoog: twee grote littekens op zijn buik. Gestoken met een mes.
Hij vertelt over zijn aanval met de hamer. Hij wilde de vrouw ‘omleggen’, omdat hij meende dat ze opdracht had gegeven om zijn geliefde te mishandelen. Terwijl zijn partner in het ziekenhuis lag, nam hij wraak. Het slachtoffer smeekte om haar leven. ‘Opeens kwam mijn gevoel terug. Ik wist dat ik hiertoe in staat was, maar ik schrok er toch van.’
Het gekke is: de Egbert die hier naast Faber zit, is innemend. Ontwapenend ook. Iemand die zijn best doet om open te zijn, ook over zijn misdrijven.
‘Als ik boos word, kan het bij mij in één seconde omslaan’, zegt hij. ‘Dan denk ik niets meer, voel ik geen angst. De politie heeft met getrokken wapen tegenover me gestaan. Ik ben er gewoon op ingelopen, tot hun verrassing.’
Ook in de tbs-kliniek bleef je agressief.
‘Ja, in de Mesdagkliniek heb ik meerdere tbs’ers klappen gegeven, buiten het zicht van het personeel. Als ze langsliepen op de gang, trok ik ze zo, hup, mijn kamer in. Dat deed ik omdat ik er niet tegen kon als dominante mannetjes de zwakkeren pakten, kleineerden of afpersten.’
Namen ze wraak na dat soort acties?
‘Nee, nooit.’
Faber: ‘Andere tbs’ers waren bang voor hem. Ik heb van Egbert geleerd dat je nooit moet vechten met iemand die niet bang is om klappen te krijgen.’
Je hebt zelf om een tbs-behandeling gevraagd, in de rechtszaal. Waarom?
‘Ik voelde dat ik behandeling nodig had. Mijn advocaat was woedend. Hij zei: ‘Weet je wel hoelang dat kan gaan duren?’ Egbert grijnst. ‘Inmiddels wel.’
Heb je de vrouw die je bijna doodsloeg ooit excuses aangeboden?
‘Ik mag geen contact met haar opnemen. Zij heeft daar geen behoefte aan. Eerlijk gezegd schaam ik me daar ook te veel voor.’
In zijn boek TBS doet Hans Faber, in weerwil van zijn beladen geschiedenis, iets bijzonders met het verhaal van Egbert: hij laat zien hoe een slachtoffer kan veranderen in een dader. Samen gaan ze op zoek naar de achtergrond van Egberts extreme geweldsuitbarstingen.
De tbs’er: ‘Het is een verklaring voor wat ik heb gedaan, geen excuus.’
Als kind van 2 belandde Egbert in Kinderdorp Neerbosch, een jeugdzorginstelling. Zijn ouders hadden hem en zijn broers aan hun lot overgelaten. In het Nijmeegse tehuis werd hij jarenlang mishandeld, en stelselmatig verkracht door volwassen mannen. In zijn wanhoop sliep hij soms onder het bed van zijn broer om aan zijn belagers te ontsnappen – tevergeefs.
Onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut, gebaseerd op gesprekken met 34 slachtoffers, bevestigt Egberts verhaal. Hij kreeg een schadevergoeding voor het leed dat hem werd aangedaan.
‘Als je over je heen laat lopen, heb je geen leven’, zegt Egbert in TBS. ‘In Neerbosch heb ik geleerd meteen van me af te slaan. Zo hard dat het pijn doet. De meeste vechtersbazen kunnen wel uitdelen, maar niet incasseren. Dat kan ik wel. Op een gegeven moment voel je het niet meer.’
Fabers boek beschrijft dat films als TBS en The Silence of the Lambs de nodige invloed hebben gehad op ons beeld van tbs-patiënten. Daardoor hebben veel mensen frames in hun hoofd: tbs’ers zijn ‘wilde beesten’ of meestermanipulators, hun therapeuten zijn naïeve ‘knuffelaars’.
Laten behandelaars zich gemakkelijk om de tuin leiden?
Faber: ‘In de Van der Hoeven Kliniek lukt dat niet of nauwelijks. Alles is therapie, iedereen wordt 24 uur per dag geobserveerd. Pas als je ertussen loopt, voel je hoe zwaar dat is.’
Egbert: ‘Manipuleren is heel moeilijk, als patiënt. Je hebt continu een heel team tegenover je.’
Faber: ‘Mijn ogen gingen open tijdens een evaluatiesessie. Patiënten bespreken om de drie maanden hun situatie in het bijzijn van iedereen die bij hen betrokken is: van de psychiater tot de werkplaatsbeheerder. De eerste vraag is altijd: hoe vind je zelf dat het gaat?
‘Het ging over een patiënt met wie het vrij goed leek te gaan. Iedereen was vrij positief. Totdat de sportinstructeur zei: ‘We moeten het nog even hebben over dat incident bij het voetbal, laatst, toen je die andere patiënt tegen de muur beukte.’
‘Ineens gebeurt er dan iets in de hersenen van zo’n man. Hij zei: ‘Ja, maar hij had het verdiend, hij was mijn maat de hele tijd aan het sarren.’ Het kwam niet in die man op dat hij het anders had kunnen oplossen. Het was gewoon: bám, geweld. Geen controle over zijn woede. Dat kwam overeen met zijn delictgedrag.’
Een slimme tbs’er zegt op zo’n moment toch wat ze willen horen?
Faber: ‘Ik ben een behoorlijk intelligente tbs’er tegengekomen. Iemand die zedendelicten had gepleegd, die dacht dat hij op de goede weg was. Nou, hij zit er nog steeds.’
Had je een doel met dit boek?
‘Dat is een groot woord. Maar ik ben het eens met de uitspraak van een hoogleraar die ik sprak: je hebt mensen een bepaalde tijd tot je beschikking, wat doe je er dan mee? Stop je ze in de gevangenis? Dan is de kans levensgroot dat ze daarna weer in de fout gaan. Of stop je ze in de tbs? Daar is de recidivekans veel lager.’
Michael P., de moordenaar van Anne, kreeg 28 jaar celstraf. Daarna komt hij in de tbs. Als nabestaanden noemden jullie het ‘absurd’ dat hij ooit zou kunnen vrijkomen. Hoe denk je nu over tbs voor hem?
Faber: ‘Ik ben ervan overtuigd dat P. tot de buitencategorie patiënten behoort. Ik vraag me af of we mensen die tot dat soort daden in staat zijn, ooit op een goede manier kunnen terugbrengen in de maatschappij.
‘Rechters leggen voor zulke figuren steeds vaker een heel lange gevangenisstraf op plus tbs, als extra ‘slot op de deur’, zodat ze nooit meer buiten komen. Ik krijg bijna medelijden met de behandelteams die deze patiënten na al die jaren binnenkrijgen. Ga er maar aanstaan: nog tien, vijftien jaar aan zo iemand lopen trekken en duwen, om dan te concluderen dat het niet lukt. Daar zie ik het nut niet van in.’
Egbert: ‘In de Kijvelanden zag ik hoe zo’n soort patiënt een therapeut doodstak. Die man werkte er pas een paar weken. De tbs’er was met hem meegelopen en vroeg om een schaar. De medewerker gaf hem die schaar, liep terug, en op dat moment stak die patiënt hem in zijn nek. Van schrik draaide het personeelslid zich om; daarop stak hij die schaar zó in zijn hart.’
Hij vertelt hoe een dapper personeelslid de dader tot bedaren bracht en de schaar afpakte. ‘Wij keken vanaf een andere afdeling toe. Ik voelde me machteloos.’
In zijn boek beschrijft Faber het ‘Michael P.-effect’: na de moord op Anne Faber raakten de tbs-klinieken volledig verstopt – inmiddels zijn er wachtlijsten. Toen duidelijk was dat P. zijn gang had kunnen gaan doordat hij tbs had ontlopen, besloten rechters vaker tbs op te leggen. Ook mochten patiënten na aandringen van politici minder snel naar buiten.
‘Terwijl de kern van de tbs juist is dat mensen steeds stapjes maken en wennen aan vrijheden. Nu belanden ze uiteindelijk op straat zonder dat ze er echt klaar voor zijn.’
En zo, zegt hij, zijn we terug bij af.
Is dit politiek opportunisme?
‘Ja. In de drang van politici om ferm over te komen, worden de risico’s juist vergroot.’
Het imago van de sector helpt ook niet, zegt hij. ‘Als een tbs’er op verlof iemand vermoordt, zal geen politicus zeggen: ja, maar het systeem wérkt wel. Dat is politieke zelfmoord. De tbs heeft weinig vrienden.’
Egbert: ‘Ik vind het een goed systeem. En dat zullen niet veel mensen in de tbs zeggen, hè?’
Zijn behandeling leek lang vastgelopen; behandelaars dreigden met een verblijf op de longstay, een afdeling voor tbs’ers bij wie behandeling niet lukt. Pas in Utrecht sloeg Egberts therapie aan. Nu woont hij in een ‘gewone’ buurt, buiten de kliniek, al staat hij nog wel onder toezicht: hij moet wekelijks gesprekken voeren met de kliniek.
Vertel je buitenstaanders dat je tbs’er bent?
Egbert: ‘Niet meteen. Maar als het persoonlijker wordt, ga ik niet liegen.’
Het is eerder misgegaan, in de beginjaren van jouw tbs. Tijdens een verlof heb je twee 16-jarige jongens betast.
Faber: ‘Toen ik dat ontdekte, dacht ik even: fuck, ben ik het verhaal van een pedoseksueel aan het optekenen? Wil ik dat wel?’
Egbert: ‘Nadat dit was gebeurd, vroeg ik me af: ik ben een sláchtoffer van misbruik, waarom zou ik dan een dader worden? Ik zie seksualiteit eigenlijk als iets onaangenaams.
‘Een psycholoog legde me uit dat mijn enige plezierige seksuele ervaring op mijn 16de was, met een jongen van 15. En dat ik daarnaar terugging, omdat ik volwassenen niet vertrouwde. Het gebeurde lang geleden, ik heb hier enorme spijt van. Nu ligt alles anders; ik heb al jaren een vriend, een veertiger.’
Faber: ‘Uiteindelijk bleek dat Egbert geen seksuele stoornis had. En het ging om handtastelijkheden, niet om verkrachting.’
Je had het eerder over je sociale antenne. Dacht je nooit: kan ik hem wel vertrouwen?
‘Nee. Als hij me heeft gemanipuleerd, moet hij echt heel goed zijn. Ik heb maandenlang uren en uren met hem doorgebracht, en alles gecheckt.’
Egbert, tegen de rechter zei je dat je nog niet uit de tbs wil. Waar ben je bang voor?
‘Dat ik terugval in mijn oude gewoonten, dat ik vereenzaam. En dat ik me over van alles ga opwinden, zoals wat er in Palestina gebeurt. Ik heb afgesproken dat ik nog maar één keer per dag het NOS Journaal kijk. Het grootste probleem met mij is: als ik het gevoel heb dat ik het niet red, ga ik me afsluiten.’
En dan ga je vechten?
‘Dan ga ik vechten. Vaak zeggen mensen: als je buiten komt, kun je de draad van je leven weer oppakken. Maar ik heb mijn hele leven buiten de maatschappij gestaan. Ik héb geen draad.’
Hans Faber: TBS. Uitgeverij Lebowski; 304 pagina’s, € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant