Bij het verlaten van de sportschool liep ik een vriendin tegen het lijf. Ze stond tegen de bar geleund en was in gesprek met een jonge vrouw die ik herkende als een trainer.
Ze geeft mobiliteitslessen, waarbij je je lijf los en soepel maakt. We kennen elkaar, omdat ik een paar keer haar lessen gevolgd heb en we elkaar daarna steeds groeten als we elkaar tegenkomen. Dat wist de vriendin blijkbaar niet. ‘Ken je hem?’. Ze gebaarde naar me alsof ik een nieuw model elektrische fiets was. ‘Hij is een goede. Hij ziet er misschien van de buitenkant niet zo uit, maar hij is echt een goede hoor.’ Ondanks, zo voegde ze eraan toe, dat ik een witte man ben.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Even wist ik niet of dit een als belediging verpakt compliment was, of een als compliment verpakte belediging. Hoe dan ook, ik moest het grootmoedig in ontvangst nemen. Grappen of beledigingen over mannen incasseren is net zo verbonden aan het rechtschapen-moderne-manschap als papadagen, Patagonia-bodywarmers, alcoholvrij speciaalbier, huishoudelijke taken strikt 50/50 verdelen, zittend plassen, jezelf drie maal daags luidkeels distantiëren van Andrew Tate (‘Andrew Tate, weg ermeet’), je aansluiten bij een mannencirkel, wel de deur openhouden, niet de rekening betalen – of andersom, een zo zichtbaar mogelijke tatoeage van Virgina Woolf, vliegschaamte, bakfietsschaamte, testosteronschaamte, proberen in elk gesprek even aan te geven dat je je bewust bent van je privileges, hoofdschuddend over tradwives praten, meelopen in demonstraties en daar uitgebreid over posten op je socials, geen Louis CK meer kijken en uiteraard nooit never ever mensen over één kam scheren – behalve witte mannen.
Ik lachte een uilige lach. Niet een die voortkwam uit plezier, maar uit ongemak. De lach van een dader die geen dader is, maar wel neergezet wordt als dader, om vervolgens toch weer vrijgepleit te worden en een beetje verward is over wat er net allemaal gebeurde.
‘Hij ziet er misschien niet zo uit, maar je kunt hem vertrouwen’, zei de vriendin. De trainer knikte instemmend. ‘Nou’, antwoordde ik, geconditioneerd als ik ben om elk compliment vakkundig de nek om te draaien, ‘dat weet je natuurlijk ook niet helemaal zeker, hahaha.’ Als je maar lang en diep genoeg graaft, kom je overal wel ergens stront tegen.
Ik wrikte me los uit deze dwangbuis van ongemak, omhelsde de vriendin, de trainer, iedereen die het maar wilde en liep de sportschool uit, de zon tegemoet. Later die dag kreeg ik een berichtje van de vriendin. Ze was gebeld door de man met wie ze een paar dagen eerder naar bed was geweest. Hij raadde haar aan even naar de dokter te gaan voor een testje. Ze zei er niet bij om wat voor man het precies ging, maar dat kon ik wel raden. Dus, namens ons allemaal: sorry.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant