Het kwam uiteindelijk op een sprint aan op de brede asfaltweg van de Via Roma. Van der Poel, Ganna, Pogacar, zo eindigde Milaan-Sanremo. Het was de tweede keer dat ‘Matje’ de wielerklassieker won. ‘Hier zal nog wel even over gesproken worden.’
schrijft voor de Volkskrant over wielrennen.
De grote twee stonden ’s ochtends wat te keuvelen aan een centraal plein in het Lombardische stadje Pavia, startplaats van de 116de Milaan-Sanremo. Vrienden naast en rivalen op de fiets. Het kwam er met bakken uit de hemel en toch konden ze een jongensachtige grijns niet onderdrukken. Ze hadden zin in wat komen ging. Samen geschiedenis schrijven, ergens tussen hier en Sanremo. Mensen laten watertanden. En maar zien wie er aan het eind van de rit de beste is.
De langste klassieker van het jaar (289 kilometer) is al lang de saaiste niet meer sinds zij besloten eraan mee te doen. Een onderonsje is al nieuws. Wat zouden ze bespreken? Voor welke tandwielen ze hadden gekozen? Hoeveel lagen kleding ze zouden dragen? Of misschien spraken ze het scenario nog eens door, als hoofdrolspelers in een zes uur durend toneelstuk; rustig beginnen, kopgroepje laten wegrijden, die laten terugpakken, en als het dan samensmelt, mogen wij.
Die grijns verging hen snel. Het was kou lijden onderweg naar Ligurië. Diep weggedoken in dubbele regenjacks en wapperend met de handen om bloed naar de vingertoppen te krijgen ploeterden ze over de Povlakte richting de Middellandse Zee. Het was zaak om energie te sparen. Schuilend in de buik van het peloton. Eten, drinken, geen trap te veel doen. En dan hopen dat het lichaam uren later nog doet wat het moet doen als het tempo ineens omhoog moet.
Er reed inderdaad een kopgroep weg. Fransen, Italianen, een verdwaalde Brit. Mannen die al bij voorbaat wisten dat hun poging zou stranden in het zicht van de haven. Leg dat maar eens aan een leek uit; waarom je ziel uit je lichaam fietsen als je toch al weet dat je teruggepakt gaat worden? Wielrennen is een sport van hoop, ook, en je daaraan vastklampen. Soms zit de schoonheid in het proberen tegen beter weten in.
Met het opdoemen van de zee begon het warmer te worden, zoals het hoort. Natte kleding uit, brilletje met zonnewering op de neus, kopgroep inrekenen. Op de bank of in de kantine ging nu pas de televisie aan. Milaan-Sanremo wordt pas het laatste uur leuk. Sterker, na die ellenlange aanloop duurt de extatische fase vaak maar een kwartier. Wachten, hopen, korte apotheose.
In het sluitstuk liggen wat hellingen die niet hetzelfde zijn als je er met frisse benen aan zou beginnen. Al dertig jaar ontvlamt de wedstrijd op de laatste, de Poggio di Sanremo. Een weggetje dat door vergane bloemenkassen meandert en even de 8 procent aantikt. Daar is het staan op de pedalen en met wat nog rest ten aanval trekken. De traditie schrijft voor dat het zo moet. Dwarsdenkers hebben daar natuurlijk maling aan. Zij tillen de sport naar een hoger niveau omdat ze korte metten kunnen maken met voorspelbaarheid.
Voor de Poggio ligt nog de Cipressa, 25 kilometer van de finish, een klim van 3,3 kilometer met een stijgingspercentage van 7 procent. Voorheen reed de ploeg van de beste renner er snoeihard omhoog om concurrenten overboord te gooien en dan viel de wedstrijd daarna even stil. Maar dit keer ging het anders. Eindelijk.
Toen regerend wereldkampioen Tadej Pogacar drie kilometer van de top van de Cipressa in dansende stijl zijn aanval plaatste, eentje die al in december met de ploegleiding voorbereid was, konden alleen ex-wereldkampioen Mathieu van der Poel en voormalige wereldkampioen tijdrijden Filippo Ganna volgen. Met recht een eliteclub. Zo op het oog deed Van der Poel dat zonder veel moeite, Ganna beet zowat zijn kiezen kapot en moest steeds een gaatje laten. Het leek nog tussen de twee te gaan. Alsof het afgesproken werk was.
Ze zijn allebei met lijstjes bezig. Willen de vijf monumenten pakken, als vierde renner in de geschiedenis van de sport. Voor Pogacar is Sanremo wat voor Van der Poel de Ronde van Lombardije is. Die koersen passen het minst bij hun fysieke eigenschappen. Sanremo is te ‘makkelijk’ voor Pogi, Lombardije ‘te zwaar’ voor Matje. Ze moeten zichzelf er heruitvinden. Pogacar probeerde een tweede en een derde keer weg te komen. Maar Van der Poel week niet. Onderweg sneuvelde het dertig jaar oude klimrecord. Op de Poggio, korter en minder steil, versnelde Pogacar aan de voet. Ook dat liep op niets uit. Een tegenaanval werd hem nog bijna fataal.
Zo kwam het op een sprint aan, op de brede asfaltweg van de Via Roma. Zo had Van der Poel ze al glorieus gewonnen, maar ook meeslepend verloren. In de Ronde van 2021 legde hij het af tegen Kasper Asgreen, een paar maanden later kon hij niet meer sprinten op de wielerbaan van Roubaix. Maar hij is ouder en taaier sindsdien. Zakelijker ook. Koerst wat minder onbezonnen dan voorheen.
Door het pokeren van de twee was Ganna teruggekeerd. Van der Poel stuurde naar de linkerkant van de weg om als een roofdier zijn prooien in het vizier te houden. Pogacar liet een gaatje, vreemd, maar misschien probeerde hij nog eens te verrassen. Toen Van der Poel hem aan zijn stuur zag trekken, wist hij dat hij ook moest gaan sprinten. Geen renner in het peloton met zo’n explosieve aanzet als hij, waarschijnlijk door de cross, waarin het voortdurend vertragen en weer versnellen is.
Van der Poel verkeert in de vorm van zijn leven. Reageerde, sprintte weg, en greep vol ongeloof naar zijn helm. Tweede zege in Sanremo, zevende monument, op gelijke hoogte met Pogacar. Hij heeft zijn eigen verwachtingen al overtroffen. Vanaf nu is alles bonus. Dat is nog eens vrijuit koersen. ‘Hier zal nog wel even over gesproken worden’, zei hij na afloop. En inderdaad, men kwam na de wedstrijd superlatieven tekort.
Ganna werd tweede, Pogacar derde. De Italiaan sprak vol ontzag over ‘de twee Goden van de sport’. Die zochten elkaar natuurlijk weer op, vlak voor de huldiging.
‘Ik dacht dat ik je kon breken’, zei Van der Poel terwijl Pogacar zijn hoofd tussen zijn schouders liet vallen. ‘Nee, maar het scheelde niet veel’, antwoordde de Sloveen. Van der Poel begon te lachen. ‘Echt? Nou, ik zat anders ook aardig aan mijn limiet.’ De grote twee. Samen hadden ze alweer sportgeschiedenis geschreven.
Milaan-Sanremo voor vrouwen werd zaterdag gewonnen door Lorena Wiebes. De sprintster van SD-Worx Protime rondde beulswerk van haar ploeggenote en wereldkampioene Lotte Kopecky in de eindsprint op de Via Roma met overmacht af. In de laatste meters versloeg ze Marianne Vos. De Zwitserse Noemi Rüegg werd derde, Demi Vollering vierde.
Omdat ‘La Primavera’ voor vrouwen voor het eerst in twintig jaar weer werd georganiseerd, werd er reikhalzend naar de wedstrijd uitgekeken, maar groot spektakel bleef uit. Op de Cipressa werd tempo gereden maar niet aangevallen en ook op de Poggio ontbrandde de koers pas in de laatste kilometer. Het was niet genoeg om de sprintsters in het peloton te lossen. De Italiaanse Elisa Longo Borghini probeerde het nog in de slotfase, maar ook zij kon een sprint niet voorkomen. ‘Ik wilde deze wedstrijd heel graag hebben’, zei een gelukkige Wiebes na afloop.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant