Home

‘Iedereen wilde ineens naar me luisteren. Toen ik zelf in de gesloten opvang zat, voelde ik me niet gehoord’

Hoe kijkt de generatie van 2000 terug op de jaren die hen gevormd hebben en wat verwachten ze van de toekomst? Voor Noa van Hagen, die jaren heeft doorgebracht in de gesloten jeugdzorg, voelt het alsof ze al een heel extra leven heeft geleefd.

Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.

Hoe en waar ben je opgegroeid?

‘In Den Haag, in een gezin met een vader, moeder, broer en zus. Ik ben de jongste. Mijn vader werkt bij de politie, bij de hondenbrigade, mijn moeder werkte in het onderwijs. We hadden een grote tuin en veel dieren: twee paarden, lammetjes, en altijd honden, vanwege het werk van mijn vader. Mijn ouders waren lief en steunend.’

Wat voor kind was je?

‘Een introvert en sensitief kind. Ik was erg bezig met mijn omgeving, trok me het leed van anderen en de wereld aan, maakte me veel zorgen. Op school vond ik moeilijk aansluiting bij andere kinderen.

Noa van Hagen wordt 25 op 19 december.

Woonplaats: Roermond

Hoe volwassen vind je jezelf op een schaal van 1 tot 10? ‘Een 8. Ik sta met beide benen op de grond, zorg goed voor mezelf en mijn omgeving en probeer een fijn en bescheiden mens te zijn.’

Voel je jezelf onderdeel van een generatie? ‘Niet echt. Door wat ik mee heb gemaakt kan ik me tussen leeftijdsgenoten soms een beetje een vreemdeling voelen.’

Waar ben je over 7 jaar? ‘Dan heb ik hopelijk een eigen kliniek voor jongeren die zijn vastgelopen in het leven. En woon ik ergens landelijk, met mijn vriend, een paar kippen en misschien een hond.’

‘Eigenlijk heb ik me gedurende mijn hele basisschoolperiode erg alleen gevoeld. Ik was somber en teruggetrokken. Het voelde soms alsof leeftijdsgenoten me niet begrepen. Omgekeerd snapte ik hen niet, in mijn ogen waren ze erg met zichzelf bezig, met dingen die mij niet interesseerden. Ik werd niet gepest, maar niet kunnen meedoen, buitengesloten worden, is ook een vorm van pesten natuurlijk.’

Veranderde dat op de middelbare school?

‘In diezelfde periode dat ik naar de havo ging, ontwikkelde mijn zus een eetstoornis, wat de dynamiek in het gezin veranderde. Daardoor raakte ik nog meer op mijn omgeving gericht, ik maakte me zorgen om haar, om mijn ouders. Ik bleef zitten omdat ik eigenlijk nooit volop naar school ging.’

Je spijbelde?

‘Zo rebels was het niet. Het was meer dat ik thuisbleef, op mijn kamer. Door de situatie met mijn zus, kon ik dat relatief ongemerkt doen. Uiteindelijk belandde ik op de mavo, in een klas met kinderen met allerlei problemen. Daar vond ik wel voor het eerst sociaal aansluiting en vriendschap. Helaas ging ik er geen gezondere keuzen van maken.’

Wat voor keuzen waren dat?

‘Vanaf mijn 15de begon ik te drinken en allerlei drugs te gebruiken. Het was achteraf gezien eigenlijk meteen problematisch, omdat ik het niet voor de gezelligheid deed, maar vooral in mijn eentje, als ik me slecht voelde.

‘In de periode die daarop volgde is er in ons gezin veel gebeurd. Ik ben daar open over, maar om mijn ouders te beschermen hoeven de details niet in de krant. Mijn middelengebruik liep uit de hand, ik had geen rem en ben zelfs een paar keer in het ziekenhuis beland. Op een gegeven moment ging het tussen mijn ouders en mij echt niet meer en kwam ik in de jeugdhulpverlening terecht.’

Je bent uit huis geplaatst?

‘Juridisch noem je het zo, maar het is een gevoelig woord, vooral ook voor mijn ouders, omdat het toch de suggestie wekt dat zij me slecht behandelden. Het is een complexer verhaal.

‘Die jaren in de gesloten jeugdzorg hebben me beschadigd. Veel jeugdzorg werkt vanuit crisisopvang en dwang, zonder behandeling. Omdat ik zorg nodig had en die onvoldoende kreeg werd ik van plek naar plek doorgeschoven. In twee jaar tijd heb ik op veertien verschillende plekken gezeten, dat doet natuurlijk iets met een kind. Pas op de laatste plek werd er echt gekeken naar wie ik was en wat ik nodig had. Daar is mijn herstel begonnen, maar het is een lange weg geweest.’

Hoe gaat het nu met je?

‘Het gaat goed, sinds een paar jaar. Ik ben beschadigd door wat ik heb meegemaakt, maar ik kan inmiddels met volwassenheid en wijsheid terugkijken. Het is een lange weg geweest om te komen waar ik nu ben, maar het feit dat ik de trauma’s die ik heb opgelopen heb kunnen overwinnen, heeft me ook gesterkt.

‘Als je me op m’n 16de had verteld wat voor werk ik uiteindelijk zou gaan doen, had ik je voor gek verklaard. Ik verliet de jeugdzorg met veel boosheid en een afkeer van het hele systeem, toch ben ik uiteindelijk zelf in de jeugdhulpverlening gaan werken.’

Misschien juist omdat je zo veel ellende hebt meegemaakt in de jeugdzorg?

‘Het feit dat er zo veel misgaat in de bestaande jeugdzorg is absoluut mijn drijfveer. In feite ben ik er een beetje ingerold. Op een gegeven moment ben ik gevraagd om mijn verhaal te vertellen op een congres voor mensen die werkzaam zijn in de jeugdzorg. Ik moest even slikken, maar ik dacht ook: dit is een kans om over mijn ervaringen te vertellen.

‘Het was spannend, maar het ging me verrassend goed af. Meteen werd ik voor meer congressen gevraagd. Ik weet nog dat ik mocht spreken op een bijeenkomst bij het ministerie van Volksgezondheid. Stond ik daar, voor een zaal mensen die het systeem hebben bedacht en vormgeven, die de beleidskeuzes maken.

‘Iedereen wilde ineens naar me luisteren. Aanvankelijk had ik daar wel moeite mee, want toen ik zelf in de gesloten opvang zat, voelde ik me niet gehoord. Maar ik merkte ook dat veel van deze mensen wél betrokken waren en goede intenties hadden. Toen ik vervolgens een baan aangeboden kreeg, als adviseur bij een grote jeugdzorgorganisatie en bij de Inspectie, heb ik ja gezegd.’

Je ging werken als ervaringsdeskundige?

‘Dat woord gebruik ik liever niet, omdat het een vorm van ongelijkwaardigheid in zich draagt. Het wekt onterecht de suggestie dat iemand een particulier verhaal te vertellen heeft, terwijl ik iets zinnigs te zeggen had over het grote geheel.

‘De bestuurder van de zorginstelling was mijn mentor, hij name me op sleeptouw en heeft me intensief gecoacht en begeleid. Ik reisde door het hele land om alle locaties te bezoeken en met de jongeren en de werknemers te praten over waar het misging, wat er anders moest.

‘Het was verantwoordelijk en pittig werk, tegelijkertijd ging het me goed af. In het begin moest ik dan even door een muur van wantrouwen breken, maar ik had ook vaak snel door hoe het werkte op een plek, waardoor de hulpverleners merkten: ze weet waar ze het over heeft. De jongeren voelden: ze is een van ons. Ik denk dat ze me ook wel ontwapenend vonden.’

Was het lastig om op plekken te komen waar je zelf veel ellende had meegemaakt?

‘Het was vooral lastig om jongeren achter te laten in schrijnende situaties. Situaties die mij maar al te bekend voorkwamen. Uit angst voor risico’s werden jongeren die suïcidaal waren tot voor kort vaak in isolatie geplaatst. Dat is hartverscheurend en doet op termijn veel meer kwaad.

‘Op een gegeven moment ben ik gestopt bij de instelling, de veranderingen gingen me niet snel genoeg. Drie jaar geleden heb ik een eigen steunpunt opgericht, Avalon, voor jongeren van 14 tot 21 met verslavings- en ggz-problemen. Avalon is vernoemd naar een lieve bijzondere jongen met wie ik zelf op een afdeling verbleef, die zelfmoord heeft gepleegd.

‘We begonnen klein, in Den Haag, met vrijwilligers, zorgverleners en lokale ondernemers die ik bereid vond om te helpen. Inmiddels werken we met een multidisciplinair team van twintig mensen. Ik ben de bestuurder van de stichting. We hebben vier steunpunten, in Den Haag, Rotterdam, Roermond en Den Bosch, waar jongeren laagdrempelig kunnen deelnemen aan een ambulant programma, zonder wachtlijst.

‘In de gesloten jeugdzorg ervaren jongeren amper perspectief. Ze hebben niets zinvols te doen, krijgen nauwelijks behandeling. Bij ons gaan we met jongeren op zoek hoe ze hun leven weer op de rit kunnen krijgen, via groepssessies, samen sporten, allerlei activiteiten.

Daarnaast verzorgen we intensievere herstelweken met jongeren in België en we bieden maatwerk met verblijf in Nederland voor jongeren die zijn vastgelopen in de reguliere zorg. Op termijn wil ik graag een eigen kliniek, daar werken we naartoe.’

Doe je in je vrije tijd ook dingen die niets met jeugdzorgproblematiek te maken hebben?

‘Haha, gelukkig wel. Sinds twee jaar heb ik een relatie, die me ontzettend goed heeft gedaan. We wonen samen en ik heb een camper gekocht; ik heb mijn ‘inner boomer’ omarmd. Vorig jaar zijn we in de nazomer zes weken weggeweest, en over een maand gaan we weer. We hebben twee katten, die gaan mee. Het buiten zijn in de natuur en de rust doen me goed.’

Zijn er nog dingen die je anders zou willen in je leven?

‘Het lijkt me leuk om een paar vrienden van mijn eigen leeftijd te hebben. De mensen met wie ik close ben zijn vaak ouder dan ik, mijn vriend ook. Tussen leeftijdsgenoten die ‘normaal’ zijn opgegroeid, voel ik me soms een vreemdeling. Dan ben ik ergens bang dat ze me raar vinden of dat ik ze afschrik. Bij mensen die iets ouder zijn, heb ik dat niet. In vergelijking met de gemiddelde 24-jarige is het soms alsof ik een heel extra leven heb geleefd.’

25 in 25

In de serie 25 in 25 vragen we jongeren geboren in 2000 hoe ze zijn geworden wie ze zijn en hoe ze hun toekomst zien. Meedoen? Mail een korte omschrijving (opleiding/woonplaats/bijzonderheden) naar: 25in25@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next