Voor de ingang van de publieke tribune staat een groep middelbare scholieren stralend naar iemand te kijken – ik schat dat het eersteklassers zijn, want ze zitten nog in de fase dat de een piepklein is en de ander heel groot. Die iemand naar wie ze kijken is Jesse Klaver, die kennelijk met een Q&A bezig is. ‘Deze zijn maat 43 en een half,’ zegt hij en wijst naar zijn puntige lederen schoenen, ‘En met Jordans heb ik maat 45.’
De bel voor het vragenuur klinkt vandaag ontzettend lang. De motie van Joost Sneller (D66), van juni 2024, om ‘het luiden van de bel substantieel aan te passen’ is er kennelijk nog steeds niet door.
Aaf Brandt Corstius doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
Tijdens de tweede vraag moet ik denken aan het Boekenweekessay Hèhè van Paulien Cornelisse, dat ik net heb gelezen. Het essay gaat over modale partikels, woordjes als ‘maar’, ‘even’, ‘misschien’, ‘nou’ en ‘toch’, die Nederlanders volgens haar gebruiken om de taal gezelliger of juist eerlijker te maken. (Want Nederlanders, schrijft ze, houden van gezelligheid, maar ook van bloedeerlijk dingen zeggen.) Zinnen kunnen door toevoeging van een of meer van die modale partikels anders van sfeer worden. ‘Geef die vork hier’ klinkt heel anders dan ‘Geef die vork maar even hier’.
Ik heb het opgezocht, en ‘een beetje’ behoort niet tot de modale partikels, maar toch maakt de term dit vragenuur net wat gezelliger. Inez van Dijk (CDA) stapt naar de interruptiemicrofoon tijdens vragen over het UWV, en zegt dat ze ‘een motie heeft die al een paar weken in haar zak brandt’. ‘Hij is een beetje populistisch’, zegt ze er zelf bij.
‘Een beetje populistisch’ vind ik zelf een leuke uitspraak. Ten eerste is het eerlijk om toe te geven dat je populistisch bezig bent, en om het gezellig te houden, wat in Nederland dus belangrijk is, voeg je ‘een beetje’ toe. Het is net als ‘een beetje verliefd’: dat klinkt minder overweldigend dan ‘Ik ben verliefd’, al vraag ik me af of een beetje verliefd en een beetje populistisch eigenlijk wel bestaan.
Enfin, die béétje populistische motie van Van Dijk gaat over een onderzoek naar het UWV, waar keer op keer fouten worden gemaakt met de WIA, de uitkering voor arbeidsongeschikten. De gerechtigden krijgen te weinig, of teveel, in ieder geval gaat er van alles mis, en daar maakt het UWV al jaren te weinig melding van.
Mariëtte Patijn (GL/PvdA) heeft er vragen over, waarop de verantwoordelijke minister, Eddy van Hijum (NSC) uiteraard met uitspraken als ‘onderste steen boven’ komt.
Patijn neemt er geen genoegen mee: zij wil weten of de minister uit een onderzoek uit 2020-2021 al wist dat er fouten waren gemaakt. De minister draait om het antwoord heen, lijkt het. Patijn dringt aan: ‘Hoor ik nou goed: wij wisten al van dat onderzoek, maar maakten er geen actieve melding van?’ De minister: ‘Dat gevoel is er denk ik op dat moment niet geweest.’
Zo gaat het heen en weer, tussen Patijn die wil weten of de minister al langer wist van de fouten, en Van Hijum die dingen zegt als ‘Die vragen stel ik natuurlijk ook.’ Patijn concludeert: ‘Ik hoor echt een heleboel woorden.’
Dan een kledingupdate, want toen ik vorige week een bundeling van deze stukjes presenteerde, wilde een lezeres weten of ik bij het observeren van Kamerleden ook let op hun kleding. Zeker, en ik zal daar vaker melding van maken.
Het opmerkelijke is dat er vaak een bepaalde kleur in de lucht lijkt te hangen, waar dan veel Kamerleden tegelijkertijd in gekleed zijn. Deze dinsdag zie ik veel rozerood in al zijn schakeringen.
Esmah Lahlah (GL/PvdA) draagt een roze bloes met iets donkerder roze hoofddoek, Merlien Welzijn (NSC) heeft een fuchsia jasje aan, Faith Bruyning (NSC) een rozige bloes, Claudia van Zanten (BBB) een bordeauxrode jurk. Van de mannen heeft alleen Willem Boutkan (PVV) de memo gekregen: hij draagt een vaalrood jasje. Ik moet er wel bij vermelden dat hij dat jasje vaak draagt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant