Hongarije verbiedt de Pride, Orbán noemt zijn tegenstanders en critici ‘bedwantsen’ die vragen om een ‘voorjaarsschoonmaak’. De Hongaarse regering radicaliseert in rap tempo, met belangrijke verkiezingen in aantocht – en nu kritiek uit de Verenigde Staten is verstomd.
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
Een verbod op de Pride in Hongarije – die dit jaar op 28 juni zou moeten plaatsvinden – hing al langer in de lucht. Orbán en zijn kabinetsleden hintten er afgelopen weken duidelijk op. Zo zei de premier dat de organisatie van de Pride dit jaar beter geen moeite in de voorbereidingen kon steken.
Een wetswijziging deed dinsdag de rest, in een parlement waar Orbáns partij Fidesz tweederde van de zetels heeft. In wettelijke termen is het recht op demonstratie, een grondrecht, in Hongarije nu ondergeschikt gemaakt aan de zogenoemde ‘kinderbeschermingswet’: het verbod op het tonen van ‘lhbti-propaganda’ aan minderjarigen.
In de praktijk betekent dit dat elke demonstrant met een regenboogvlag, in de meest extreme interpretatie van de wet, aangeschoten wild is. Deelnemers aan dergelijke demonstraties kunnen een boete van omgerekend 500 euro krijgen. Ook mag de politie gezichtsherkenningssoftware inzetten om hun identiteit te achterhalen.
Het wetsvoorstel is verstrekkend. Voor Orbán zijn lhbti’ers al jaren een politieke zondebok. Maar deze stap staat ook voor een radicalisering in de Hongaarse politiek, die in versneld tempo voortgaat nu de verkiezingscampagne voor 2026 is begonnen – en sinds Donald Trump president van de Verenigde Staten is.
Op 15 maart, een nationale feestdag waarop de Hongaren hun vrijheidsstrijd tegen de Habsburgers in de 19de eeuw herdenken, sprak Orbán aldus een menigte toe in Boedapest: ‘De stinkwantsen hebben de winter overleefd. We ontmantelen het financiële apparaat dat corrupte dollars gebruikte om politici, rechters, journalisten, nep-ngo’s en politieke activisten te kopen. We laten het gehele schaduwleger op de vlucht slaan. (…) Ze zijn hier te lang geweest. Ze hebben te veel overleefd.’
Hij riep op tot een ‘voorjaarsschoonmaak voor Pasen’.
Deze retoriek is ook voor Orbán nieuw, zegt Zsuzsanna Végh, die onderzoek doet naar Hongarije voor de in Berlijn gevestigde denktank GMF. ‘Zulke ontmenselijkende taal gebruikte hij niet eerder – voorheen noemde hij andersdenkenden bijvoorbeeld vijanden van de natie.’
Oplettende Hongaarse critici merkten op dat Ferenc Szálasi, leider van de fascistische Pijlkruizersbeweging, in de jaren veertig dezelfde woorden gebruikte als hij over Joden sprak.
De radicale taal en het verbod op de Pride, volgens Végh ‘buitengewoon ondemocratisch en een inperking van het recht op vereniging en de vrijheid van meningsuiting’, zijn niet los te zien van de parlementsverkiezingen die in het voorjaar van 2026 plaatsvinden.
Orbán wordt geconfronteerd met een nieuwe uitdager, de conservatief Péter Magyar, die met zijn partij Tisza regeringspartij Fidesz voorbijstreeft in de peilingen. Terwijl Orbán oreerde over ongedierte, kreeg Magyar elders in de hoofdstad tienduizenden Hongaren op de been om tegen de regering te demonstreren. Ook zit de Hongaarse economie in het slop.
Végh ziet een ‘samenballing’ van de ‘aanval op media, ngo’s en rechters’ en het aanwakkeren van de ‘cultuuroorlog’. Orbán maakt zo het electoraat van extreemrechts het hof, in Hongarije vertegenwoordigd door de partij Mi Hazánk (Ons Vaderland).
Ook de internationale context is veranderd sinds Trump president van de Verenigde Staten is. Kon Orbán vroeger nog op diplomatieke druk en felle kritiek uit het Witte Huis rekenen, nu is het tegengas verdwenen.
Overigens is de relatie tussen de twee ideologische bondgenoten niet altijd rooskleurig – zo zijn er meningsverschillen over Rusland en China, zegt Végh. ‘Maar Orbán ziet een kans om oppositie in elke vorm te onderdrukken, nu de gelegenheid zich voordoet.’ Dat verklaart ook de snelheid waarmee het nu gebeurt.
Op de achtergrond speelt een andere connectie met de Amerikanen. De Hongaarse regering maakt handig gebruik van Musks overheidsorgaan Doge, dat de federale overheid ontmantelt en daarbij ook USAID volgens de techoligarch ‘door de shredder haalde’.
Dit maakt in de ogen van Boedapest alle organisaties verdacht die in de afgelopen jaren steun ontvingen vanuit Washington – waaronder ngo’s, denktanks en onafhankelijke media.
Orbán noemde de ontvangers van USAID ‘agenten’. Er zijn reeds intimiderende lijsten opgesteld en gepubliceerd, een parlementariër van Fidesz reisde naar de VS om daar meer te ‘achterhalen’.
Of dit gevolgen heeft voor de ‘voorjaarsschoonmaak’ van Orbán, is nog niet helder. Wel is duidelijk dat Orbán, na vijftien jaar aan de macht, voor het eerst echt wordt uitgedaagd door een politieke tegenbeweging. En dat hij opnieuw de bakens verzet. In Washington blijft het voor hem nu comfortabel stil.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant