Als je de diagnose dementie krijgt – dit overkomt een op de vijf – móét je van D66 binnen drie maanden een gesprek met een arts voeren over de vraag of je wilt worden gedood, wanneer en onder welke omstandigheden. ‘We willen dat dit gesprek een verplichtend karakter krijgt’, aldus D66-Kamerlid Wieke Paulusma. ‘Om ervoor te zorgen dat deze groep zijn waardigheid behoudt.’
Veel komt hierin samen. De illusie van totale maakbaarheid allereerst. Het probleem waar D66 iets aan wil doen, is reëel: hoe beoordeel je de wilsbekwaamheid van iemand met een hersenziekte? Maar natuurlijk kun je met zo’n verplicht gesprek niet ‘onduidelijkheid of schuldgevoelens voorkomen’, zoals Paulusma beweert. Iemand met dementie die niet meer wil leven, heeft dan mogelijk meer om op terug te vallen. Maar wat als iemand aangeeft juist geen afscheid te willen nemen, als iemand ambivalent is, wisselende gevoelens heeft? Dan is het toch niet ‘eens getekend blijft getekend’?
Over de auteur
Kustaw Bessems is columnist van de Volkskrant en werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het gebrek aan prudentie valt op. Er wordt geen rekening mee gehouden dat iemand meer tijd nodig heeft om het nieuws te verwerken. Of totaal anders met de ziekte wil omgaan, bijvoorbeeld door het er zo min mogelijk over te hebben. Wat legitiem is. Er is niet één perfecte manier om dement te zijn.
En de enorme inbreuk van de staat in het persoonlijke leven springt in het oog. Van een zelfbeschikkingsrecht maakt D66 iets dat met dwang als nadrukkelijke optie onder je neus wordt geduwd. Een onmiskenbaar signaal dat het leven van iemand met dementie minder waard is. Terwijl net eindelijk het besef begint door te dringen dat demente ouderen meer zijn dan ellendige kasplantjes voor op de gesloten afdeling. Dat het mensen zijn die dingen willen, die kunnen genieten.
Je hoort vaak dat de dood een taboe is, maar ik heb nog nooit een taboe gezien waar zo veel over wordt gesproken. Er zijn talloze tv-programma’s, cabaret, krantenrubrieken. BN’ers met een publicitaire aanloop naar hun hiernamaals zijn een heel genre. En we hebben een Sire-campagne achter de rug.
Ooit was de mediacode om niet specifiek en zeker niet romantiserend te berichten over methoden voor zelfdoding. Nu mag een euthanasie-arts in een krant leeglopen over ‘de mooiste middelen’ en hoe je ‘leuk kunt gaan’: ‘Sterven is gewoon in slaap vallen.’ Alexander Rinnooy Kan, ook D66, deed al de suggestie om behandelingen te weigeren en zo te voorkomen dat je je omgeving tot last bent. ‘De kwaliteit van interactie met de omgeving maximaliseren’, noemt hij dat. Hoogleraar passende zorg Tijn Kool wijst ons erop dat zorg ‘een wissel trekt op het klimaat’ en dat het dus beter voor de aarde is wanneer je je niet laat behandelen. Zijn collega Johan Mackenbach vroeg: ‘Moeten we inzetten op levensverlenging, wanneer ecologische ruimte schaars is, en ieder extra levensjaar de ruimte voor volgende generaties beperkt?’
Dat het taboe geslecht is, betekent niet dat alles goed gaat. Er zijn nog steeds verhalen van mensen die euthanasie nodig hebben en die niet krijgen en dat is de hel. Dat een arts die mogelijk onzorgvuldig is geweest bij euthanasie in het strafrecht terechtkomt in plaats van in het medisch tuchtrecht, lijkt iets om te repareren. Maar meerdere dingen kunnen tegelijk aan de hand zijn: dat euthanasie soms nog te moeilijk is, dat je nooit alle situaties tot in de puntjes kunt regelen én dat het dorhoutdenken doorslaat.
Ans Mulders, specialist ouderengeneeskunde, vertelde terugblikkend op de coronatijd in deze krant hoeveel last ze van die destijds gemunte term had gehad: ‘De gedachte dat onze bewoners, ook zij die nog lang niet klaar waren met het leven, wel dood mochten. Hoe is het toch mogelijk deze groep zo te ontmenselijken?’
De meesten zeggen het niet zo bot, maar sinds de pandemie is het een geaccepteerde gedachte: we laten mensen wel érg oud worden, dat mag ietsje minder. Het is de school van de populaire filosoof Marli Huijer. Hoogopgeleid en welvarend zijn de herauten van de vroege, ordentelijke dood, gewend alles in het leven naar hun hand te zetten. En hoogst ongemakkelijk valt hun roep samen met de verwachting dat vergrijzing de zorg onbetaalbaar gaat maken. Ze zwijgen over stekelige feiten, zoals het gegeven dat van iemand met een praktische opleiding en een laag inkomen de ziekte gemiddeld al later wordt vastgesteld en behandeling al minder vaak wordt gegeven.
Over het hoofd wordt ook gezien, zoals hoogleraar ouderengeneeskunde Cees Hertogh zegt, ‘dat wat nu onverdraaglijk lijkt dat later niet meer hoeft te zijn’. Oftewel, je wéét van tevoren niet altijd wat je later in je leven zult willen.
Dus misschien is een groter taboe dan de dood wel dit: een toekomstige samenleving die overvloedig wordt bevolkt door krakkemikkige, verwarde ouderen met onsmakelijke kwalen die op weg zijn naar ‘onwaardige’ levenseindes. En misschien maken we onszelf daar banger voor dan nodig. Uit onderzoek onder leiding van oud-hoogleraar ouderengeneeskunde Rudi Westendorp blijkt dat ‘de rafelrand van het leven, die periode dat je afhankelijk bent van anderen, korter wordt’. Hij wijst op het enorme potentieel van fitte ouderen die kunnen helpen zorgen voor die aftakelende ouderen. Een hoopgevend en ontroerend beeld.
Dus bied vooral zo’n gesprek met de huisarts aan, maar vrijwillig, zonder oordeel en geheel open. Heb het niet meteen over de dood, maar eerst over wat iemand van het leven wil.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant