Home

‘We hebben het lezen opgezadeld met een verantwoordelijkheid die dat arme lezen helemaal niet aan kan’

Om de wereld te begrijpen moet je goed kunnen lezen, luidt al jaren de boodschap van boekenbranche en overheid. Maar volgens wetenschapshistoricus Wijnand Mijnhardt is dat een treurig misverstand.

is chef Boeken bij de Volkskrant.

Dit wordt een beetje een atypisch stuk. Zo heeft de man die in deze laatste Boeken & Wetenschap aan het woord komt een boek geschreven dat over twee weken verschijnt, maar gaat het gesprek daar in het geheel niet over. Waar het wel over gaat, is kennisoverdracht en vooral: de rol van boeken daarin, een relevant onderwerp nu de Boekenweek is begonnen, de jaarlijkse campagne waarin Nederland met cadeaus en stimulerende woorden tot lezen wordt gemaand – voor de negentigste keer alweer.

Dat de boekenbranche dat doet, is begrijpelijk, zonder lezers geen handel, maar ook de overheid steekt geld in leesbevordering en daarmee kan ze volgens de geïnterviewde maar beter stoppen – straks zullen woorden vallen als ‘grote flauwekul’ en ‘grof schandaal’. Toch is hij geen boekhatende proleet, integendeel: grotere boekenliefhebbers dan Wijnand Mijnhardt (74) zijn moeilijk te vinden.

De emeritus hoogleraar wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht zit in een gerieflijke fauteuil op de eerste verdieping van zijn 15de-eeuwse woning in Culemborg, waar ooit allerlei machtige vertegenwoordigers van het Bourgondische Rijk doorheen wandelden en die het vertrekpunt is van zijn nieuwe boek Het verdriet van Elisabeth van Culemborg. Hij is omringd door boeken: ze liggen op de grond, op zijn bureau, op het tafeltje naast de thee en op de vele planken die de muren van zijn werkkamer bekleden.

De ernaast gelegen werkkamer van zijn echtgenote, historica Nannie Wiegman, is eveneens van vloer tot plafond gevuld met boeken. Beneden is een bibliotheek (vier wanden vol boeken), daarnaast een zitkamer (één wand vol boeken), en op zolder staan een kleine tienduizend boeken waarvan Mijnhardt na zijn pensioen vaststelde dat hij er ‘niks meer mee ging doen’ en die Wiegman en hij nu via boekwinkeltjes.nl te koop aanbieden – van de opbrengst kopen ze weer nieuwe.

Anacharsis, heet hun antiquariaat. ‘Naar Anacharsis Cloots, mijn meest geliefde revolutionair uit de Franse periode’, zegt Mijnhardt. ‘Hij was een Pruis die naar Parijs vertrok en daar niet alleen ging schrijven, maar ook leuke onverwachte dingen deed, zoals het organiseren van races voor rijtuigen over de boulevards. Op 19 juni 1790 werd in de Nationale Vergadering gedebatteerd over de gelijkheid van de mens. Anacharsis stormde daar binnen met in zijn kielzog een verzameling mensen van allerlei rassen en volkeren – zwarten, Aziaten, Joden, indianen – en schreeuwde: ook dit zijn burgers! Fantastische man. Ik had veel werk van en over hem verzameld, want ik dacht altijd: als ik met pensioen ben, ga ik een boek over hem schrijven. Maar dat gaat er niet meer van komen, dus dat werk heb ik verkocht.’

Waarom gaat het er niet meer van komen?

‘Mijn gezondheid laat te wensen over en in de tijd die ik nog heb, wil ik andere boeken schrijven. Ik ben al een tijdje bezig met een boek over Jean Frédéric Bernard en zijn schoonzoon Marc-Michel Rey, uitgevers annex boekverkopers die in de 18de eeuw in Amsterdam werkten en daar het werk van Verlichtingsdenkers als Rousseau en Voltaire drukten, dat in Frankrijk verboden was.

‘En verder wil ik, als ik het leven heb, de geschiedenis schrijven van mijn grootvader, de wagenfabrikant Mijnhardt uit Arnhem. Zijn broer Andries is bekend van de zepen en zalven, je kent de blikjes Purol wel – die werden door zijn fabriek gemaakt – maar mijn grootvader bouwde carrosserieën. Ze waren zonen van een dronken kuiper uit de Betuwe, die zich in de late 19de eeuw opwerkten in het industriële Nederland. Het bedrijf van mijn grootvader ging failliet in 1926, toen kwamen de Amerikanen met kant-en-klare auto’s en viel de grondslag van zijn bedrijf weg.’

De liefde voor boeken heeft Mijnhardt van zijn vader. ‘Toen mijn grootvader failliet ging, was mijn vader een jochie van 11. Na de mulo is hij gaan werken en in de avonduren leerde hij bij, om uiteindelijk belastinginspecteur te worden. Hij was dol op boeken en probeerde die belangstelling op zijn kinderen over te dragen, wat niet bij allemaal even goed is gelukt – mijn overleden broer heeft in zijn hele leven denk ik drie boeken gelezen. Mijn moeder las ook niet.’

Hoeveel boeken zijn vrouw en hij bezitten, weet hij niet. ‘We hebben een paar keer een poging gedaan ze te tellen, maar halverwege verloren we de moed. Ik heb ook weleens aan mijn kleinkinderen gevraagd te gaan tellen – na afloop krijg je van opa een boek, zei ik dan. Halverwege de rit hielden ze ermee op. Ik schat dat het er tussen de dertig- en veertigduizend zijn.’

Wat staat er zoal in?

‘70 procent is vakliteratuur, in de ruimste zin des woords; ik beschouw dan allerhande filosofisch werk ook als zodanig. De overige 30 procent zijn romans en alles daaromheen. In december ben ik een tijdje met Dokter Zjivago van Boris Pasternak bezig geweest, Nannie en ik hadden de film weer eens gezien en toen wilde ik ook wat meer over de context lezen, dus heb ik een paar boeken besteld.

Dokter Zjivago was lang verboden in Rusland, de Russen waren vooral dol op Pasternaks poëzie. Zelf heb ik helaas geen orgaan voor gedichten. Ik was redelijk goed bevriend met de onlangs overleden dichteres Esther Jansma. Ze was mijn gids op het gebied van de dendrochronologie, haar echte vak, en heeft de ouderdom van ons huis bepaald. Haar werk vond ik mooi, maar eigenlijk heb ik van poëzie geen verstand.’

Waar Mijnhardt wel verstand van heeft, is de overdracht van kennis, bepalend voor de manier waarop mensen naar de wereld kijken. Hij is gefascineerd door de vraag hoe denkbeelden en ideeën van wetenschappers terechtkomen bij ‘de man in de straat’ – de meerderheid van de bevolking dus. In 2007 richtte hij aan de Universiteit Utrecht het Descartes Centrum op, waar nog altijd de grondslagen van de wetenschapsbeoefening en de verspreiding van de resultaten daarvan worden bestudeerd en bediscussieerd.

Boeken zijn in die kennisoverdracht heel belangrijk. Dat zijn ze niet altijd geweest, óók niet meteen na de uitvinding van de boekdrukkunst, halverwege de 15de eeuw, zegt Mijnhardt. ‘De boekdrukkunst had in eerste instantie vooral gevolgen voor de circulatie van specialistische kennis onder geleerden. En ze speelde natuurlijk een grote rol in religieus opzicht – mensen gingen zelf de Bijbel lezen, met alle gevolgen van dien. Maar bij de kennisoverdracht in bredere zin stond het boek niet centraal.’ Dat veranderde in de 18de eeuw, de tijd van de Verlichting, een periode die Mijnhardt zo’n beetje zijn hele werkzame leven heeft bestudeerd.

Wat maakt de 18de eeuw zo interessant?

‘Dat er voor het eerst ruimte werd gecreëerd, niet meteen in de praktijk maar wel in de theorie, voor een vrijheid van denken. Dat is iets wat mij tot de dag van vandaag blijft fascineren. Het klassieke voltairiaanse standpunt: het kan me niet schelen wat je vindt, maar iedereen moet de ruimte hebben zijn onzin te verkopen.

‘Als je kijkt hoe denkbeelden in die tijd bij de mensen terechtkwamen – dus niet zozeer bij een handjevol intellectuelen in een of andere Parijse salon, maar bij de gewone man – dan is het antwoord: via boeken. En daar komen uitgevers en boekhandelaren als Jean Frédéric Bernard en Marc-Michel Rey in beeld. Het is geen toeval dat zij zich in Amsterdam vestigden. De relatief tolerante Nederlandse Republiek heeft weliswaar zelf niet zo veel iconische wijsgeren voortgebracht, maar de verbeelding had er vrij baan en het werk van verlichte denkers kon er op schrift worden gesteld.

‘Bernard en Rey vonden dat alle boeken en tijdschriften gedrukt en geconsumeerd moesten kunnen worden; ieder mens moest van alle standpunten kennis kunnen nemen. Zíj zorgden ervoor dat de denkbeelden van Rousseau, Diderot en noem ze allemaal maar op verspreid konden worden.’ Plechtig: ‘De Franse Verlichting, of liever gezegd: de Europese Verlichting, is in Nederland geproduceerd.’

Niet alleen had ons land uitgevers en boekverkopers als Rey en Bernard, ook werd hier de eerste en volgens Mijnhardt beste grondwet ooit ontwikkeld: de Staatsregeling van 1798. ‘Nederlandse historici hebben het altijd over de grondwet van 1848, maar in 1798 hadden we hier de Bataafse Republiek, een moderne democratie zonder Oranjes, waarin veel belang werd gehecht aan de soevereiniteit van het volk. De Bataafse Republiek schiep de Staatsregeling. Die Staatsregeling introduceerde niet alleen fundamentele rechten als het recht op werk en gezondheid, maar ook op onderwijs: elke burger moest kunnen lezen, schrijven en rekenen.’

Was dat iets exclusief Nederlands?

‘Nee, maar de kracht waarmee dat grondrecht vervolgens in de gewone wetgeving werd herhaald wel, en de motivatie eronder ook. De Nederlandse Bataafse Revolutie heeft een andere ontstaansgeschiedenis dan de Franse Revolutie van 1789. Frankrijk had een standenmaatschappij, wij hadden een burgerlijke maatschappij.

‘In de loop van de 18de eeuw ontstond hier een wat ik zou willen noemen ontwikkeldencultuur. Die hebben we nog steeds, daar horen jij en ik bij; we vormen niet de toplaag, we zijn gewoon ontwikkelden. Aanvankelijk werd die groep gevormd door slechts een paar procent van de bevolking. 2, misschien 3 procent van de inwoners van de Republiek kocht boeken. Het percentage lezers was wel wat groter, maar niet veel.

‘Onderdeel van die ontwikkeldencultuur was de gedachte dat mensen, om volwaardige burgers te kunnen worden, a) moesten leren lezen en schrijven en b) lid moesten worden van een genootschap of een vereniging. Want dáárin kon je de dingen bespreken die je had gelezen. In clubverband leerden mensen tolerant te zijn, te accepteren dat er andere denkbeelden bestonden dan de hunne: ze leerden er burger te worden. Leesvaardigheid en sociabiliteit – het kunnen leven in groepen – waren de twee fundamentele grondslagen onder de burgersamenleving.’

Aan het einde van de 18de eeuw, Nederland telde twee miljoen inwoners, kon ongeveer twee derde van de volwassenen lezen en schrijven (in elk geval een beetje). In 2025 zijn er bijna 18 miljoen inwoners en heeft nog altijd een op de vijf volwassenen moeite met lezen en schrijven, en trouwens ook met rekenen. Met de leesvaardigheid van jongeren gaat het bergafwaarts; bij een derde van de 15-jarigen schiet die inmiddels tekort.

Mijnhardt: ‘Er is de afgelopen twee eeuwen enorm veel geld gestoken in het bevorderen van de leesvaardigheid. En het is verbijsterend hoe weinig resultaat dat heeft gehad. Al die campagnes hebben geen sodemieter geholpen.’

Nou ja, wel iets dus.

‘Maar hoeveel mensen lezen nu echt geregeld een boek, dus niet heel af en toe? Dat zal hooguit de helft van de Nederlanders zijn, waarschijnlijk minder.’

Ongeveer een derde van de Nederlanders zegt zich geen leven zonder boeken te kunnen voorstellen. Eveneens ongeveer een derde leest weinig of helemaal geen boeken.

‘Precies. De conclusie is dat het boek in de verste verte niet is gekomen waar de verlichte burger rond 1800 het had verwacht. Op de vraag naar de oorzaken van het beperkte effect van ruim twee eeuwen offensief volgt steevast het antwoord dat dat offensief kennelijk niet krachtig genoeg is geweest. Daarop is het hele overheidshandelen gebaseerd: we hebben niet genoeg gedaan, we moeten meer doen! Dus gaan we voort op de ingeslagen weg, huren we een pseudoprinses in om kinderen voor te lezen en verzinnen we nog maar eens een campagne. En dat is dus grote flauwekul.

‘Het punt is dat we de oorzaken van het geringe effect van al die lezersoffensieven in een totaal verkeerde richting zoeken. Naar mijn mening moeten we op een heel andere manier naar het probleem kijken, en om te beginnen accepteren dat leesvaardigheid in een samenleving een soort van natuurlijke bovengrens kent. Hooguit 50 procent van de mensen is in staat werkelijk leesvaardig te worden, dus lange en ingewikkelde teksten te begrijpen, en dan kun je twisten over een procentje meer of minder. Maar dat accepteren we niet. Want we vinden lezen zo belangrijk. Maar waarom eigenlijk?’

Nou?

‘Omdat we lezen nog steeds beschouwen als grondslag van de kennisoverdracht. Die misvatting danken we aan de burger van de 18de eeuw. Geen kwaad woord over die burger, maar hij heeft ons wél opgezadeld met een ideologische fixatie op lezen waarop veel is af te dingen. Ik denk dat het hoog tijd is de grondslag van de kennisoverdracht aanzienlijk te verbreden.

‘Heel lang verliep kennisoverdracht mondeling en met behulp van aanschouwelijk onderricht. Voor een deel gebeurt dat natuurlijk nog: Nederland behoort tot de economisch en sociaal meest succesvolle naties van de wereld, klaarblijkelijk is dat mogelijk met de beperkte leesvaardigheidscijfers waar we het net over hadden.

‘Voor een groot deel zijn de orale en beeldtradities naar de achtergrond verdwenen door het belang dat we aan lezen zijn gaan stellen. Maar met boeken bereik je maar een deel van de mensen en dat zal altijd zo blijven, hoeveel campagnes je er ook tegenaan gooit.’

Erger: de nadruk op lezen als belangrijkste middel voor kennisoverdracht heeft een negatief bijeffect, namelijk dat hij niet-lezers in een verdomhoekje duwt.

‘Het enige gevolg van dat voortdurende gedram over lezen is dat al die jongens en meisjes die daar niks mee hebben, zich nog minder gezien en gehoord voelen. Ze voelen zich onzeker omdat ze de naam Schopenhauer niet kennen en hem al helemaal niet kunnen lezen – maar waarom zouden ze dat in godsnaam moeten?

‘Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen literatuur: lezen maakt de mens vrolijker en wijzer, net als muziek of theater, en er mag best meer geld naartoe. Maar niet op de dwangmatige manier die je nu ziet, waar vanuit de branche trouwens vooral een economische motivering achter zit, en vanuit de overheid de onjuiste aanname dat je via leesbevordering mensen tot politiek rijpe burgers kan maken. Die aanname is gebaseerd op de 18de-eeuwse idee dat als we allemaal maar goed kunnen lezen, we ons als volwaardig burger zullen gedragen. Het is tijd dat we erkennen dat dit een mythe is.’

Tot wanneer werkte het wel?

‘Het werkte nooit voor iederéén, maar tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen, dankzij alle scholingsmogelijkheden, nog allerlei jongens en meisjes naar boven drijven die maatschappelijk wat bij te dragen hadden. Veel van mijn generatiegenoten zijn daar prototypen van: we komen uit eenvoudige families, hebben kunnen doorleren en zijn keurig terechtgekomen. Dat had deels te maken met de leescultuur, maar niet alleen: de samenleving was nog verzuild, iedereen zat in clubjes. Die twee pijlers, lezen en sociabiliteit, waren er nog.’

De laatste jaren wordt van verschillende kanten gepleit voor een andere kijk op praktisch onderwijs, recentelijk nog door Karim Amghar in zijn boek Maar dat begrijp jij toch niet. Al in 2008 hield socioloog Richard Sennett in De ambachtsman een pleidooi voor herwaardering van vakmanschap.

‘Daar had hij een punt, net als Robbert Dijkgraaf, die als minister van Onderwijs zijn best deed het ambachtelijk onderwijs weer een beetje te stutten. Jarenlang hebben we de klassieke kennisoverdracht, via het gesproken woord en beeld, afgedaan als iets ouderwets, als een rem op de vooruitgang. Dat is een grof schandaal. Maar ik geloof niet dat je de problemen die voortvloeien uit de gebrekkige taligheid oplost door nu alle loodgieters op een voetstuk te zetten. Dat gaat niet werken.’

Dijkgraaf legde geen link met lezen.

‘Nee, want hij keek niet naar de oorzaak. En de oorzaak is dat we beschaving, burgerschap en politiek allemaal hebben opgehangen aan de leescultuur. Daarmee hebben we het lezen opgezadeld met een verantwoordelijkheid die dat arme lezen helemaal niet aankan. We denken: als je maar kunt lezen, ben je klaar als burger. Dat is een groot misverstand, we zijn helemaal niet gevrijwaard van onzin als we kunnen lezen.’

Intussen zijn de meeste mensen het alfabet wel zo’n beetje machtig en wordt taal online volop ingezet als wapen om hen te beïnvloeden, en bijvoorbeeld verkiezingen te manipuleren.

‘Voor goed burgerschap is meer nodig dan leesvaardigheid. Hoe zorgen we ervoor dat mensen elkaar onderling weer trainen in tolerant zijn, in weten dat je niet alles overal kunt zeggen, en dus ook niet alles op internet moet gooien?’

Zeg het maar.

‘Ik wou dat ik het wist. Ik zou er wel een prijsvraag over willen uitschrijven, want het stemt me wanhopig. Voor een deel van de kennisoverdracht kan internet een oplossing zijn. Als mijn kinderen en kleinkinderen willen weten hoe iets werkt, pakken ze geen boek maar zoeken ze een YouTube-filmpje op. Maar het echte probleem van deze tijd is de sociabiliteit, die tweede pijler. We leven al een hele tijd in het ik-tijdperk, zoals Robert Putnam fantastisch beschrijft in Bowling Alone, we ontmoeten elkaar niet meer in clubjes. De standaard trainingsschool is weg.’

Het debat vindt óók op internet plaats; op sociale media zoeken mensen gelijkgestemden of juist vijanden en debatteren ze erop los.

‘Maar sociale media zijn geen waardige vervanger voor de verenigingen, genootschappen en clubjes van vroeger, eerder het tegenovergestelde, want het is er een puinhoop, ze hebben een volslagen polariserende werking; er worden leugens verspreid, mensen worden tegen elkaar opgezet.’

Hoe gevaarlijk is het dat de moderne podia van kennisoverdracht in handen zijn van een klein groepje techmiljardairs?

‘Vreselijk gevaarlijk. Ik kan dat het gemakkelijkst met een 18de-eeuws argument onderbouwen: het maakt de variëteit in argumentaties dood. Mensen kiezen een handjevol bronnen of een goeroe die ze vinden op TikTok of X en baseren daar hun wereldbeeld op. Er zijn maar weinig mensen die het leuk vinden buiten de eigen bubbel te kijken, de meeste hebben helemaal geen zin in andere geluiden. Maar zo zou kennis niet moeten werken. Bovendien: wie garandeert dat de feiten kloppen? Hoe moet ik vaststellen dat iets totale lulkoek is?

‘Sociale media kunnen niet zonder goed factchecking-systeem. Dat móét er absoluut zijn. Als Elon Musk en Mark Zuckerberg zeggen dat dat niet nodig is, doen ze aan gruwelijke overschatting van de mens. Als iemand beweert dat Hitler in de 17de eeuw is geboren, of dat de Holocaust nooit heeft plaatsgevonden, weet ík toevallig dat die uitspraken niet kloppen, maar veel mensen hebben geen idee.’

JD Vance noemt de strijd tegen desinformatie censuur.

‘Dat is echt onzin. De werkelijkheid is pluriform en er bestaan verschillende visies, maar je moet in elk geval proberen een onderscheid te maken tussen feiten en meningen. En als gebruiker moet je erop kunnen rekenen dat de feiten kloppen.’

Hoe verhoudt factchecking zich tot de boodschap van de Verlichting: alle mensen moeten ruimte hebben om hun onzin te verkopen?

‘De boodschap van de Verlichting was dat alle verstandige én alle idiote uitspraken bij iedereen terecht moeten kunnen komen. Maar je had een heel andere schaal van informatie dan nu. De hoeveelheid kennis die in de 18de eeuw verspreid moest worden nam weliswaar fors toe, maar het was nog te doen, mensen konden nog geloven dat ze het konden bijhouden; daar is het hele fenomeen van de encyclopedieën op gebaseerd, die toen werden gemaakt. Dat is nu volstrekt uitgesloten, het aantal bronnen is te groot geworden, de informatie te ingewikkeld.

‘Dus heb je een vorm van kanalisatie nodig, een manier waarop al die informatie goed wordt geordend. Mijn favoriete krant is de Neue Zürcher Zeitung. Daar geven ze bij nieuws eerst een overzicht van de feiten en daaronder zetten ze hun interpretatie, onder de kop: so ordnen wir es ein. Jullie doen dat niet, NRC evenmin, te vaak lees ik in nieuwsberichten wat ik geacht word van iets te vinden. EW Magazine is er onder de nieuwe hoofdredacteur Hella Hueck mee begonnen. Het is in elk geval iets. We moeten dringend alternatieven bedenken voor de vaardigheden die je nodig hebt om de burgerlijke samenleving van een nieuwe grondslag te voorzien. Terug blijven grijpen op recepten uit het verleden is dodelijk.’

Wie is Wijnand Mijnhardt?

Wijnand Mijnhardt (1950) is geboren in Amsterdam en opgegroeid in Hilversum. Tot 2019 was hij hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, waar hij in 2007 het Descartes Centrum voor wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie oprichtte. Tussen 2001 en 2005 was hij gasthoogleraar vroegmoderne intellectuele geschiedenis aan de University of California in Los Angeles.

Hij bekleedde tal van nevenfuncties (onder meer als voorzitter van het Nederlands Genootschap voor Achttiende-eeuwse Studies en als voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde) en schreef verschillende boeken, waaronder 1800 – Blauwdrukken voor een samenleving (samen met Joost Kloek) en The Book That Changed Europe – Picart and Bernard’s Religious Ceremonies of the World (met diverse Amerikaanse co-auteurs). Op 31 maart verschijnt bij Prometheus zijn nieuwe boek Het verdriet van Elisabeth van Culemborg – Bloei en ondergang van een adellijke dynastie, 1400-1555.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next