Op de WK afstanden in Noorwegen beleven de Noren weer een beetje de glorie van weleer. V keert terug naar de jaren waarin zij het schaatsen domineerden en Nederland zelfs moest spioneren om de hegemonie te doorbreken. Daarna ontstond een historische sportieve concurrentie én levenslange vriendschap.
is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Het Nederlandse mannenschaatsen hing er internationaal, na de wereldtitels van Jaap Eden en Coen de Koning in de oertijd, heel lang maar een beetje bij. Geschaatst werd er in de Scandinavische landen, vooral in Noorwegen, en de Sovjet-Unie: tussen 1906 en 1965 veroverde Nederland bij EK’s allround vier podiumplaatsen en bij WK’s vijf, waaronder één wereldtitel voor Henk van der Grift, in 1961.
Die zege was wel de aanzet tot een ommekeer in het denken: kennelijk konden onze jongens toch wel iets, als ze maar flink trainden en als er maar ijs was. In Amsterdam werd de Jaap Edenbaan geopend en langzaam ontstond er iets dat wel wat weg had van een topsportbeleid.
Het echte ontwaken van Nederland schaatsland voltrok zich in Deventer, in januari 1966. Het schaatsen daalde uit de Scandinavische kou af naar Nederland, en trof daar een dolenthousiaste menigte die als bij toverslag het hardrijden ontdekte.
Tussen 1965 en 1972 bepaalde de rivaliteit tussen Noren en Nederlanders het beeld van het mannenschaatsen. Het waren legendarische jaren, waaraan oudere liefhebbers met weemoed terugdenken.
De schaatsgeschiedenis van Nederland-Noorwegen in twaalf fragmenten.
Het EK schaatsen allround – destijds na het wereldkampioenschap het belangrijkste schaatstoernooi van het seizoen – vond in 1963 op 2 en 3 februari plaats in het Nya Ullevi in Göteborg, Zweden. Nederland, dat aantrad met de wereldkampioen allround van 1961 Henk van der Grift en de nummer drie van dat kampioenschap Rudie Liebrechts, presteerde matig. Om niet te zeggen beroerd. Rudie Liebrechts haalde als enige de laatste zestien. De Noor Nils Egil Aaness won, voor Johannesen, Moe en Thomassen, nog drie Noren.
Jonkheer Herman van Karnebeek, de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, wist na de eerste dag van het toernooi al hoe de vlag erbij hing: zonder drastische maatregelen stond een fiasco bij de komende Olympische Winterspelen in Innsbruck wel zo ongeveer vast.
Hij nodigde de voorzitter van de technische commissie van de schaatsbond, Adelbert Schouten, uit voor een pittig gesprek in een van de betere Göteborgse restaurants. ‘Adelbert’, vroeg Van Karnebeek al bij het aperitief, ‘wat mot hier van komme?’
Vier dagen later had Schouten zijn eerste memorandum op papier staan, ‘een leidraad voor een uit te stippelen beleid voor de toekomst’. Op 13 februari had de ijverige Schouten alweer een ‘persoonlijk en vertrouwelijk’ document gereed, waarin hij dieper in ging op de Noorse hegemonie in het schaatsen. Zijn advies luidde dat de Nederlanders via spionage achter het geheim van de Noorse successen moesten zien te komen. ‘Intervaltraining of iets anders? Dit moeten wij te weten komen.’
Het bestuur van de KNSB ging akkoord met stevige maatregelen.
Schouten zegde de toenmalige bondscoach Klaas Schenk de wacht aan, beëindigde het kernploeglidmaatschap van diverse schaatsers, benoemde de jonge Henk Lamberts tot coach en zorgde voor een verjonging van de selectie. Tot de nieuwelingen behoorden Kees Verkerk (20) en Ard Schenk (18), zoon van de ontslagen coach.
Aan hen de taak eindelijk de Noorse dominantie te breken.
Toen Ard Schenk in 1963 in de kernploeg kwam, waren er in Nederland twee kunstijsbanen, de Jaap Edenbaan in Amsterdam en de ijsbaan van Deventer. Schenk (80): ‘De Jaap Edenbaan had van dat hobbelige ijs, vooral wanneer het had gewaaid. En dus zorgden we ervoor voor de kerst in Scandinavië te zijn, want daar was ijs. Prima ijs ook. Vandaar dat wij veelal naar Hamar of Tønsberg in Noorwegen trokken, voor trainingskampen.’
Daarmee trad hij in de voetsporen van schaatsgeneraties voor hem, die onder leiding van zijn vader naar Hamar trokken om daar te trainen. Toen vormde de boerderij Fjetre, even buiten het stadje, de uitvalsbasis voor de Nederlanders.
Schenk en de zijnen verbleven in het Victoria Hotel, bij het station. Een vermaard hotel, waar Jaap Eden, in 1893 in Amsterdam de eerste wereldkampioen allround, ook al logeerde en de kamermeisjes lastig viel. Schenk: ‘Het vroor iedere nacht 20 graden, dus ieder gehucht in de omgeving had wel een ijsbaan waar ze wedstrijden organiseerden.’
De jonge Nederlander maakte voor het eerst kennis met een andere schaatscultuur. ‘Die ging veel dieper dan in Nederland. Er was veel kennis van het schaatsen.’ Noorwegen werd voor hem een ‘tweede vaderland’, waar hij zou uitgroeien tot minstens zo’n volksheld als in eigen land.
Het schaatsstadion Bislett in de Noorse hoofdstad Oslo werd geopend in 1922 en werd in de jaren daarna het heilige der heiligen van het internationale schaatsen. Elk schaatstoernooi dat in het meestal altijd uitverkochte Bislett werd gehouden had iets speciaals, schaatsers die er voor de eerste keer kwamen waren diep onder de indruk van de overweldigende sfeer.
Zoals Ard Schenk, die er in 1965 bij het WK allround debuteerde. Schenk: ‘Bislett was iets ongelooflijks. Je had daar de Store Stå, de grote overdekte staantribune, met duizenden mensen, die een storm van geluid produceerden. En het mooie was: als je het daar als buitenlander goed deed, kreeg je dezelfde ovaties als de Noren. Het Noorse publiek kwam voor de sport. Een rondje 34, dat was in die tijd vreselijk hard, dan stond de boel op z’n kop.’
Voormalig schaatsverslaggever Mart Smeets: ‘De eerste keer in Bislett had ik echt het gevoel dat ik het stadion der stadions binnenkwam. Klonken er trompetten, ging iedereen staan en deed iedereen de pet af: koning Olav kwam de ereloge binnen. Hij bekeek de startlijst, pakte een koninklijk potloodsetje en maakte zich gereed om de rondetijd te gaan bijhouden. Ge-wel-dig! Ik ben er later nog eens geweest met mijn vrouw. Ik heb daar een beetje rondgelopen, en ik was ontroerd. Ik heb er een paar van de mooiste momenten uit mijn sportbestaan meegemaakt. In Bislett ben ik gesneuveld voor het schaatsen.’
Nadat Smeets bij zijn debuut in Bislett, in 1975, Harm Kuipers had zien winnen, was hij opeens ook de trotse bezitter van een echte Noorse trui, een Dale of Norway, die hem later tot de beroemdste truidrager van het land zou maken.
In totaal werden aan de Oslose Louises Gate dertien wereld- en tien Europese kampioenschappen gehouden. Het gerenoveerde stadion wordt tegenwoordig vooral gebruikt als atletiekarena.
Bislett was in 1965 het passende decor voor de doorbraak van het supertalent Ard Schenk. Hij zorgde op 20-jarige leeftijd voor een sensatie door bij zijn debuut in het heilige der heiligen als derde te eindigen achter de even jonge Noor Per Ivar Moe en de Fin Jouko Launonen. Hij had best kunnen winnen, schreven de kritische schaatsjournalisten. Verslaggever Joop Voost van de Volkskrant wist genoeg: ‘Een groter rijder heeft Nederland nooit gehad.’
Ard Schenk is nu een jeugdige tachtiger die weinig last heeft van nostalgische gevoelens of heimwee naar vroeger. Hij zit nog elke dag op zijn mountainbike en rost door de bossen en duinen rond zijn woonplaats Bergen. Als hij terugdenkt aan zijn schaatsjaren is dat louter met plezier. ‘Een prachtige tijd.’
Het waren de jaren dat je nog topsporter kon zijn zonder in een dwangbuis van trainers, fysiologen en data-analisten te worden geperst.
‘Het was een romantische tijd.’ De Nederlandse schaatsers vormden een band of brothers met hun Noorse collega’s, met wie ze langs de schaatspistes van de wereld trokken. Het was kameraadschap, zegt Schenk. ‘Als je reed, werd je langs de kant aangemoedigd door een Noor, en andersom was dat ook zo. Wij konden heel goed opschieten met mannen als Bjørn Tveter, Roar Grønvold, Magne Thomassen.
‘We waren concurrenten op het ijs, maar daarnaast was er intensief contact. Kees ging ’s zomers naar Noorwegen, naar Per Willie Guttormsen, zijn grote vriend. Guttormsen en Fred Anton Maier kwamen bij ons thuis op de boerderij in Anna Paulowna. Wij vierden kerst bij Fred Anton thuis. Het was totaal anders dan nu. Minder zakelijk. Sport verbroederde. Je streed om de beste te zijn, daarna was het weer gezellig. Wij vonden het geen probleem om na gedane zaken Oslo in te gaan, om te zien of daar nog iets was te doen. En er was altijd wat te doen.
‘De romantiek is voor een belangrijk gedeelte verdwenen. De prestaties zijn sterk verbeterd, maar het plezier dat wij beleefden is er niet meer. Wij rommelden maar wat aan. Data bestonden niet, we hadden een multomap en daar stond je programma voor de week in.’
Waaraan Schenk zich vervolgens zelden hield: hij stond lang bekend als een luie topsporter.
Na zijn derde plaats bij het WK van 1965 kreeg Schenk de eervolle uitnodiging van de Noren om deel te nemen aan een strikt besloten evenement: de Skoyte Karusellen, een serie wedstrijden in kleine plaatsen in het hoge noorden van Noorwegen, soms zelfs binnen de poolcirkel. Het selecte gezelschap, voor deze keer uitgebreid met de nieuwe Hollandse ster, vertrok vanaf het Østbanestasjonen in Oslo met de nachttrein naar Mosjoen, 800 kilometer noordelijker.
Schenk kwam voor het eerst van zijn leven in oorden als Mo i Rana, Rognan, Bodø, Kirkenes, Harstad, Alta, Narvik, eenzame nederzettingen in een leeg, woest en desolaat landschap, waar het schaatspubliek zijn helden voor het eerst kon zien: de televisie had Finnmarken nog niet bereikt.
Na twee weken was Schenk ‘helemaal gesloopt’ – en niet alleen van de vierkampen die hij had gereden. De wedstrijden vormden het hart van ware volksfeesten om het naderende einde van de winter te vieren. De schaatsers waren de beroerdsten niet en vierden het feest opgetogen mee.
De organiserende ijsclubs zorgden voor copieuze maaltijden, er was drank en er was vertier. Het was rock-’n-roll op de permafrost. Bovendien verdiende de pure amateur Schenk in twee weken een modaal jaarsalaris én leerde hij zich heel behoorlijk redden in het Noors.
Het grote voordeel van de Nord Norge Tour: er waren geen bestuursleden van de internationale schaatsbond ISU en er waren geen journalisten. In 1966 gingen Kees Verkerk en Jan Bols, enthousiast gemaakt door Schenk, ook mee.
Op 10 maart van dat jaar trouwde kroonprinses Beatrix met Claus von Amsberg en daar mochten de volkshelden Schenk en Verkerk niet ontbreken. Met een speciaal regeringsvliegtuig werd het tweetal uit het noordelijke feestgedruis gehaald. In de Westerkerk trokken de helden het niet meer; tijdens het ja-woord van het bruidspaar lagen Schenk en Verkerk vredig te dromen.
Als er een datum is waarop het Nederlandse schaatsen de achterstand op de Noren definitief had goedgemaakt, een datum waarop de sport in Nederland volwassen werd en een grootse toekomst tegemoet ging, dan is het 22 en 23 januari 1966.
Nederland organiseerde voor het eerst sinds 1905 weer een groot internationaal schaatskampioenschap: het EK. Het toernooi in Deventer veranderde alles. Er zaten twee keer twintigduizend mensen in het nieuwe stadion en voor de buis keken vijf miljoen fans mee – het was het eerste live uitgezonden schaatskampioenschap.
Koningin Juliana was er, met een hofdame die de rondetijden moest noteren, en op de tribunes zaten dubieuze Russen – volgens mensen die het weten konden KGB-spionnen. Voor het eerst klonk de kreet ‘Heya Ard Schenk’ van de tribunes. Dat weekend werd de legende van ‘Ard & Keessie’ geboren en de liefde voor het schaatsen in de harten van miljoenen Nederlanders geplant.
Ard Schenk won, Kees Verkerk werd tweede. Verkerk viel op de 10 kilometer. Heel Nederland schrok zich te pletter toen Keessie even later nogmaals viel, op dezelfde plek ook nog. Er stond weliswaar ‘Replay’ boven in beeld, maar bijna niemand wist dat dat ‘herhaling’ betekende, want het was de eerste keer dat die techniek werd toegepast bij een sportwedstrijd.
Het EK van Deventer was het allerbelangrijkste schaatstoernooi dat ooit in Nederland werd gehouden – en zal dat altijd blijven.
Kees Verkerk werd datzelfde seizoen nog wereldkampioen in Göteborg en herhaalde die prestatie een jaar later in Bislett. Maar toen was het schaatsen al uitgegroeid tot een van de populairste sporten van het land en reisden duizenden Nederlanders naar Ullevi en Bislett, gehuld in Oranje en vervuld van beerenburg.
Schaatsen begon iets meer op een gewone sport te lijken, toen Jan Bols tijdens het EK van 1971 in Heerenveen zijn duel met de Noor Dag Fornaess op de 5 kilometer een Sven Kramer-achtige fout maakte bij de wissel. Hij werd door scheidsrechter Henny Roos gediskwalificeerd.
Bols was misschien wel op weg naar zijn allereerste zege in een groot toernooi, en nu dit. Pure haat daalde van de tribunes neer op de arme Roos – Bols had door zijn fout juist een grotere afstand afgelegd, zeiden de mensen, dus hoezo diskwalificatie? Een striemend fluitconcert trof ook Dag Fornaess, sinaasappels vlogen hem om de oren. Even later ontving de Noorse ambassade de eerste bommelding en ook bij de familie Roos ging de telefoon over: bom.
Fornaess was, heel anders dan onder de Nederlandse fans geliefde Vikingen als Fred Anton Maier en Per Willy Guttormsen, geen populaire Noor. Schenk: ‘Fornaess was een ander persoon, wat stug. Hij deed met z’n trainingen ook een beetje heimelijk.’
Fornaess was met andere woorden een moderne, zakelijke sportman, die liever ongeliefd won dan geliefd verloor. Behalve zijn Europese titels van 1969 en 1971 leidde dat in 1969 in Deventer ook tot de wereldtitel.
Het WK van 1981 was het voorlaatste wereldkampioenschap dat werd verreden in Bislett. Hilbert van der Duim was de regerend wereldkampioen. Op de 5 kilometer lootte hij Amund Sjøbrend. Met nog een ronde te gaan begon Van der Duim te sprinten en reed de Noor voorbij. Nadat hij over de finish was gekomen, stopte de uitgeputte Van der Duim - helaas een ronde te vroeg.
Terwijl Mart Smeets nog wat zei over Van der Duims voortreffelijke rit, begon zijn co-commentator Leen Pfrommer te schreeuwen: ‘Hilbert, jongen, je moet doorrijden! Hilbert, je moet doorrijden, je moet nog een rondje! O jongen, wat ben je nou toch aan het doen? Rij nou toch door!’
Het bleken de meest legendarische woorden die ooit uit Pfrommers mond waren gerold. Tot overmaat van ramp viel Van der Duim de volgende dag op de 1500 meter. Sjøbrend werd wereldkampioen.
Van der Duim kan nog altijd geen café binnenkomen zonder dat iemand zegt: ‘Ha Hilbert, nog een rondje?’
Ard Schenk vestigde zijn naam als een van de grootste schaatsers ooit in de jaren 1970, 1971 en 1972. Jaren waarin hij driemaal wereldkampioen werd en bij de Olympische Spelen, de enige afstandskampioenschappen die er destijds bestonden, driemaal goud won. Daarna werd hij prof, maar dat avontuur werd geen succes. Het zou nog ruim twintig jaar duren voor de tijd rijp was voor beroepsschaatsers.
Na de heerschappij van Ard Schenk namen de Noren het heft weer in handen, als het Amerikaanse fenomeen Eric Heiden er tenminste niet doorheen schaatste. ‘De vier S-en’ werden ze genoemd: Stensen, Storholt, Stenshjemmet en Sjøbrend. Tussen 1975 en 1981 verdeelden ze zes Europese titels en twee wereldtitels.
De jaren tachtig begonnen met de wereldtitel van Hilbert van der Duim en eindigden met die van Leo Visser. Daar tussenin won één Noor de lauwerkrans: Rolf Falk-Larssen. In Bislett, dat wel.
De lange periode van Nederlandse overheersing, die begon met Falko Zandstra’s wereldtitel in het Vikingskipet in Hamar in 1993 en die voorlopig eindigde met de zege van Patrick Roest in 2020 óók in Hamar, werd van Noorse zijde alleen onderbroken door de drie wereldtitels allround van dokterszoon Johan Olav Koss. Die boorde met drie gouden medailles bij de Winterspelen van Lillehammer vervolgens ook de olympische aspiraties van Rintje Ritsma, Falko Zandstra en Bart Veldkamp de grond in.
Een wereldtitel allround zat er sinds Koss’ zege van 1994 voor de Noren niet meer in. Maar de Europese titel van Sander Eitrem en de tweede plaats van Peder Kongshaug, in januari in Heerenveen, heeft de Noren nieuwe hoop gegeven. Ook al is er nu weer een andere Amerikaanse plaaggeest: Jordan Stolz.
Terug naar de jaren waarin de Noors-Nederlandse rivaliteit het schaatsen deed opbloeien. De Nederlandse en Noorse schaatskameraden van de jaren zestig en zeventig zien elkaar nog met enige regelmaat – voor zover ze nog in leven zijn.
Per Willy Guttormsen wordt binnenkort 83, Roar Grønvold 79, Bjørn Tveter 80 en Magne Thomassen viert op 1 mei zijn 84ste verjaardag. Jan Bols is 80, Kees Verkerk 82 en Schenk 80. Fred Anton Maier, de grote stayer, overleed tien jaar geleden op 76-jarige leeftijd. Koss is inmiddels 56 en zijn grote kameraad, de stayer Geir Karlstad 61.
Memento mori. Ard Schenk: ‘Kees woont in Noorwegen en houdt het goed bij. Belt-ie op: ‘Heb je gehoord dat Nils Egil Aaness is overleden?’ Nou ja, die was 88, zo gaat het. Er komt een keer een eind aan. Knut Johannesen leeft nog, hij is 91. Loopt krom van de ouderdom, maar als hij zijn handen op zijn rug legt, is hij weer de schaatser van vroeger.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant