Nederlandse banken spelen een cruciale rol in de wereldwijde grondstoffenhandel. Megaconcerns als Glencore, Trafigura en Vitol, stuk voor stuk bedrijven met een omstreden reputatie, worden deels door hen gefinancieerd. Hoe zijn die banden ontstaan?
Archibald Campbell weet bij wie hij moet aankloppen om uit de penarie te raken. De handelaar in koloniale goederen heeft in 1843 geld nodig ‘wegens de nu weder ingevallen lusteloosheid in suiker en katoen’. Het lukt hem en zijn compagnon niet hun voorraad ‘zoo grif te realiseren als wij wel verlangenden’. Vertaald naar modern Nederlands: de verkoop valt tegen, de spaarpot raakt leeg. Dus neemt Campbell een pen ter hand voor een brief naar R. Mees en Zoonen in Rotterdam.
Voor koloniale grondstoffenhandelaren is de voorganger van ABN Amro halverwege de 19de eeuw de aangewezen plek om geld te lenen. Campbell en zijn zakenpartner hopen het bankiershuis te overtuigen hun activiteiten te financieren, en bieden 91 balen katoen en 189 vaten suiker als onderpand. Met 34.650 gulden (na inflatiecorrectie nu zo’n 560 duizend euro) zijn hun problemen verholpen, melden de handelaren. Ze ondertekenen nederig: ‘Uw dienaren A. Campbell & A. Jacobi’.
Dik anderhalve eeuw later is de financiering van de mondiale grondstoffenhandel betrekkelijk weinig veranderd. Inderdaad, de Nederlandse koloniën bestaan niet langer en betalen met guldens lukt al een paar decennia niet meer. Maar nog altijd zijn het Nederlandse bankiers die de buidel trekken bij de wereldwijde aan- en verkoop van landbouwproducten, olie en metalen. ING geldt als een van de grootste grondstoffenfinanciers ter wereld. De Rabobank speelt een dominante rol bij agriculturele waren als koffie, sojabonen en cacao. ABN Amro was een internationale grootmacht tot de bank zich in 2020 grotendeels terugtrok.
Hoe komt het dat Nederlandse banken zo actief zijn in de financiering van de scheepsladingen die de wereldeconomie draaiende houden? Kunnen Nederlandse bankiers invloed uitoefenen op hun klanten? Welke risico’s nemen ze door zich in te laten met megaconcerns als Glencore, Trafigura en Vitol, stuk voor stuk bedrijven met een omstreden reputatie?
De precieze omvang van de rol van Nederlandse banken is moeilijk vast te stellen. Het grootste deel van de grondstoffenhandel vindt plaats achter gesloten deuren. Onlangs publiceerde de Volkskrant over de rol van ING als facilitator van oliehandel door Glencore in Tsjaad en Gunvor in Ecuador. Maar kennis over geplaatste handtekeningen en gezette stempels is eerder uitzondering dan regel. Toch valt een algemeen beeld te schetsen.
‘Drie landen zijn traditioneel gezien cruciaal voor de financiering van grondstoffenhandelaren’, zegt Javier Blas van Bloomberg. Met collega-journalist Jack Farchy is hij de auteur van het boek The World for Sale, dat gaat over de belangrijkste handelshuizen. ‘Eerst waren er de Fransen. BNP Paribas financierde tot in de jaren negentig misschien wel de helft van alle handel.’ Ook Zwitserse bankiers zijn zeer actief, vertelt Blas. ‘Als derde zijn de Nederlandse banken van groot belang. ABN Amro in het verleden. ING vooral wat betreft olie, Rabobank als het gaat om de agro-industrie.’
Blas: ‘Je zult van mij niet horen welke bank de grootste speler is. Maar als ik een top 5 zou maken, zouden ING en Rabobank daar allebei instaan.’ ING’er Maarten Koning, hoofd van de afdeling handelsfinanciering, bevestigt dat voor zijn eigen bank. ‘Top 5 durf ik nog wel te zeggen, ja. Nederland is groot in bijvoorbeeld graan, plantaardige oliën, cacao en koffie.’
De journalist van Bloomberg verklaart de dominantie van Europese banken aan de hand van de specialistische ervaring van Nederlandse bankiers. ‘Ze hebben praktische kennis. Het zijn meer ingenieurs dan financiers.’ Geconfronteerd met dezelfde vraag wijst Koning op het koloniale verleden. ‘Nederlandse banken zijn zo groot omdat we een handelsnatie zijn. We hebben een lange geschiedenis van handelsbanken.’
Dat banken grote invloed kunnen hebben op de grondstoffenhandel, merkt Marc Rich begin jaren negentig in het Zwitserse Zug. Rich is op dat moment de bekendste koopman van olie en metalen ter wereld. In de ogen van het grote publiek is de geboren Antwerpenaar de personificatie van een klasse van meedogenloze winstjagers. Dictators als Fidel Castro (Cuba) en Moammar Kadhafi (Libië) ontvangen hem in hun paleizen. Met embargo’s tegen Zuid-Afrika – ten tijde van de apartheid – neemt hij het niet zo nauw.
Rich’ streken vallen ook op bij de FBI. De Amerikaanse dienst heeft hem op een lijst gezet met de meest gezochte criminelen vanwege vermoedelijke belastingontduiking, plus de overtreding van een handelsembargo tegen Iran. Maar al een decennium krijgen agenten Rich niet te pakken. Vier keer wist de handelaar hun net te ontglippen. Zijn imperium bestuurt de in Amerika opgegroeide Rich vanuit zijn Zwitserse ballingschap.
Uiteindelijk zijn het niet de federale agenten, maar Rich’ geldschieters die hem van zijn troon stoten. Amerikaanse banken weigeren de handelaar al langer te helpen, maar ook Europese banken opereren in de jaren negentig steeds terughoudender. Mede daardoor ontstaan knetterende ruzies tussen Rich en zijn personeel, dat nauwelijks nog zaken kan doen. Als in februari 1993 zijn volledige team oliehandelaren ontslag neemt, grijpen de banken in. Ze draaien de geldkraan dicht.
Het besluit leidt direct tot crisis, want grondstoffenhandelaren kunnen niet zonder hun financiers. De volumes olie en gas waarin ze handelen, zijn simpelweg te groot om zelf te betalen. ‘Ze hebben bijvoorbeeld 10- tot 15 miljard dollar aan kapitaal, tegen 500 miljard dollar aan handel’, volgens Blas. Koning zegt iets soortgelijks: als een handelaar een eigen vermogen heeft van 10 tot 20 procent van de handelsdeals, is dat voor ING een nette verhouding. Voor Rich zit er anno 1993 niets anders op: hij laat zich uitkopen.
Twee van de drie hedendaagse grondstoffengiganten zijn directe erfgenamen van het imperium van Marc Rich. Glencore is de opvolger van Marc Rich + Co, omgedoopt na het vertrek van de oprichter. De naam is een samentrekking van de Engelse woorden global, energy, commodities en resources. Trafigura is opgericht door het groepje in 1993 opgestapte oliehandelaren. De naam betekent niets in het bijzonder: bij een Nederlands trustkantoor schaften de ondernemers een op de plank liggend bv’tje aan.
De derde reus is het uit Rotterdam afkomstige Vitol. In 1966 richtten Jacques Detiger en Henk Viëtor het bedrijf op, dat tegenwoordig geldt als de grootste oliehandelaar ter wereld. Vitol verloor tijdens zijn stormachtige groei wel een groot deel van het Hollandse karakter. ‘De Nederlanders waren fantastisch, maar ze wilden niet werken buiten negen tot vijf. Daardoor sloten ze zichzelf al snel uit’, zei de inmiddels overleden bestuursvoorzitter Ian Taylor tegen Javier Blas en Jack Farchy.
ING en Rabobank lijken de reuzen allemaal te financieren. Volgens ngo Banking on Climate Chaos ontving Trafigura in 2023 een lening van 1,5 miljard dollar (1,3 miljard euro) van ING en 132 miljoen dollar van de Rabobank. Vitol kreeg 571 miljoen dollar van ING en 481 miljoen dollar van Rabobank. Glencore stond in dezelfde periode droog, maar ontving in de zeven voorgaande jaren respectievelijk 2 miljard dollar en 740 miljoen dollar.
Over de werkelijke omvang van de financiering zeggen de getallen weinig. Het grootste gedeelte van hun financiële ondersteuning ontvangen grondstoffenhandelaren niet via openbaar gemaakte leningen, maar voor specifieke transporten en projecten. ‘De bulk van de business draait om transacties. Oftewel: een bootje suiker van Santos (Brazilië, red.) naar Dubai’, zegt Koning van ING. De inhoud van dat soort overeenkomsten blijft voor de buitenwereld doorgaans onbekend.
Uiteraard financieren ING en Rabobank voor het overgrote deel valide handel. Grondstoffenhandelaren doen soms zaken met corrupte machthebbers, maar zijn vooral bezig met het verplaatsen van pakweg soja, nikkel of olie van productieland richting fabriek en afzetmarkt. ‘De handelaren verrichten een essentiële taak voor de consument’, zegt Martijn Bron. De Nederlander was jarenlang cacaohandelaar voor het Amerikaanse handelshuis Cargill.
Bron waarschuwt voor al te makkelijke morele verwijten vanuit het schatrijke Nederland, ook op het gebied van duurzaamheid. ‘De wereld is niet perfect. Grondstoffen komen vaak uit ontwikkelingslanden wier overheden totaal anders in de wedstrijd zitten. Zij streven eenzelfde levensstandaard na als de onze, en zijn niet per se gevoelig voor ons opgeheven vingertje.’ Waar mogelijk proberen handelaren geldbeluste ambtenaren juist te vermijden, zegt Bron. ‘Voor veel landen is corruptie een businessmodel, maar voor handelaren is het ineffectief.’
Voor banken brengt het zakendoen met omstreden grondstoffenhandelaren risico’s met zich mee, zo ondervond BNP Paribas in 2014. De Franse bank was decennialang vaste financier van Marc Rich en zijn concurrenten, tot de financier een megaboete kreeg van 8,97 miljard dollar (8 miljard euro). BNP had klanten geholpen sancties te schenden bij betalingen naar Soedan, Iran en Cuba. Na ontvangst van de zeer kostbare boete snoeide de bank flink in de grondstoffenafdeling.
ABN Amro volgde het Franse voorbeeld in 2020. De Nederlandse bank had grote verliezen geleden door een aantal sjoemelende klanten. De bekendste zaak is die van de Singaporese oliehandelaar Hin Leong, wiens val de bank een afschrijving opleverde van naar verluidt honderden miljoenen euro’s. Om zulke risico’s voortaan te vermijden, stapte ABN grotendeels uit de grondstoffenhandel.
Verder kunnen Nederlandse banken het verwijt krijgen met de financiering van olie- en gashandel bij te dragen aan de opwarming van de aarde. Om die reputatieschade te neutraliseren – en de wereld te redden – bouwen ING en Rabobank hun activiteiten af. Zo maakte ING in 2023 bekend de financiering van olie- en gashandel tot 2030 met 19 procent te willen terugdringen. ‘Elk jaar doen we een beetje minder’, zegt Koning.
Een grotere terugtrekkende beweging is volgens ING nu niet haalbaar. ‘Er is nog steeds financiering nodig voor fossiele brandstoffen. We moeten de noodzaak van CO2-reductie in evenwicht brengen met energiezekerheid en betaalbaarheid’, laat een woordvoerder weten. ‘Simpelweg stoppen met het financieren van olie en gas zou zeer negatieve sociale en economische gevolgen hebben.’
Rabobank sprak in 2022 een vergelijkbare ambitie uit. De coöperatieve bank wil de financiering van olie en gas met 20 procent verlagen, en ligt naar eigen zeggen op koers. Met die stappen zijn de Nederlandse banken relatief progressief, in vergelijking met bijvoorbeeld Amerikaanse en Chinese banken.
Bloomberg-journalist Javier Blas is alleen sceptisch over de gedane toezeggingen. ‘Banken zeggen dat ze zich zullen terugtrekken, een aantal van hen heeft beloften gedaan. We zullen zien of ze zich daar echt aan houden. De globale vraag naar olie, kolen en gas is nog nooit zo hoog geweest als nu. Ik vermoed dat de financiering van die fossiele brandstoffen pas afneemt als de vraag daalt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant