Met een solovoorstelling in het verschiet is Djûke Stammeshaus inmiddels ver verwijderd van Brussel, waar ze als diplomaat opkwam voor de belangen van Nederland. Voor de stap naar het toneel betaalde ze wel een prijs.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Dit is theater’, denkt Djûke Stammeshaus, wanneer ze in 2017 namens Nederland plaatsneemt in een enorme cirkel in een Brusselse vergaderzaal, samen met collega’s uit 27 Europese landen. In haar collega-diplomaten ziet ze vertegenwoordigers van regeringsstandpunten, maar ook mensen met hun eigen motieven, meningen en dromen: ‘Op dat moment begon in mijn hoofd een musical te ontstaan.’
Een musical over migratie welteverstaan, ‘destijds al een hot topic, en dat is alleen maar meer geworden.’ Sindsdien is haar voornemen het grootst mogelijke podium te bereiken. ‘Van Brussel naar Broadway’, houdt ze zichzelf dagelijks voor. De titel heeft ze al: Borders. Ze schrikt niet terug voor een baantje in een theatercafé op weg naar het realiseren van die droom.
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Een eerste tussenstop is Stammeshaus’ solovoorstelling Hoeveel kunnen we aan. Tot haar grote vreugde (‘Ik heb tenslotte geen enkele theateropleiding’) staat dit najaar een landelijke tournee gepland. De voorstelling is gebaseerd op haar ervaringen in Den Haag en Brussel, bij Buitenlandse Zaken, de Europese Commissie en de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland. Theatraal hoogtepunt vormt haar rol op Buitenlandse Zaken bij de chaotisch verlopen evacuatie van Afghanen uit Kabul, na de machtsovername door de Taliban in augustus 2021.
In haar voorstelling toont ze diverse perspectieven op migratie zonder er een op te dringen. Met de titel wil ze zowel een links als rechts publiek aanspreken: ‘De antwoorden verschillen, maar hoeveel migranten we aankunnen, is voor zowel links als rechts een relevante vraag.’ Ook verwijst de titel naar ‘wat we we emotioneel aankunnen, kijkend naar hoe het er in de wereld aan toe gaat. Waar liggen onze grenzen?’
Dat de 32-jarige Stammeshaus haar diplomatieke paspoort in 2022 inleverde, valt met behulp van haar levensverhaal wel te verklaren. Ze wordt geboren in een beroemd kraakpand, het oude Handelsblad-gebouw nabij de Dam in Amsterdam. Haar ouders kennen elkaar uit de kraakbeweging, als kind gaat ze in een buggy mee naar demonstraties: ‘Mijn vader heeft Nyenrode gedaan, maar liep vaak met een ‘fuck Shell’-T-shirt.’
Langs de lijnen van de familie van haar vader, een projectmanager die onder meer kunstbroedplaatsen opzet, kan ze zich ‘Duits, Joods, Indonesisch en Chinees’ noemen; van de kant van haar moeder, maker van geëngageerde documentaires, is ze Fries.
Van alle voorouders maakt vooral het verhaal van haar oma van vaderszijde indruk: ‘Zij was Joods, in de oorlog is ze als jong meisje zestien familieleden kwijtgeraakt. Toen ik 12 was, zei ze tegen me: ‘Ik wil je deelgenoot maken van mijn verdriet.’ Mijn gevoel voor rechtvaardigheid, de aandrang onrecht te willen bestrijden, heb ik van haar.’
Hoe maakte ze u deelgenoot?
‘We zaten aan haar keukentafel, ze had foto’s en een ansichtkaart. Die was afkomstig van twee neefjes en een nichtje; hun moeder had die kaart uit de trein naar Auschwitz gegooid. Het was voor het eerst dat ik mijn oma zag huilen. Als ik erover praat, raak ik ook weer ontroerd. Het was verdrietig, maar ze was zo dapper. Dat verdriet heeft ze altijd bij zich gedragen, maar ze kon er goed over praten.
‘Na afloop zijn we naar de boekhandel gegaan om het dagboek van Anne Frank te kopen. We hebben het er nog vaak over gehad. Ze heeft me geleerd dat niets vanzelfsprekend is.
‘Over mijn voorouders werd thuis veel gesproken, ook over de Indonesische kant van mijn familie. Mijn overgrootvader was een vooraanstaand man op Atjeh, hij is bij het Tropenmuseum in Amsterdam (het tegenwoordige Wereldmuseum, red.) gaan werken. Als migranten moesten hij en zijn gezin hier een nieuw bestaan opbouwen.
‘Ik heb me later pas gerealiseerd dat mijn belangstelling voor migratie daarmee is verbonden. De portretten van mijn voorouders hingen boven de piano waar ik elke dag op speelde, van mijn 8ste tot mijn 19de. Wanneer ik iets uit mijn hoofd speelde, kon ik langere tijd naar ze kijken. Ze hingen er allemaal, ook mijn Friese voorouders. Sprak ik met vrienden, dan kon ik me oprecht verbazen hoe weinig die doorgaans van hun voorouders afwisten. Velen van hen hadden geen enkel idee.’
U koos voor twee studies die u allebei cum laude hebt afgerond, psychologie en culturele antropologie – een pittige combinatie.
‘Dat vonden ze bij de universiteit ook, haha. Ze vonden het te veel, maar ik heb doorgezet. Met psychologie wilde ik de individuele mens beter begrijpen, met culturele antropologie hoe samenlevingen werken. Daarna volgde ik een master conflicten en mensenrechten. Dat was in 2016. Een jaar eerder waren Syriërs massaal naar Europa gevlucht – Angela Merkel stond met ‘Wir schaffen das’ tegenover politici die de grenzen wilden sluiten.
‘Over die spanning tussen compassie en controle besloot ik mijn scriptie te schrijven. Op Buitenlandse Zaken bleek er een stageplek bij de taskforce migratie, precies de plek waar ik wilde zijn.’
In uw voorstelling stapt u Buitenlandse Zaken in, vol idealen over het redden van de wereld.
‘Op mijn eerste dag kreeg ik in de lift naar de afdeling direct te horen: ‘Iedereen heeft het erg druk vandaag, dus je moet je enthousiasme maar even temperen.’ Ik ontdekte dat Buitenlandse Zaken een organisatie is met een hoge werkdruk, waar notities en memo’s worden geschreven, veel wordt vergaderd en Kamervragen snel moeten worden beantwoord. Je komt in een keurslijf terecht.
‘Gaandeweg werd ikzelf ook steeds zakelijker, al behield ik gelukkig wel een deel van mijn naïviteit. Als een Kamerlid antwoord kreeg met een simpele verwijzing naar een beleidsdocument, zei ik: ‘Maar hij wil toch een echt antwoord.’ Dan kreeg ik te horen: ‘Heel mooi dat je zo idealistisch bent, maar we moeten dit nu even snel de lijn insturen.’’
Terwijl u toch werd omringd door collega’s met idealen.
‘Daar kwam ik achter toen ik ze voor mijn scriptie ging interviewen – de meesten bleken vanuit ideële motieven voor de diplomatie te hebben gekozen. Een van hen was een zeer formele man, strak in het pak, op en top ambtenaar. Hij hield zich bezig met migratie. Ik vroeg hem of er bepaalde beelden in het nieuws waren die hem persoonlijk raakten.
‘Toen noemde hij de foto van het aangespoelde lichaam van het Syrische jongetje Aylan Kurdi, op het strand van de Turkse plaats Bodrum. Opeens moest hij snikken. Hij bleek zelf een 3-jarig zoontje te hebben. Dat moment heeft een kiem voor mijn voorstelling gelegd. Ik zag ons zitten in die ivoren toren, uitkijkend over andere ministeries, rennend van deadline naar deadline, kin omhoog en borst vooruit – en ondertussen ook mensen die van binnen pijn voelden.’
In uw voorstelling moet u, werkend voor de Europese Commissie, het aantal verdronken asielzoekers optellen. Heeft u dat verzonnen?
‘Nee, dat was echt mijn taak! De eerste keer dat ik dat moest doen, staarde ik uit het raam om me in te beelden hoe die veertien mensen die ik had genoteerd, op zee waren verdronken. Zinloos natuurlijk, maar ik moest dat voor mezelf doen. De tweede keer was het al: o ja, dit moet gebeuren. Je went eraan, hoe absurd die taak ook was.
‘Toen het tegen Kerstmis liep, stelde ik mijn leidinggevende, een Italiaanse, voor om bij de kerstviering een minuut stilte te houden voor alle verdronken vluchtelingen. Ze kreeg enorm de slappe lach. ‘Djûke, dit gaat er echt nooit doorheen komen’, zei ze. Het was ongemakkelijk, ik stond achter mijn voorstel, maar zij kwam echt niet meer bij. Het was een lieve vrouw. Iedereen op die afdeling was overwerkt, er waren zo veel burn-outs. Ze koos ervoor te lachen, maar ik denk dat ze eigenlijk wilde huilen.
‘Om iets concreets voor vluchtelingen te doen, heb ik met andere trainees een filmavond in een asielzoekerscentrum in Molenbeek georganiseerd. Later heb ik een marathon gelopen waarvan de opbrengst naar een ngo voor vluchtelingen ging, en heb ik op Lesbos gewerkt. Ik heb het altijd verbijsterend gevonden dat collega’s tien jaar aan het migratiedossier konden werken, maar dat ze nog nooit bij een azc langs waren geweest.’
Wat maakte dat u uw carrière opgaf?
‘Op een gegeven moment zat ik bij de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel, ik was daar ‘de ogen en oren’ van Nederland, met het dossier-Rusland en Oekraïne onder mijn hoede. Met een schok realiseerde ik me dat ik op de vraag waarom ik me daarmee bezighield, geneigd was te antwoorden: ‘Het kwam op mijn pad.’ Precies het antwoord dat mijn collega’s gaven toen ik ze had gevraagd waarom ze zich met migratie bezighielden.
‘Ik vroeg me af: wil ik ook zo iemand worden? De diplomatie biedt een prachtig carrièrepad en ik wilde mijn kansen niet zomaar vergooien, maar ik worstelde met de vraag of het diplomatieke werk wel echt bij me paste. Ik zag te weinig ruimte voor mijn idealisme en mijn creativiteit.
‘Je kunt in Brussel bepaalde dingen voor elkaar krijgen, zeker als je langer aan hetzelfde dossier werkt, maar het blijft binnen de marges van het Nederlandse belang, binnen de instructies van de regering. Daarbij bleef mijn idee voor een musical maar borrelen – overdag vertegenwoordigde ik Nederland, ’s avonds zat ik liedjes te schrijven.’
Voor die keuze betaalt u wel een prijs.
‘Collega’s met wie ik ben begonnen, zitten nu op mooie posten in het buitenland, terwijl ik nu een baantje in de horeca heb, dat is waar. Maar dat heb ik er graag voor over wanneer ik merk hoezeer mijn voorstelling mensen raakt. Ik heb ook op Buitenlandse Zaken gespeeld – het leidde tot tranen bij collega’s, ze herkenden alles, ook zichzelf.
‘Vorig jaar belandde ik in een existentiële crisis, toen mijn solovoorstelling nog niet was geboekt. Maand na maand zag ik mijn spaargeld afnemen, mijn relatie liep stuk, mijn jongerenwoning moest ik bijna uit. Ik zag aankomen dat ik op mijn 32ste weer bij mijn ouders zou moeten wonen, terwijl mijn vriendinnen huizen kochten.
‘Toen ben ik mezelf dagelijks gaan bemoedigen. ‘Kom op, zak niet weg in onzekerheid, je kan het, blijf mensen benaderen.’ Dat heeft me erg geholpen. Mijn moeder heeft me duidelijk gemaakt dat werken in de horeca geen achteruitgang was. Voor mij voelde het aanvankelijk zo, want ik associeerde het met mijn studententijd. Maar zij zei: ‘Nee, dit is geen stap terug, dit stelt je juist in staat je droom waar te maken.’
‘Dus wanneer ik nu tussen de vieze afwasspetters sta of met lastige klanten te maken heb, zeg ik tegen mezelf: ‘From Brussels to Broadway.’ Broadway, ja. Mijn jongere broer heeft me voorgehouden dat ik groot moet durven denken: ‘Dan kunnen mensen met je mee dromen’, zei hij.
‘En inderdaad, er zijn deuren voor me opengegaan. Ik mag nu op tournee met mijn solovoorstelling en tegelijkertijd ben ik bezig een team van professionals uit de musicalwereld samen te stellen voor mijn musical Borders. Die zal gaan over de evacuatie van Afghanen uit Kabul. Of het nu uiteindelijk lukt of niet, dat is niet eens het voornaamste. Alle zijpaden zijn voor mij even waardevol als die stip op de horizon.’
Boekentip: De Alchemist, Paulo Coelho.
‘De hoofdpersoon zoekt jarenlang overal naar een schat, om uiteindelijk te ontdekken dat die in hemzelf verborgen ligt. Dicht bij jezelf blijven en iets moois opbouwen – dat is omzetten van metaal in goud, alchemie. Een sterk pleidooi om open te staan voor zijpaden om tot je essentie te komen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant