We gingen naar een film uit India. Ze hebben daar een atoomparaplu, dus ik was bovenmatig nieuwsgierig. Ik zoek een nieuwe cultuur. Elvis was een smerige Amerikaan, zie ik inmiddels in.
Eerst voorfilms, hou ik van. Ze zijn het stokbrood met roomboter der cinema. Waarom, vraag ik me ineens af, lees ik ’s avonds, voor ik me aan Dickens of Zola zet, nooit even wat willekeurige flapteksten? Misschien is dat wel erg aangenaam.
De eerste voorfilm kwam uit Iran, helaas geen atoombom aanwezig, ze schijnen er prima rockabilly te maken. De trailer was evenwel vreemd, de film ging over onderdrukte vrijheidsstrijders, en daarom hadden ze, mogelijk symbolisch, de stemmen van genoemde vrijheidsstrijders dof gemaakt. De muziek en traangasgranaten klonken wel helder.
Het voorfilmpje erna kwam uit nazi-Amerika. Ook hier klonk wat de mensen zeiden dof. Ik peuterde in mijn oren. Maar nee, toen de Indiase hoofdfilm begon, bleek heel Mumbai zich dof tot ons te richten.
‘Ja hoor eens’, riep de man voor ons, ‘ik ga niet twee uur naar dit gebrabbel zitten luisteren.’ Doen wat je zegt, en zeggen wat je doet, ik hou er wel van, meteen stond hij op, en begon tussen de stoelen door naar de uitgang te lopen.
‘Vraag het effe, daar’, riep mijn vriendin Jet hem na. (Nooit met lege handen naar de keuken.) Een paar minuten later verscheen beneden, in de deuropening, de vrouw die onze kaartjes had geknipt.
‘Ze praten dof’, riep ik, en wees naar het doek.
De vrouw keek naar de film. Uiteraard hield heel Mumbai zeker een minuut lang zijn klep, zul je altijd zien, twaalf miljoen inwoners, geen woord.
‘Het geluid is kapot,’ riep mijn vriendin Jet. ‘Als ze praten.’
Nu fluisterden er twee Indiase meisjes met elkaar. De filmconducteur, ouvreuse heet zo iemand, bestaat volgens mij geen mannelijk woord voor, keek het kort aan, en vertrok weer.
Tien tergend doffe minuten veranderde er niets. Ik was het ontwend, doorgenieten tijdens mankementen, terwijl ze me daar vroeger, toen ik nog thuis woonde, toch duchtig in gestaald hadden. Onze hoeksteen bezat een kleurentelevisie waar om de zoveel tijd een primaire kleur van wegviel, een haperend elektronenkanon is me verteld, geen blauw meer, geen rood meer, of geen –
‘Geel meer. Tempo.’
Eigenlijk moest mijn vader het toestel naar een mannetje in de Orwellstraat brengen, maar behalve dat het ‘een duur grapje’ betekende, en een enorm gesjouw (televisies zakten destijds nog geregeld door dressoirs heen, zelf gezien), zaten we dan zeker een week zonder. ‘En The A-Team dan?’, etc.
Dat nooit. Liever wachtten we tot er nog een kleur wegviel, had je nog altijd een kleur over. Ik herinner me paarse Fred Emmers en Henny Huismans, oranje smurfen, een Nederlands elftal dat kotsmisselijk aan het EK begon. ‘Na een tijdje merkte je het niet meer’, fluisterde ik tegen mijn vriendin Jet. ‘Dan mengde Kruimeltje er hiero’ – ik tikte tegen mijn slaap – ‘zelf wel een kleurtje doorheen.’
‘We gaan,’ antwoordde mijn vriendin Jet.
Ik stond meteen op, eens, dat was toen. Ik hou best van Indiase cinema, maar niet in een kapotte bioscoop.
Toen we de zaal uit stapten, kwam de ouvreur aangestormd. ‘Nog steeds dof?’, riep ze van een afstand. ‘We denken het over een kwartiertje te hebben gefikst, en dan starten we opnieuw in.’
Lakmoesproef. Voelden wij ons hiervoor reeds Indiaas genoeg? Ik tuitte zuinig mijn mond. Mijn vriendin Jet schudde haar hoofd. ‘Weet u wat het is’, zei ze tegen zaklampje, ‘Boer zoekt vrouw begint zo meteen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns