In Indonesië verdwijnen steeds meer rijstvelden, mede omdat jongeren geen zin hebben buiten in de modder te ploeteren. En dat terwijl het land juist meer rijst nodig heeft. ‘Ik leg eerst uit dat ik agro-ondernemer ben, geen rijstboer.’
is correspondent Zuidoost-Azië van de Volkskrant. Hij woont op Bali.
De 33-jarige rijstboer Dedi Mulyadi lijkt helemaal niet op een Indonesische rijstboer. Dat zijn doorgaans tanige oude bazen met bamboehoed en een roestige sikkel aan hun broekriem. Mulyadi lijkt meer op een ICT-student met zijn bril en sikje. Op kaplaarzen loopt de jonge bioboer een van zijn rijstvelden in: geen schilderachtige sawa zoals de meeste mensen die kennen van hun vakantie op Bali of van de televisie. Geen diepgroene terrassen omringd door kokospalmen, geen rustgevend geklater van water. Het veld van Mulyadi lijkt meer op een Nederlandse akker: een groene vlakte tot aan de horizon waar landbouwmachines het planten en oogsten hebben overgenomen. Zo verbouwen ze rijst in de regio Subang, de graanschuur van Java, en zo zou de Indonesische overheid het graag overal zien.
Mulyadi behoort tot de petani muda keren-(coole jonge boeren)-beweging die probeert jongeren te interesseren voor het boerenbestaan. En tegelijkertijd de rijstproductie wil verduurzamen en moderniseren. Dat is hoog nodig, omdat Indonesië kampt met een groeiend tekort aan rijst. Je zou ook kunnen zeggen: de Indonesiër houdt te veel van zijn nasi putih (witte rijst); rijstpap voor ontbijt; nasi goreng voor lunch; rijst met gebakken vis als avondeten en zoete kleefrijst als dessert. De gemiddelde Indonesiër werkt 1,5 kilo rijst per week naar binnen (ter vergelijking: een Nederlander eet 140 gram per week). De consumptie neemt wel iets af – de groeiende middenklasse kiest af en toe ook friet of pasta. Maar de Indonesische bevolking groeit wel met ruim 3 miljoen personen per jaar (inmiddels 285 miljoen inwoners).
Tegelijkertijd produceert Indonesië steeds minder rijst. Omdat sawa’s plaatsmaken voor huizen en fabrieken, vanwege aanhoudende droogte, verouderde irrigatiesystemen, achterhaalde landbouwtechnieken en vergrijzing van de sector. Steeds minder jongeren hebben nog zin om buiten in de modder te ploeteren. Ze werken liever in een fabriek of winkel: meer salaris, minder uren en een airco.
Logisch gevolg: de Indonesische overheid importeert jaarlijks meer rijst uit buurlanden als Vietnam en Thailand; van 400 duizend ton in 2021 tot 4,5 miljoen ton in 2024. Zonde van het geld, vindt de nieuwe Indonesische president Prabowo Subianto. Hij eist dat Indonesië weer zelfvoorzienend wordt op voedselgebied, te beginnen met rijst. Om druk op de ketel te zetten, verbiedt Subianto dit jaar de staatsimport van rijst. Uit een rondgang langs rijstvelden blijkt echter: het zal niet meevallen om de rijstoogst snel op te schroeven.
‘Ik maak me constant zorgen’, verzucht de 52-jarige rijstboer Sodikin naast zijn rijstveld in Subang. ‘Ik sta om 4 uur ’s ochtends op om het waterpeil te controleren. Dan ga ik weer slapen en werk ik alle dagen van 7 uur ’s ochtends tot 4 uur ’s middags in mijn sawa.’ Dat levert hem 200 euro per maand op, meer dan het minimumloon, maar dat bedrag is niet gegarandeerd. ‘Mijn grootste zorg zijn ratten; die kunnen in één nacht de hele oogst vernietigen.’ Sodikin laat een filmpje op zijn telefoon zien: in het schijnsel van een zaklantaarn krioelen ontelbare ratten over een natte akker. ‘Je weet nooit wanneer ze komen. Gif strooien en knuppelen helpen niet, onze kat rent als eerste weg!’
De regio Subang ligt slechts twee uur rijden van de hoofdstad Jakarta, maar sommige dorpen zijn zonder terreinwagen niet eens te bereiken. Boerenjongens met een sigaret in hun mondhoek crossen door de velden met grote zakken rijst op omgebouwde brommers met noppenbanden. Langs de provinciale weg staan honderden karaokebars, niet meer dan scheefgezakte houten keten, met sekswerkers voor de deur die verveeld wachten op klanten. Geen van Sodikins kinderen zien toekomst in de rijst. ‘Ze vinden mijn werk te vies, niet cool.’ Zijn zoons werken liever in de plaatselijke tegelfabriek voor 120 euro per maand.
Een paar kilometer verderop legt bioboer Mulyadi vier soorten rijst op zijn koffietafel: witte, bruine, rode en zwarte rijst. ‘Kijk, voor zo’n kilo witte rijst kan ik maar 80 cent vragen, terwijl Indonesiërs die op zoek zijn naar een gezondere levensstijl wel 2 euro overhebben voor een kilo zwart.’ Je kunt dus best goed verdienen met rijst, stelt de bioboer, mits je waarde toevoegt na de oogst. ‘Door je product zelf te labelen, te marketen en te verkopen.’ Zo verdient Mulyadi naar eigen zeggen 1.500 euro per maand. ‘Mijn vader verkocht zijn hele oogst aan tussenhandelaren tegen de wettelijke minimumprijs , zoals de meeste boeren in Indonesië. Hij verdiende nooit meer dan 180 euro per maand.’
Mulyadi overtuigde 45 rijstboeren in zijn dorp om hun velden samen te voegen tot veertig hectare en daarop te gaan agro-ondernemen. Met moderne landbouwmachines, maar zonder kunstmest en pesticiden. ‘Ik won als middelbare scholier een studiebeurs voor de landbouwhogeschool in Bogor. Daar leerde ik over alternatieve rijstsoorten, bodemmonsters nemen en natuurlijke bemesting.’
In eerste instantie lachten de buren hem uit, wat wist die snotneus nou, maar zijn vader gaf hem een hectare voor een pilotproject. Een jaar later was iedereen overtuigd. ‘De bodem bleek uitgeput en vergiftigd door een overmaat aan kunstmest. Inmiddels brengen onze velden 6,8 ton rijst per hectare op, ruim meer dan het landelijk gemiddelde van 5 ton.’
Dat soort vernieuwing is helaas zeldzaam op Indonesische akkers. Het gros van de boeren heeft niet meer dan een lagereschoolopleiding en boert nog op dezelfde manier als hun overgrootvader. Door erfenisverdelingen worden lapjes grond bovendien steeds kleiner (minder dan 0,5 hectare) en ongeschikt voor mechanisatie. Te klein om ooit een investering in tractors en oogstmachines terug te verdienen. Volgens deskundigen heb je tenminste 10 hectare nodig om rendabel rijst te kunnen verbouwen. De befaamde rijstterrassen op Bali, waar opa en oma voorover gebogen planten, wieden en oogsten met de hand, leveren vrijwel niks op. Miljoenen Indonesische boeren leiden een marginaal bestaan.
Volgens professor Hermanto Siregar van de landbouwhogeschool in Bogor is er geen economische reden om zelfvoorzienend te willen worden als land. ‘Het is een politieke keuze’, zegt hij over de telefoon. Het stopzetten van de import vindt hij riskant. ‘Als er een landelijk tekort ontstaat, schiet de rijstprijs omhoog. Dat raakt iedere Indonesische familie.’ De onderzoeker zet de oorzaken van het dalende aanbod nog eens op een rijtje: klimaatverandering, urbanisatie, versnippering , stagnerende opbrengsten en vergrijzing.
Als oplossing schrijft Siregar schaalvergroting voor. ‘Rijstboeren moeten ophouden hun eigen stukje land af te bakenen met een dijkje. Door velden samen te voegen tot 50 of 100 hectare en samen landbouwmachines aan te schaffen, ontstaan rendabele bedrijven.’ De overheid dient volgens hem ook te investeren in betere infrastructuur voor irrigatie. ‘Dan verdubbelt in veel gevallen de opbrengst van bestaande landbouwgrond, wat duurzamer is dan weer bos omhakken voor extra landbouwgrond.’ Tot slot dienen rijstboeren volgens Siregar makkelijker toegang te krijgen tot financiering, betere zaden en moderne kennis.
De iconische rijstterrassen zijn volgens de hoogleraar nauwelijks rendabel te krijgen. ‘Die boeren kunnen wel bijverdienen door toerisme. Bijvoorbeeld door een homestay te beginnen.’ Als voorbeeld noemt hij de befaamde rijstterrassen van de Sa-Pa-regio in Vietnam, waar het inkomen van de plaatselijke Hmong-bevolking is verbeterd door agro-toerisme.
Indonesië legt de lat hoog. Het land wil zelfs een overschot aan rijst gaan produceren, net als Vietnam en Thailand. Onder meer door hybride soorten te ontwikkelen die beter bestand zijn tegen droogte of ziekten. Daar experimenteert de 53-jarige zaadveredelaar Ardani mee, in zijn witte labjas op de nationale zaadbank, gelegen op het terrein van een oude koloniale siroopfabriek in Subang. ‘Kijk, dit is de inpari 32 , een rijstsoort die naar schatting 70 procent van alle rijstboeren gebruikt’, zegt de onderzoeker wijzend op een glazen potje met bruine rijstkorrels. Niet te onderscheiden van de 1.500 andere soorten die daar op ronddraaiende rekken van metaal staan. ‘Zelf test ik nu de inpari 48. Die levert meer graan, maar daardoor buigt de halm ook meer door. En je wilt niet dat zaden het water raken en gaan rotten.’
President Prabowo heeft ook een oud project met reusachtige staatsboerderijen nieuw leven ingeblazen. Indonesië kan snel zelfvoorzienend worden, zo verwacht hij, als de overheid zelf mais, rijst en suiker gaat verbouwen. Bij voorkeur in afgelegen provincies waar voldoende ruimte is. Om een idee van de schaal te geven: het landbouwproject in Merauke in Oost-Papoea beslaat 2 miljoen hectare, bijna de helft van heel Nederland. Om de megaprojecten van de grond te krijgen, schakelt voormalig generaal Prabowo het leger in. Honderd nieuwe bataljons, à duizend soldaten, moeten onder meer rijst gaan verbouwen voor de nationale voedselveiligheid. Deskundigen en activisten waarschuwen in koor voor de financiële, ecologische en sociale gevolgen van de reuzenboerderijen.
In Subang is er vertrouwen in de toekomst. ‘De vraag naar rijst blijft stijgen en het aanbod daalt, dat biedt dus kansen voor jonge rijstboeren’, zegt bioboer Mulyani. Hij werd in eerste instantie uitgelachen door zijn schoolvrienden, toen hij vertelde dat hij boer wilde worden. ‘Ik leg nu uit dat ik agro-ondernemer ben, geen rijstboer.’ Mulyani staat naar eigen zeggen dagelijks in de modder en daar heeft hij geen spijt van. Met een weids gebaar over zijn uitgestrekte inpari-32-veld: ‘Misschien moeilijk te begrijpen voor iemand uit de stad. Maar ik word blij als ik de wind in mijn gezicht voel en die groene halmen langzaam geel zie worden. Bijna weer oogsttijd!’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant