Migrerende walvissen brengen via hun urine voedingsstoffen over duizenden kilometers van voedselrijke koude zeeën naar voedselarme tropische wateren. Met hun transport van biologisch materiaal en stikstof dragen de dieren bij aan de gezondheid van oceanen.
Is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over Zuid-Azië, klimaat en natuur.
Dat schrijft een internationale groep zeebiologen onder leiding van de Amerikaanse Universiteit van Vermont deze week in het tijdschrift Nature Communications. De studie laat zien hoe walvissen door hun enorme formaat ecologische effecten veroorzaken op wereldschaal.
Bekend was dat walvissen voedingsstoffen vanuit de diepzee – waar ze jagen – omhoogbrengen naar de oppervlakte, waar de dieren rusten, plassen en poepen, en hoe dit de groei van plantaardig plankton en andere organismen stimuleert – als een soort bemesting. Naast dit verticale transport van voedingsstoffen is er dus ook horizontaal transport.
De auteurs onderzochten vier soorten migrerende baleinwalvissen: de grijze walvis, bultrug, noordkaper en zuidkaper. Op basis van satellietdata, populatiegroottes en metingen van eiwitafbraak schatten de onderzoekers dat deze vier walvissoorten samen jaarlijks zeker 4.000 ton stikstof verplaatsen, en daarnaast meer dan 45 duizend ton biologisch materiaal. Plaatselijk kan dit transport in wateren de daar lokaal aanwezige hoeveelheid voedingsstoffen verdubbelen.
De baleinwalvissen foerageren ’s zomers in voedselrijke (sub-)arctische wateren, veelal op krill en kleine vis. Ze migreren vervolgens naar ondiepe tropische wateren om daar te paren en jongen ter wereld te brengen.
Die voedselarme wateren worden verrijkt met hun urine. Walvissen produceren honderden liters urine per dag (een mens 1 tot 1,5 liter). Ook met feces, huidresten, placenta’s en karkassen verrijken de walvissen voedselarme wateren.
De populaties van baleinwalvissen zijn door de industriële walvisvaart in vier eeuwen tijd gedecimeerd. Als de aantallen nog op peil zouden zijn, zouden de hoeveelheden verplaatste voedingsstoffen zeker drie keer zo groot zijn, aldus de auteurs.
Daarbij komt dat blauwe vinvissen, de grootste dieren ooit, niet in de studie zijn meegenomen. Hun kraamkamers (breeding grounds) zijn niet bekend, en konden dus niet worden onderzocht.
De auteurs noemen het verplaatsen van nutriënten over grote afstanden – zo trekken de bultruggen in de noordelijke Stille Oceaan van de Golf van Alaska naar de zeeën rond Hawaii – de ‘grote walvistransportband’ of ‘grote walvisplastrechter’. Dit omdat de dieren in een uitgestrekt oceaangebied foerageren en zich daarna in een relatief klein gebied voortplanten. ‘Een beetje zoals je bladafval verzamelt om compost te maken in je tuin’, aldus hoofdauteur Joe Roman van de Universiteit van Vermont.
Fleur Visser, walvisonderzoeker aan het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), vindt het een belangrijk onderzoek. ‘We weten natuurlijk dat walvissen voedingsstoffen toevoegen aan ecosystemen, maar dat mechanisme is moeilijk te meten. De auteurs tonen aan dat het om een substantiële toevoeging gaat, en dat het vaak meer is dan de nutriënten die lokaal voorhanden zijn. Dat is nieuw.’
Het verrast Visser wel dat de Nature-studie niet duidelijk maakt of het verblijf van de walvissen in hun voortplantingsgebieden ook tot een toename van de productie van fytoplankton leidt. ‘Dat zou het echte bewijs zijn. Als de introductie van nutriënten niet tot planktonbloei leidt, werkt het niet. Dan is het zoiets als kunstmest strooien op zand.’
Als het wél werkt, is dat zeer relevant, aldus Visser. ‘Fytoplankton zorgt voor 50 procent van de wereldwijde zuurstofproductie (en neemt omgekeerd CO2 op). Plassende walvissen hebben dus niet alleen effect op de gezondheid van de oceaan, maar ook op het klimaat.’
Source: Volkskrant