Hoe vind je je eigen weg, als je in geen enkel hokje lijkt te passen? Journalisten Tahrim Ramdjan en Ricky Mohabbat, allebei queer en Hindostaans-Nederlands, buigen zich in autobiografisch werk over alle puzzelstukjes van hun identiteit.
is journalist, schrijver en columnist. Hij schrijft voor de Volkskrant over identiteit en tijdgeest.
Ricky Mohabbat (31) en Tahrim Ramdjan (26) overwonnen vergelijkbare hindernissen om zichzelf te kunnen zijn. Ze groeiden allebei op in een Hindostaans-islamitisch gezin, ontdekten dat ze op mannen vallen en moesten dat rijmen met hun achtergrond. Ook waren ze de eerste generatie die kon studeren en gingen beiden de journalistiek in. Ramdjan werkt bij Het Parool en Mohabbat sinds kort bij de NOS. Ze bleven eerst weg van thema’s die aan hun identiteit raakten, omdat ze zich wilden bewijzen als allround verslaggever.
Toch gaan ze nu de confrontatie aan met hun culturele en emotionele bagage. Mohabbat maakte onlangs voor de NTR de online-docu Ricky The Imposter. Hij klom op van het vmbo naar de universiteit, maar voelde zich nergens op zijn plaats. Ramdjan moest ook vanaf jonge leeftijd laveren tussen verschillende werelden, mores en codes. Daarover schreef hij het boek Wat zullen de mensen zeggen?, dat net uit is. Een mooie aanleiding om eens af te spreken in hun gedeelde woonplaats Amsterdam en ervaringen uit te wisselen.
Welke cultuurclashes ervaarden jullie vroeger?
Ramdjan: ‘Ik groeide op in de multiculturele Bijlmer, maar ging naar een gymnasium in Amsterdam-Zuid. Mijn eerste schooldag was schrikken, want ik had nog nooit zoveel witte, welvarende mensen bij elkaar gezien. Het voelde alsof ze een andere taal spraken. Iedereen was blond, zat op hockey, droeg merkkleding en ging op dure vakanties.’
Mohabbat: ‘Voor mij was het omgekeerd. Ik groeide op in Lelystad, waar juist veel diversiteit was. Wij spraken dus wel dezelfde taal. Dat veranderde toen ik aan mijn bachelor begon en andere vrienden kreeg. Ik moest letterlijk mes en vork leren gebruiken, omdat je voor Surinaams eten alleen een lepel nodig hebt, of met de hand eet. Ik leerde tijdens mijn studie ook wijn drinken, en wat netwerken is.’
Ramdjan: ‘Ja, op mijn witte school leerde ik de Nederlandse borrelcultuur kennen.’
Mohabbat: ‘Wij zijn opgevoed met een ander idee van gezelligheid. Geen kringverjaardag, maar een band of dj in de tuin, en heel veel eten.’
Ramdjan: ‘Met kerst waren wij tot 3 uur ’s nachts wakker, op koffie en Fernandes.’
Naast de gezelligheid voelden jullie veel prestatiedruk, waar zat ’m dat in?
Mohabbat: ‘Mijn ouders zijn aannemers, dus zij verdienen goed. Ik wilde een dans- of acteeropleiding doen, maar dat mocht niet, want dan zou ik in de goot belanden. Daarom ging ik journalistiek doen, wat enigszins creatief is. Voor veel mensen bestaat de definitie van succes uit status en geld, maar succes betekent voor mij dat je een compleet mens bent. In de Hindostaanse cultuur is er alleen weinig aandacht voor persoonlijke groei, het is echt een wij-cultuur.’
Ramdjan: ‘Ja, iedere 9 die ik op school haalde, was een succes voor de hele familie. Maar door die druk nam ik te veel bijbaantjes en commissietaakjes op me en liep ik mezelf voorbij. Ondertussen begon ik mezelf van de gemeenschap te distantiëren en ging ik niet meer naar Hindostaanse feesten en festivals. Ik focuste me op mijn witte vrienden en de Nederlandse ik-cultuur en leerde zelfs mijn Surinaamse accent af. Daardoor heb ik alle kansen gepakt die ik kreeg, al heeft dat individualistische ook iets kils.’
Mohabbat: ‘Mijn moeder vond het vreselijk dat ik me te wit ging gedragen en niet meer naar bollywoodfilms keek. Ze dacht echt dat ze me verloor aan de Nederlandse cultuur.’
Ramdjan: ‘Ja, het is dubbel. Enerzijds moesten we ons aanpassen aan witte mensen en minder ruimte innemen, om hogerop te komen. Tegelijkertijd verwachtte mijn moeder dat ik me naar buiten toe wit zou gedragen, maar thuis Hindostaans was. Die twee kanten van mij kon ik toen moeilijk met elkaar rijmen.’
Jullie families reageerden wel positief toen jullie uit de kast kwamen.
Mohabbat: ‘Ik had op dat punt alleen nog contact met twee tantes, en die zagen het net als mijn moeder wel aankomen. Mijn vader verdedigde me ook tegenover andere familieleden en zei: als jullie vragen hebben, komen jullie bij mij, maar jullie laten mijn kind met rust.’
Ramdjan: ‘Ik was ontzettend verliefd geworden op een jongen, dus ik kon het niet meer voor me houden. Mijn moeder wist het ook wel. Ze heeft me nooit gevraagd om het voor me te houden en me er niet van weerhouden om erover te schrijven. Ze zei alleen: pas op en loop niet met je vriend hand in hand over straat. Die waarschuwing is helaas ook nodig.’
Tahrim, jouw vader overleed toen je pas 8 jaar was. In jouw boek beschrijf je dat zijn graf werd beplakt met haatdragende teksten, nadat je een artikel had geschreven over jouw geloof en geaardheid. Waarom triggerde jouw stuk conservatieve gelovigen?
Ramdjan: ‘Omdat ik een boodschap uitzond van verbinding, namelijk dat je queer én islamitisch kunt zijn. De geluiden dat die twee niet kunnen samengaan hebben we immers al zo vaak gehoord. Maar ik kon mijn toenmalige vriendje gewoon meenemen naar familiefeesten. Hij ging ook mee naar de moskee, toen mijn oma werd begraven.’
Welke rol speelt religie nu bij jullie?
Ramdjan: ‘Net zoals je culturele Joden en religieuze joden hebt, noem ik mezelf nu islamitisch en niet moslim. De islam blijft deel van me, maar op dit moment belijd ik het geloof niet actief.’
Mohabbat: ‘Wij zijn van huis uit ook islamitisch in culturele zin. Ik vind het wel moeilijk om over dat deel van mezelf te praten, omdat iedereen een oordeel heeft over homoseksualiteit binnen de islam. Het is dus lastig om me zo te identificeren. Ik noem mezelf ook niet queer, maar gay of homo. Queer is een activistische term, en ik hoef niet zo op barricades te staan.’
Hoe kijken jullie als gay journalisten van kleur naar de diversiteit in de media?
Ramdjan: ‘Nou, die is er nog niet genoeg, hoe graag men ook wil. Ik voel daarom een verantwoordelijkheid om de verhalen van Surinaamse Nederlanders te vertellen, en wat er speelt in Amsterdam-Zuidoost. Maar ik wil als verslaggever ook naar een brand of protest worden gestuurd zonder dat mijn identiteit een rol speelt. De rellen rondom Ajax-Maccabi lieten wel zien dat overwegend witte redacties een informatieachterstand hebben bij bepaalde bevolkingsgroepen, en dat er zo een bias kan ontstaan. Toen Schoof sprak van een integratiecrisis had ik het wel even zwaar, en vroeg aan mijn moeder: is er straks nog plek voor ons in dit land? Media hebben een aandeel in die beeldvorming.’
Mohabbat: ‘Als journalist van kleur kun je niet wegkomen met middelmatigheid, zoals ik bij sommige witte collega’s zie. Maar bij het Noordhollands Dagblad heb ik van de redactiechef ook kansen gekregen, om bijvoorbeeld over Hindostaanse trans vrouwen te schrijven, en over sikkelcelziekte bij zwarte mensen. Ook deed ik een stamboomonderzoek. Ik vond mezelf lange tijd minderwaardig, maar voel me nu gesterkt door mijn vroegere scriptiebegeleider. In mijn docu zei ze dat ik meer en ook andere kennis heb, dankzij mijn Hindostaanse achtergrond, het feit dat ik studies stapelde en niet hetero ben. Dus alles wat mij anders maakt, is nu mijn superkracht. Journalisten van kleur die ons voorgingen moesten knokken voor een plekje aan de tafel, maar ik wil mijn eigen tafel samenstellen.’
Jullie stammen af van contractarbeiders uit India, die na de afschaffing van de slavernij naar Suriname werden gehaald om in feite hetzelfde werk te doen. Dat is nog maar een paar generaties geleden. Wat leerden jullie van deze verhalen?
Mohabbat: ‘Mijn familieleden moesten steeds opnieuw wortelen; eerst vanuit India naar Suriname, en daarna vanuit Suriname naar Nederland. De generaties voor mij waren alleen maar bezig met overleven, maar ik heb de luxe om te dromen. Dat is zo’n groot geschenk, ik kan daar echt om huilen.’
Ramdjan: ‘Mijn ouders waren de liefste mensen, maar ze hadden ook hun tekortkomingen. Mijn vader kon niet goed omgaan met zijn boosheid. Daar zat vast veel pijn onder, maar dat heb ik hem niet kunnen vragen. Mijn ouders hadden ook niet de energie en middelen om met hun verdriet en dat van vorige generaties te dealen.’
Mohabbat: ‘Onze voorouders hielden hun pijn voor zich, maar wij kunnen in therapie gaan en helen.’
Ramdjan: ‘En wij zijn de eerste generatie die kan doen wat we zelf willen.’
Zijn jullie ouders trots?
Mohabbat: ‘Ze zijn trots dat mijn zusje en ik nu de vruchten plukken van de bomen die zij hebben geplant, en dat we onze dromen kunnen najagen. Mijn moeder ziet op haar 61ste in dat ze ook voor zichzelf moet zorgen en meer mag genieten. Zij ging nooit op vakantie, omdat al het geld naar ons ging. Maar nu ze mij ziet reizen, wil zij dat ook.’
Ramdjan: ‘Mijn moeder vond het leuk om te zeggen dat haar twee zoons arts en jurist zijn, omdat ik rechten studeerde. Maar ik kom eigenlijk uit een mediafamilie. Mijn opa schreef columns in Suriname. Mijn vader trad op als zanger en had zijn eigen programma op de Hindostaanse radio. Mijn moeder heeft daar ook mee geflirt, maar ze moest zich focussen op haar werk en de kinderen. Ze is blij voor me, maar ik denk dat ze meer haar stem had willen laten horen.’
En de puzzelstukjes van jullie identiteit, liggen die nu op hun plek?
Ramdjan: ‘Ik woon al mijn hele leven in Amsterdam en benoem dat graag. Maar ik zou een tijdje in een andere omgeving willen wonen, waar meer mensen op mij lijken, zoals Londen of toch India. Maar tegelijkertijd ben ik bang dat ik daar dan ook weer uit de toon val, omdat mijn buitenkant Indiaas oogt, terwijl mijn binnenkant Surinaams en Nederlands is.’
Mohabbat: ‘Ja, het huis van mijn identiteiten is Indiaas, en de inrichting Surinaams en Nederlands. Door middel van therapie ben ik het huis aan het herinrichten, en word zo weer verliefd op weggestopte delen van mezelf. Het is een geruststelling dat ik de warmte van familie kan opzoeken als ik die mis, en dat er altijd een pan met kip in masala klaarstaat.’
Tahrim Ramdjan: Wat zullen de mensen zeggen? Uitgeverij Pluim; 240 pagina’s; € 22,99.
De online documentaire ‘Ricky The Imposter’ van 3Lab is te zien via npo.nl.
De nazaten van Brits-Indische contractarbeiders in Suriname worden Hindostanen genoemd. Zij hangen niet per se de hindoeïstische religie aan. Onder deze etnische groep waren en zijn ook moslims en christenen. Hindoestanen – gespeld met ‘oe’ – zijn mensen met wortels in de Noord-Indiase regio Hindoestan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant