De Belgische Drie van deze Parijse modeweek, Marie Adam-Leenaerdt, Julie Kegels en Meryll Rogge, lieten met hun fantastische en slimme collecties zien dat de toekomst vrouwelijk is, al willen ze dat bij de grote modehuizen nog niet helemaal geloven.
Lisa Bouyeure schrijft voor de Volkskrant over internetcultuur en mode.
In haar zonnige showroom nabij Place de la République bladert modeontwerper Julie Kegels (26) door het boek waarop ze haar collectie Dresscode inspireerde. Het is een boek van Judith Price uit 1980, getiteld Executive Style – Achieving Success Through Good Taste And Design, en het staat vol foto’s van smaakvol ingerichte werkkamers, boardrooms en ontvangstruimtes, inclusief adviezen over wat de juiste stoelen, lampen, bureaus en accessoires zijn.
De Antwerpse Kegels, die vorige week woensdag voor de derde keer showde tijdens de modeweek in Parijs, vond het op een rommelmarkt in Los Angeles en was meteen geïntrigeerd door de manier waarop er in het boek naar succes wordt gekeken. Alsof het slechtst een kwestie is van een goed interieur aanschaffen en dan maar gaan zitten wachten. Kegels: ‘Price legt bijvoorbeeld uit welke houtsoorten je moet combineren in je kantoor, welke iconische stoel je er neer kunt zetten en welke kleur gordijnen krachtig oogt. Ze geeft zelfs advies over wat de beste pen is.’
Kegels begon na te denken over kleding en hoe de succesformule van Price daarop toepasbaar zou zijn. Wat kun je aantrekken als je wilt uitstralen dat je het hebt gemaakt? Een pak natuurlijk, een overhemd, in je vrije tijd een Barbour-waxjas of een duffelcoat. Misschien zo’n klassieke gebreide V-halstrui met Fair Isle-patronen, geliefd bij leden van het Britse koningshuis. In de jaren tachtig werden extreem brede schoudervullingen gebruikt om van een normaal pak een powersuit te maken. En vergeet ook zeker de Patagonia-bodywarmers niet waarin finance bro’s tegenwoordig de Zuidas onveilig maken. Zo zijn er allerlei kledingstukken die worden geassocieerd met het hebben van geld, maatschappelijke status of een geslaagde carrière.
In haar collectie vermengt Kegels verwijzingen naar dit soort draagbare succesindicatoren met de interieurtips uit Executive Style. Het resultaat is bijvoorbeeld een vloerlange, breedgeschouderde jurk in donkerbruin fluweel met knopen zoals die van de Chesterfield-bank. De modellen dragen tops en tassen gebaseerd op smaakvolle sierkussens en wikkelrokken van klassieke wollen dekens met zijdesatijnen bies. De houtsoorten die je volgens Price moet combineren, komen terug als dessins op een broek, blouse en een fantastische lakleren blazer met rok. Kegels ontwierp ook een variant op het Patagonia-logo, het outdoormerk waarin de laatste jaren toch vooral de kantoorjungle wordt getrotseerd. Hij prijkt op de trui die ze zelf draagt terwijl ze ieder kledingstuk uitgebreid toelicht.
De verschillende versies van de kokerrok bijvoorbeeld. Bij eentje is de bovenkant omgeslagen, waardoor de babyblauwe voering zichtbaar wordt en contrasteert met de strenge grijze buitenkant. Een andere kokerrok is weliswaar grijs maar allerminst streng, doordat hij is uitgevoerd in joggingpakkenstof met de tekst ‘training for the best taste award’ erop gedrukt. Een leren variant is gemaakt van een kapotte fauteuil. De leukste hebben een fotoprint van een designstoel erop, Kegels noemt het een soort camouflageprint. Volgens de filosofie van het boek Executive Style valt de persoon immers samen met het succesvolle interieur. Het model dat het verst van mens naar stoel is gemorpht draagt een T-shirt waar een laag witte schuimvulling onderuit piept, voorzien van de woorden ‘sit on me’.
De collectie van Kegels werd getoond op het podium van de Salle Cortot, een kleine maar legendarische concertzaal in art-decostijl, met muren van hout en beton. Een model in ondergoed opende de show. Ze nam plaats op een stoel waar een aantal kledingstukken overheen was gedrapeerd: wijde spijkerbroek, overhemd, grijze gebreide trui met V-hals. Ze trok de kledingstukken een voor een aan en verliet het podium. Aan het einde verscheen ze weer, in precies dezelfde outfit. Althans, zo leek het. Dit keer waren de spijkerbroek, het overhemd en de trui alleen geen losse kledingstukken, maar vermaakt tot een soort overall met een lange rits aan de achterkant. Succesvol aan je dag beginnen was nog nooit zo makkelijk.
In werkelijkheid heeft succesvol zijn iets meer voeten in de aarde dan de juiste items aanschaffen, dat wordt ook in de modewereld pijnlijk duidelijk. Vraag het aan alle gedesillusioneerde alumni van roemruchte academies die vorige week niet in Parijs waren maar ergens latte art stonden te maken. Toch is er wel een factor aan te wijzen die ontwerpers momenteel geen windeieren legt, alleen is die niet te koop: de Belgische nationaliteit.
Nooit was de vertegenwoordiging van Belgische ontwerpers in de Franse hoofdstad zo groot als nu. Nicolas Di Felice is creatief directeur bij Courrèges, Pieter Mulier bestiert Alaïa, de Belgisch-Italiaanse Anthony Vaccarello staat aan het roer bij Saint Laurent en Julian Klausner toonde vorige week zijn eerste collectie voor Dries Van Noten.
In januari werd bekendgemaakt dat Maison Margiela door Glenn Martens geleid zal worden, een maand eerder dat de Frans-Belgische Matthieu Blazy naar Chanel zou vertrekken. Christian Wijnants showt al jaren in Parijs. En dan heb je nog de niet-Belgen die hun opleiding genoten aan de Antwerpse Modeacademie of het Brusselse La Cambre, waardoor het Belgenschap toch een beetje op hen afstraalt.
Haider Ackerman bijvoorbeeld, die afgelopen woensdag zijn eerste collectie voor Tom Ford toonde, of Demna Gvasalia van Balenciaga. Even ter vergelijking: Nederland heeft zes miljoen meer inwoners dan België maar er staan nul Nederlandse creatief directeuren aan het hoofd van zo’n iconisch huis dat showt tijdens de Parijse modeweek. Al gaat het gerucht dat Duran Lantink binnenkort benoemd zal worden als creatief directeur bij Jean Paul Gaultier.
Een ongemakkelijke waarheid is dat niet alleen Nederlanders het afleggen als het gaat om dit soort posities, maar ook vrouwen. Het kritische Londense modeplatform 1Granary publiceerde vorige maand een treurigstemmend artikel over de huidige genderongelijkheid in de modewereld. Ouderwets turfwerk en een rondgang langs de academies had de volgende cijfers opgeleverd: hoewel 74 procent van de modestudenten vrouw is, geldt dat maar voor 12 procent van de creatief directeuren bij de grote modehuizen.
Daarom is het zo fijn dat er in Parijs ook een andere trend valt te bespeuren: jonge Belgische vrouwen zoals Julie Kegels die deze dynamiek omzeilen door hun eigen labels te beginnen. Vorige week dinsdag showde Marie Adam-Leenaerdt (28) haar collectie. Merryll Rogge (40) staat al een aantal jaar op het programma van de modeweek maar had afgelopen zondag haar eerste catwalkshow. Het Antwerpse moeder-dochterlabel Bernadette, van Bernadette (60) en Charlotte de Geyter (32) debuteerde donderdag buiten het officiële schema om. Het Brusselse, maat-inclusieve label Ester Manas, van de Franse Ester Manas (33) en haar Belgische echtgenoot Balthazar Delepierre (32), sloeg een seizoen over maar wordt alom geroemd.
Hoe komt het toch dat Belgische ontwerpers zo in trek zijn? Op het terras van een Parijse bistro, tussen de shows van Dries Van Noten en Julie Kegels in, geeft Josephine Dapaah antwoord op deze vraag. Dapaah woont in Brussel en is modejournalist bij de Vlaamse krant De Standaard. ‘Belgisch zijn is in de mode een soort keurmerk, een kwaliteitslabel. Deels is dat natuurlijk terecht, maar toch, vóór de jaren tachtig bestond dat idee nog helemaal niet. België was een woestijn. Er was niets wat de internationale modewereld belangrijk genoeg vond. En er werd al helemaal niet gesproken van iets als een ‘Belgische signatuur’.’
Dat veranderde met de opkomst van de Antwerpse Zes, een wereldberoemd geworden groep ontwerpers bestaande uit zes alumni van de Antwerpse modeacademie: Dries Van Noten, Dirk Van Saene, Marina Yee, Walter Van Beierendonck, Ann Demeulemeester en Dirk Bikkembergs. In 1986 togen ze gezamenlijk naar Londen om hun vernieuwende collecties te tonen, en trokken ze internationaal de aandacht. Belgische mode was ineens iets waarover enthousiast werd gepraat.
Maar wat zijn dan de kenmerken van Belgische mode? Dapaah: ‘Ik denk dat er nooit iets is geweest als een esthetische schriftuur. De Antwerpse Zes hadden met elkaar gemeen dat ze baanbrekend waren, maar qua vormentaal waren ze erg verschillend. Wat Belgische modemakers denk ik vooral typeert is dat ze een verhaalwereld uitbouwen. Aan de afstudeershows van de Antwerpse academie merk je ook dat studenten worden aangemoedigd om een kosmos te creëren. Het is wat conceptueler. Makers zijn sterk beïnvloed door onze kunstgeschiedenis, door stromingen als het surrealisme en het deconstructivisme, of door de readymades van avantgardisten. Niet in letterlijke zin maar je ziet het bijvoorbeeld terug in de technieken die ze gebruiken of de intellectuele logica achter hun werk.
Martin Margiela is zo’n beetje de belichaming van Belgische mode geworden. In 1988, ongeveer tegelijk met de opkomst van de Antwerpse Zes, richtte hij zijn Maison Martin Margiela op. Hij vond upcycling als hoogstaande ontwerptechniek zo’n beetje uit, met kledingstukken gemaakt van serviesscherven of aan elkaar genaaide merklabels. Dessins maakte hij door stoffen te laten beschimmelen.
Dat hij jarenlang anoniem wist te blijven – Margiela gaf geen interviews en kwam nooit het applaus in ontvangst nemen na zijn shows – versterkte de mythe van de ongrijpbare intellectueel in een wereld die soms enkel om de buitenkant lijkt te draaien. Ook zijn modellen liepen vaak gemaskerd of anderszins onherkenbaar over de catwalk. Zijn werk was te moeilijk om de massa aan te spreken, dat gaf het een vorm van exclusiviteit die veel verder ging dan alleen een hoge prijs. Naast geld om het te kopen had je ook cultureel kapitaal nodig om het te wíllen kopen.
Margiela keerde de mode in 2008 de rug toe om zich op de autonome kunsten te storten, maar zijn imago straalt nog altijd een beetje af op zijn landgenoten in de mode. Als een Amerikaan of Italiaan een model de catwalk op stuurt met een openstaande rits ben je geneigd te denken dat er haast in het spel was. Bij een Belg vermoed je sneller een tot in de puntjes uitgedacht deconstructivistisch concept. Misschien verklaart dat de huidige populariteit van Belgische ontwerpers in Parijs. Nu beroemdheden op de eerste rij evenveel aandacht krijgen als de creaties op de catwalks, groeit het verlangen naar diepgang. Trends zijn voorbij zodra je met je ogen hebt geknipperd, het is logisch dat er behoefte is aan iets substantiëlers, aan een verhaal.
Marie Adam-Leenaerdt werd door onder andere Vogue en W Magazine al in de traditie van Margiela geplaatst, vanwege haar conceptuele denkwijze, oog voor goed kleermakerswerk en het gebruik van deconstructivistische technieken. Bij haar show afgelopen dinsdag, in een oude keramiekfabriek in het tiende arrondissement, voelt die vergelijking terecht. Zelfs de modellen, die bij sommige ontwerpers toch vooral de functie van vleesgeworden kleerhanger hebben, zagen er bij Adam-Leenaerdt opvallend autonoom en nadenkend uit, een noemenswaardig aantal had zowaar rimpels.
De eerste veertien modellen droegen sculpturale kledingstukken in grijs wolvilt, van muisgrijs tot antraciet. De vorm van het vrouwelijk lichaam was voor kennisgeving aangenomen maar had geenszins als leidraad gediend. Schouders waren uitvergroot en tailles onzichtbaar gemaakt. Een wijduitlopende rok was er ook in omgekeerde vorm: smal ter hoogte van de knieën en bovenaan breder dan de armen. Bij sommige outfits werd het minimalistische grijs doorbroken door een ingetogen coupenaad of een knoopsgat hier en daar, maar verder spraken de silhouetten voor zich.
Verderop in de show kwamen de silhouetten terug, gedragen door dezelfde modellen, maar nu als verder uitgewerkte kledingstukken, met knopen, revers, epauletten en zakken. Ook het kleurenpalet was uitgebreid, al had Adam-Leenaerdt het ingetogen gehouden, met als uitschieters een beetje geel, wat blauw, een luipaardprint en drie tafelkleedachtige bloemendessins, waarvan er een regelrecht van een Provençaalse markt leek te komen. De uiteinden van mouwen waren voorzien van franjes. Rugpanden hadden op de middennaad grappige splitjes gekregen die een kijkje boden op de stof eronder: het grijze wolvilt van de sculpturale varianten waarmee de show opende. Alles begint bij een vorm, een gedachte, solide kleermakerswerk, leek de ontwerper te willen zeggen.
De bloemendessins van Adam-Leenaerdt hadden niet misstaan in de collectie van Meryll Rogge, die afgelopen zondag haar eerste catwalkshow in Parijs had. Rogge was weliswaar niet uitgegaan van tafelkleden, maar van ouderwets behang. Toch houden de visuele gelijkenissen tussen de twee hier zo’n beetje op. Rogges collectie was kleurrijk en grappig, met volumineuze kledingstukken van doorgestikte voeringstof, satijnen pumps met volants, vervreemdende verhoudingen en stukjes overhemd die nonchalant onder truien en spencers vandaan piepen. Een mannelijk model droeg een lichtblauw hemd met meisjesondergoedstrikje, zijn geruite boxershort was deels zichtbaar door een geopende kruisflap in zijn grijze pantalon.
Wat de Belgische Drie van deze modeweek lieten zien, Rogge, Adam-Leenaerdt en Kegels, naast hun fantastische en slimme collecties natuurlijk, is dat het zoeken naar een gedeelde Belgische esthetiek een zinloze exercitie is. En dat de toekomst vrouwelijk is, al willen ze dat bij de grote modehuizen nog niet helemaal geloven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant