Home

Terugblik op Afrika-fotografie met westerse blik: ‘Ik was in de greep van afropessimisme’

Dertig jaar lang fotografeerde Pieter van der Houwen in Afrika – en dertig jaar lang hielp hij daarmee stereotypen in stand te houden, begon hij op latere leeftijd te beseffen. Nu is er zijn fotoboek The Complicit Camera, ‘de medeplichtige camera’, over het voortschrijdend inzicht dat hij opdeed.

is redacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.

Pieter van der Houwen (65) was student fotografie op de Academie St. Joost in Breda toen hij in 1985 uit een schare gegadigden werd uitverkoren om te worden uitgezonden naar Afrika. In de geest van ‘reaganomics’ – het door de reactionaire Amerikaanse president Reagan bepleite vrijemarktdenken – waaide een nieuwe wind door de westerse ontwikkelingshulp: trade, not aid, handel, geen hulp. De vrije markt ging de wereld redden.

Van der Houwen mocht voor een publicatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken fotograferen hoe die neoliberale koerswijziging gestalte kreeg. En zonder het te beseffen zwom hij toen in een fuik waaruit hij decennialang niet meer zou ontsnappen. De fuik die hij het white saviour complex noemt: de ontwikkelde westerling moet het arme, achtergebleven Afrika redden.

Kuifje in Afrika

Van der Houwen: ‘Analoge fotografie was een dure aangelegenheid, ik kocht als student twee filmrolletjes per keer. Maar voor de opdracht van het ministerie kwam ik met tweehonderd rolletjes naar Schiphol, voor zes weken reizen door Afrika en Azië.’ Kuifje in Afrika voelde hij zich, vertelt hij online vanuit zijn woonplaats Glasgow; verder dan Zuid-Frankrijk was hij nooit van huis geweest. En nu zomaar, begeleid door een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken, op avontuur langs ontwikkelingsprojecten.

In Zimbabwe maakte hij in een taxi in het Engels een praatje met de chauffeur. ‘Toen stapte de ambtenaar in. Ze begon, tot mijn verbazing, tegen hem te brabbelen in een kindertaaltje – en de chauffeur stapte over op datzelfde taaltje. Nadat we waren uitgestapt, legde zij, een vrouw die accentloos BBC-Engels beheerste, me uit dat ‘ze dat beter begrijpen’. Ik dacht: Wie zijn ‘ze’? Het voelde ongemakkelijk, maar in de opwinding van de reis liet ik het begaan.’

En zo zwom de 25-jarige in die fuik – hij schrijft er prachtig over in zijn recente boek The Complicit Camera, ‘de medeplichtige camera’. De eerste locatie waar hij de zegeningen van de vrije markt onder ogen zou krijgen, was bij de Nederlandse vrachtwagenfabrikant Daf in Harare. Zo begon een dertigjarige loopbaan die hem overal op het continent zou brengen. Redder van door honger, geweld en ziekten geteisterde Afrikanen, een idealistische fotograaf met een hippe, artistieke stijl die het in Nederlandse en Angelsaksische magazines uitstekend deed.

Afro-pessimisme

Van der Houwens ongemak bij het lichtelijk racistische incident in de taxi verdween op de achtergrond, maar dat hij het zich decennia later nog herinnert, zegt iets over de ambivalentie waarmee hij, terugblikkend, de westerse, en daarmee ook zijn eigen bemoeienis met Afrika beschouwt. Hoe nuttig is onderwijs op het Afrikaanse platteland, als er voor kinderen na school geen mogelijkheid is om zich maatschappelijk te ontplooien? Sluiten westerse opvattingen over ontwikkeling wel aan bij de Afrikaanse? En hoe zuiver was zijn eigen rol bij de beeldvorming over Afrika? Medeplichtig, noemt hij zich nu: aan het in stand houden van stereotypen, doemscenario’s om de noodzaak van hulporganisaties te stutten en kritiek op hun werkwijze af te poeieren.

‘Al bij mijn eerste reis zag ik dat het leven oneindig dynamisch en veelzijdig is, en dat de Afrikanen enorm veerkrachtig zijn. Maar ik was in de greep van afropessimisme: wij bekijken het continent vanuit negativiteit, met vooral oog voor de catastrofes. We schetsen in de media vaak twee uitersten: de nobele Masaikrijger of de eeuwige combinatie van aids-honger-oorlog. De nuance daartussen krijgt in de fotografie nauwelijks ruimte.’

In The Complicit Camera fileert Van der Houwen genadeloos zijn professionele bezigheden, zijn motieven en ook zijn opportunisme ten gunste van eigen inkomen en de opdrachtgever. Hij blikt aan de hand van de foto’s terug op hun totstandkoming, op de clichés over Afrika die hij mede in stand hield, en, vooral, de dikwijls pijnlijke bejegening van de mensen die voor hem poseerden.

Westerse beeldvorming

Aan de totstandkoming van het boek – ‘Het is geen biecht, het is een reflectie’ – is een trage weg van bewustwording voorafgegaan. Samenwerking met lokale fotografen en journalisten bracht hem geleidelijk, maar soms met een schok, inzicht in zijn soms opportunistische omgang met Afrikanen. En leerde hem hoe het wél kon op basis van gelijkwaardigheid. Zo vond hij de uitgang uit de fuik die veel westerse fotojournalisten in Afrika gevangen houdt. Contacten met het maatschappelijk betrokken magazine Colors van het Italiaanse kledingmerk Benetton en de visionaire reclamemaker annex fotoverzamelaar en -boekenmaker Erik Kessels (van communicatiebureau KesselsKramer) scherpten zijn overtuiging dat hij de westerse beeldvorming van Afrika op academisch niveau moest onderzoeken.

Van der Houwen schreef er in 2012 een masterdissertatie over aan de Universiteit van Glasgow. ‘Gek genoeg besteedde ik daarin geen letter aan mijn eigen fotografie.’ Vervolgens zou hij promotieonderzoek doen naar de culturele, economische en politieke effecten van de Afrikaanse diaspora. Maar een ernstige ziekte dwarsboomde dat. Het thema liet hem evenwel niet los. ‘Ik was erachter gekomen dat alleen in 2011 Afrikaanse migranten in Europa, Azië en de VS al 180 miljard dollar via gangbare kanalen hebben overgemaakt naar hun thuisland. En dat is nog zonder de geldstromen die buiten het zicht blijven. Drie keer meer dan alle ontwikkelingshulp bij elkaar. Dat relativeert de politieke discussie over ontwikkelingsgelden behoorlijk.’

Hij herstelde van de ziekte, schoof zijn promotie terzijde en werkte in 2014 met KesselsKramer opnieuw aan een tijdschrift – een klus die ertoe leidde dat hij zijn enorme, niet altijd even georganiseerde analoge archief met negatieven, dia’s en prints moest doorploegen. ‘Dat was het moment waarop ik me ten volle realiseerde dat ik zelf medeverantwoordelijk was voor de frustratie die ik al die jaren had gevoeld bij de eenzijdige berichtgeving over Afrika. Ik viel van mijn stoel bij wat ik aantrof: ik was deel van het probleem. Toen ik dat inzicht deelde met Erik Kessels en opperde een boek te maken, riep hij meteen: ‘Dat moet je doen.’’

The Complicit Camera liep vertraging op als gevolg van de pandemie, maar uiteindelijk heeft het dan het levenslicht gezien, een boek vol pijnlijke, leerzame en soms komische analyses, dat zich ook laat lezen als een les in bescheidenheid. Van der Houwen benadrukt hoe belangrijk het voor hem is dat het in het Engels is verschenen. ‘Zo kan iedere Afrikaan die ik heb ontmoet het lezen.’

Vijf ongemakkelijke voorbeelden uit Van der Houwens Afrika-archief.

Geïr­ri­teerde onderwijzer, Oeganda (2001)

‘Ik bezocht onaangekondigd een plattelandsschool in Oeganda met een ngo-medewerker. Omdat zijn organisatie de school financierde, kregen we onmiddellijk onbeperkt toegang. Ik zou fotograferen ter ondersteuning van sponsorwerving. De projectmanager eiste dat ik een heel specifiek beeld zou maken: een zwarte onderwijzer, een zwarte leerling, een schoolbord, samen op een foto.

‘Nadat ik die had gemaakt, wilde ik op het schoolplein een opname maken van de onderwijzer omringd door leerlingen. De ngo’er probeerde zonder succes als een regisseur iedereen een dankbare glimlach op het gezicht te laten plooien. Ik merkte toen al dat de onderwijzer geïrriteerd was: zonder overleg was zijn les door ons verstoord en nu stond er een witte fotograaf op een ladder boven iedereen uit. Wat opvalt, is dat ook geen van de kinderen lacht. Geen idee waarom dat zo is.

‘Op westerse scholen is het ondenkbaar dat een fotograaf zonder toestemming van ouders aan de slag gaat, zonder begrenzingen of duidelijke afspraken over de context van de publicatie. Daarvan was geen sprake. De foto werd uiteindelijk door de ngo geweigerd, omdat hij niet vrolijk genoeg was.’

Kindsoldaten in Noord-Oeganda (2002)

‘Ik werkte met een collega aan een reportage over een groot bedrag aan contant geld dat vanuit Amsterdam-Oost naar Atua in Noord-Oeganda zou worden overgebracht: een verhaal over hoe die cash de gemeenschap daar ten goede zou komen. Maar ter plekke bleek het te gevaarlijk: we zaten in de buurt van Congo, in het gebied waar bloeddiamanten worden gewonnen. Einde verhaal.

‘Mijn collega kende een gevangenis in de buurt waar met Nederlands hulpgeld een vrouwenafdeling werd gerenoveerd. Omdat we onze reis toch wilden laten renderen, gingen we er naartoe, en kregen van de directeur een uur om vrouwen te fotograferen. Alle protocollen die ik bij een klus als deze normaal wel volgde – kennismaken, mezelf introduceren, mijn bedoelingen uitleggen, toestemming vragen – maakte ik ondergeschikt aan een succesvolle reis. Het leverde prachtige portretten op, die ik veel heb verkocht. Terwijl ik die vrouwen alleen maar heb gebruikt voor esthetische en commerciële doeleinden. Zij hebben er niets aan gehad.

‘Anders ging het in 2003, toen Colors een special maakte over slavernij, waarvoor ik een serie maakte over 13- tot 16-jarige kindsoldaten in een rehabilitatiecentrum in Gulu. Ze waren ontsnapt aan het leger van de krijgsheer Joseph Kony. Ik werkte er samen met de Oegandese journalist Dennis Dibele, die de interviews zou doen. Bij binnenkomst merkte ik dat er een diep wantrouwen heerste onder de jongeren. Niet vreemd, want de meesten zijn zwaar getraumatiseerd door wat ze in de LRA, Kony’s leger, hadden meegemaakt.

‘Het was Dennis die me leerde hoe je hun vertrouwen kon winnen. Op zijn voorstel kochten we een voetbal en Coca-Cola, zodat we de jongens rustig zouden leren kennen. Vier van de vijf dagen die we er doorbrachten, heb ik geen foto gemaakt. We praatten alleen met een drankje erbij, en voetbalden, en pas toen heb ik mijn portretten gemaakt. In tegenstelling tot mijn vroegere foto’s, zijn deze allemaal voorzien van hun naam. Daar, en vooral door Dennis, heb ik geleerd hoe je mensen met meer respect behandelt. Overigens knaagt ook nu de vraag wat de jongens zijn opgeschoten met de publicatie in Colors. Voor hen veranderde er niets.’

Vrouw in Caïro (1992)

‘Ik maakte deze foto, een uit mijn vroege jaren, in Caïro voor een serie over het spitsuur in Egypte. Hij voldoet mooi aan de eisen van de modefotografie in de jaren tachtig, negentig: weinig scherptediepte, zodat alleen de vrouw scherp is en de omgeving juist vaag. Ik liet de dia’s ontwikkelen alsof het negatieven waren: een laboratoriumtruc waardoor die bijzondere kleurstelling ontstaat.

‘Die beperkte scherptediepte komt door het gebruik van een onopvallende spiegellens van 7 centimeter, die hetzelfde bereik heeft als een 300mm-telelens. Ik fotografeerde deze vrouw ongevraagd, van een afstand. Maar je ziet dat ze me doorheeft en kwaad is. Toen haalde ik mijn schouders erover op – je moet als jonge fotojournalist een beetje brutaal zijn, toch? Maar nu voel ik me een paparazzo, door die lens suggereerde ik intimiteit, een nabijheid die er helemaal niet was. Ik heb de foto verkocht aan een hip magazine in Amsterdam.

‘Wat later maakte ik nog zo’n ongewenst intieme foto, in Senegal van een vrouw met kind op de rug. Een voetbalcoach, die aan de rand van het veld aan het werk was. Zij kijkt woest in de lens. Nu zou ik die foto nooit meer hebben gemaakt zonder haar naam te hebben gevraagd. Door die foto, in de iconografie van madonna met kind, ging ik ook inzien dat in veel van mijn vroege Afrikaanse werk mensen figureren die iets tillen op hun hoofd of een kind op de rug dragen: clichés. Toen ik me realiseerde hoe fout deze foto’s waren, heb ik die telelens nooit meer gebruikt.’

Tegla Loroupe met haar familie, Kenia (1999)

‘Deze foto van marathonloopster Tegla Loroupe maakte ik voor het boek Het zout van Afrika (2001, Arbeiderspers). Het gaat over de verantwoordelijkheid die succesvolle Afrikaanse sporters voelen voor hun gemeenschap. ’s Ochtends fotografeerde ik Loroupe, die in 1994 en 1995 de marathon van New York had gewonnen, en daarna nog veel meer, in Kapenguria. In dat stadje was ik erbij toen ze het jaarlijkse schoolgeld betaalde voor alle leerlingen van de lokale school.

‘’s Middags waren we uitgenodigd voor de lunch bij haar familie in de heuvels van Kapsait: twee stenen huizen en een paar hutten. Op de een of andere manier riep die setting bij me op dat ik hier in zwart-wit moest fotograferen. Het deed me denken aan het beroemde werk van Dorothea Lange en Walker Evans, die in de Grote Depressie van de jaren dertig de bittere armoede op het platteland in de Verenigde Staten hadden gefotografeerd.

‘Ik was geconditioneerd door hun documentaire stijl. Mijn foto kreeg enorm veel waardering, maar nu besef ik dat ik door die referentie aan de iconische foto’s commercieel heb gescoord, terwijl het eigenlijk een leugen is. Ik heb het familieportret naar vroeger verplaatst en een armoede gesuggereerd die er niet was.’

Basketballers in Liberia (1999)

‘Deze foto heb ik gemaakt kort nadat ik in Los Angeles voor Het uur van de wolf een filmportret van fotograaf Dana Lixenberg had geregisseerd. Zij werkte aan haar nu beroemde boek en documentaire Imperial Courts, een socialewoningbouwproject in de zwarte wijk Watts. Ik was onder de indruk van hoe zij contact maakte met de wijkbewoners, hoeveel geduld en respect ze had. Ze is echt een voorbeeld voor me geweest. In Monrovia in Liberia fotografeerde ik deze basketballers – een fijne snapshot die overal in Afrika, maar ook in Los Angeles zou kunnen zijn gemaakt. Met deze foto ben ik daarom blij, maar de redactie waar ik hem aanbood weigerde hem, omdat hij niet Afrikaans genoeg was. Nu denk ik: het is juist zo’n mooi voorbeeld van globalisering.’

De Afrikaanse diaspora in beeld

Tegenwoordig richt Pieter van der Houwen zich met zijn fotografie vooral op de diaspora van Afrika over de wereld. Het laatste hoofdstuk van The Complicit Camera is gewijd aan de Afrikanen die zijn uitgezworven en vanuit hun nieuwe land de plaatselijke economie in Afrika ondersteunen. Zo was hij in de Chinese metropool Guangzhou, waar 300 duizend Afrikanen wonen en werken, als handelaar, in de im- en export, of als (mede)uitbater van cafés en restaurants.

‘Het was bevrijdend om in die Afrikaanse gemeenschap in China te vertoeven. Het is een welvarende gemeenschap waar dagelijks 40 tot 50 miljoen dollar wordt gespendeerd. Er hangt een ontspannen, positieve sfeer.

Ik vroeg eens – oude reflex van de westerse heiland – aan een Nigeriaan of hij geen last had van het racisme van de Chinezen. Zijn antwoord vond ik interessant: ‘Ja, ze zijn racistisch. Als ik in Europa ben, is dat minder duidelijk, daar word ik altijd paranoïde. Hoe Afrikanen daar worden bejegend, werkt me op de zenuwen.’ Nog een verschil tussen China en Europa: de Afrikaan die in Guangzhou wil werken, heeft in één dag een visum geregeld. Een visum voor Europa kan hij natuurlijk wel vergeten.’

Het magazine Zam heeft onder de naam African Tabloid een special gewijd aan Pieter van der Hoevens fotografie over de Afrikaanse diaspora. Met (vooral) foto’s op fors formaat besteedt het aandacht aan de culturele en economische aspecten van transnationale migratie. De foto’s zijn gemaakt in China, Nigeria, Zuid-Afrika en New York, waar in Staten Island een negenduizend zielen tellende Liberiaanse gemeenschap is gevestigd. Het blad uit 2016, met een verrassende, frisse blik op migratie, is samengesteld en vormgegeven door Erik Kessels. (Te koop voor € 9,90, via zammagazine.com/store)

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next