Home

Bob Mouw: ‘We wilden onze kinderen niet naar een kostschool sturen, dan krijg je ze gedrild terug’

Bob Mouw is 100 jaar. Hoe kijkt deze teruggekeerde emigrant naar de eeuw die achter hem ligt?

Bob Mouw

Geboren: 13 januari 1925 in Bussum
Woont: zelfstandig, in Zeewolde
Beroep: tropisch landbouwkundige
Familie: drie kinderen, zes kleinkinderen, vier achterkleinkinderen
Weduwnaar sinds 2023

Bob Mouw is een slimme techneut die gedetailleerd en vol vuur kan vertellen hoe je elektra aanlegt, een auto repareert en hoeveel watt er op zijn boxen staat (vrij veel). De in welstand opgegroeide 100-jarige koos beroepsmatig een andere weg dan de techniek, die hem naar het toenmalige Nederlands-Indië en Zuid-Rhodesië bracht. Na acht uur bijna non-stop vertellen over zijn avonturen de afgelopen eeuw – maaltijden overslaand – is hij nog lang niet uitgepraat.

Wat voor kind was u?

‘Een lastig jongetje dat niet kon stilzitten in de klas, altijd zat te kletsen, net zoals nu. Ik lette niet op en zat scheef in de bank. Het was een drukte in de klas, met 40 à 45 leerlingen. Thuis prutste ik met radio’s en maakte van alles, zoals kristalontvangers en telefoons. Op de hbs was ik beter in talen dan in exacte vakken, dus ging ik niet de techniek in.’

In wat voor milieu bent u opgegroeid?

‘Welgesteld, we woonden in een elitebuurt in Bussum. Ik was 8 of 9 jaar toen we verhuisden naar een groter huis aan de overkant, van een adellijke dame. In haar villa zat een handbediende lift, heel uitzonderlijk voor die tijd. Mijn vader liet hem eruit halen omdat hij het te gevaarlijk vond met jonge kinderen.

‘In de buurt woonden de vijf broers Duys, Willem zou later een bekende muziekproducent en radio- en televisiepresentator worden. De broers begonnen toen ze jong waren, nog voor de oorlog, een eigen circus op een leegstaand terrein in Bussum. Ze deden alles zelf. Wimpie was muzikaal zeer begaafd, en autodidact. Hij kwam vaak bij ons pianospelen, omdat ze die thuis niet hadden. Zijn moeder belde ons op: ‘Mevrouw Mouw, is Wimpie bij jullie? Ik krijg bericht van school dat hij niet is komen opdagen.’

‘We zongen veel thuis. Mijn moeder was afgestudeerd concertzangeres, maar heeft nooit opgetreden, waarom is altijd een geheimzinnig verhaal gebleven. Mijn vader werkte als aannemer in het bedrijf van zijn vader, die een groot deel van Hilversum heeft gebouwd. In de crisisjaren ’30 verloor hij zijn werk, gelukkig kon hij als vertegenwoordiger aan de slag bij Venco, de dropfabriek van zijn schoonvader in de Jordaan in Amsterdam. We gingen als kinderen weleens mee, en mochten dan zo veel dropjes eten als we wilden.

‘In oorlogstijd was ons grote huis een goede schuilplaats, ik heb er de laatste twee oorlogsjaren heel wat tijd verstopt gezeten om niet opgepakt te worden voor tewerkstelling in Duitsland. Boven de ingebouwde kasten was een loze ruimte waar je vanaf de zolder in kon komen. We hadden er een matras en dekens in gelegd. Als de Duitse politie met de kolf van hun geweren tegen de voordeur bonkten om huiszoeking te doen, deed mijn moeder of zusje heel traag open, zodat mijn jongere broer en ik de tijd hadden om ons te verstoppen.’

Hoe was de stemming in Nederland na de oorlog?

‘Er was weinig optimisme. Emigratie naar landen als Canada en Australië kwam op gang, in die trend ben ik meegesleurd. Ik zag kansen in Nederlands-Indië en ging naar de Middelbare Koloniale Landbouwschool in Deventer, een uiterst praktische opleiding – ik heb er de gekste dingen geleerd. Het begon al met het timmeren van de banken en stoelen voor de klaslokalen – de Duitsers hadden alles opgestookt. Ik leerde elektra aanleggen, bouwtekeningen maken, tropische hygiëne, autotechniek – dat zou mij later nog van pas komen. Maar ook dierkunde, plantkunde, stekken en enten, en drie talen: Maleis, Javaans en Soendanees. De directeur van de opleiding, Dirk Jan Duijnhouwer, was een geliefd man. Toen hij met pensioen ging, kreeg hij als afscheidscadeau een rondreis langs oud-studenten. Mij bezocht hij in Zuid-Rhodesië.’

Hoe waren uw jaren als emigrant?

‘In totaal ben ik tien jaar weg geweest, eerst een aantal jaren in Nederlands-Indië en daarna, met een tussenstop in Nederland, in Zuid-Rhodesië. Op Sumatra begon ik bij een onderneming van 12 duizend hectare; een fabriek bij een plantage waar palmolie werd geperst. Het was mijn taak toe te zien op het persen.

‘Ik werkte op een rubberplantage toen Indonesië onafhankelijk werd. De baas vroeg mij die dag een toespraak te houden voor het personeel, zoiets had ik nog nooit gedaan. Op de verzamelplaats ging ik op het spreekgestoelte staan, de Indonesische vlag werd gehesen en in mijn gebroken Maleis riep ik: ‘Broeders en zusters!’ De mensen schreeuwden: ‘Hoera!’ Ik stond te bibberen in mijn schoenen en vervolgde: ‘Vandaag is een grote dag!’ Weer enthousiast geschreeuw. En zo sloeg ik nog wat wilde kreten uit.

‘Na vier jaar Nederlands-Indië werd ik begin 1953 met verlof gestuurd. Ik besloot niet terug te keren. Tot december 1954 ben ik in Nederland gebleven. Op een verjaardag ontmoette ik Jetty, we werden verliefd en trouwden in november dat jaar.

‘Wat moest ik in Nederland? Met mijn opleiding kon ik leraar worden, dat trok mij niet. Ik ging naar Duijnhouwer in Deventer. ‘Kijk maar op het mededelingenbord, daar staan vacatures voor farm manager in Zuid-Rhodesië’, zei hij. Ik besloot te solliciteren, dat liep via de Emigratiedienst in Den Haag. Boeren die wilden emigreren, moesten eerst een paar maanden boerenwerk doen in Nederland. Ik was geen boer, maar werd naar een bedrijf vlak bij De Biesbosch gestuurd, waar ik suikerbieten moest koppen. We sliepen in kooien in een barakkenkamp. Van het loon kon ik net de treinreis naar huis betalen.

‘Eind 1954 vloog ik naar Salisbury, de hoofdstad van Zuid-Rhodesië, tegenwoordig Zimbabwe. Jetty ging niet mee, want zij moest haar opleiding voor verpleegkundige nog afmaken. Ze zou zeven maanden later volgen. Ik werd farm manager bij de heer Conway, een dikke Ier met een rooie kop, die maïs verbouwde, mooie dikke witte korrels. Als jochie had hij in Ierland bittere armoede gekend en was tijdens een hongersnood met zijn broer vertrokken naar Zuid-Rhodesië, een kolonie van de Engelsen. Daar had hij zichzelf een stuk grond toegeëigend.’

Was Zuid-Rhodesië een cultuurschok voor u?

‘Het was er totaal anders dan Nederlands-Indië, waar ik mij veel meer op mijn gemak voelde. Na zeven maanden heb ik Conway gezegd: ‘Ik heb er geen zin meer in, ik vertrek.’ Ik vond dat ik te weinig betaald kreeg en de werksfeer beviel mij niet. Conway liep met een stok achter de zwarten aan die het werk op het land deden, en mepte ze, terwijl ik met ze moest werken. ‘Dit heeft geen zin’, zei ik, maar hij luisterde niet. Ik had geen behoefte aan die nare manier van omgaan, hij was echt koloniaal bezig.’

Hoe verging het uw vrouw in Zuid-Rhodesië?

‘Mijn vrouw heeft deze periode gehaat, het was geen land voor Europese vrouwen. Ik was de hele week onderweg in mijn landrover en kwam alleen in het weekend thuis. Onze eerste buren woonden honderd meter verderop. We hadden een mooi huis in de oostelijke highlands. In het eerste jaar werd onze oudste dochter geboren. Jetty zorgde voor haar, maakte kleertjes, schreef brieven naar Nederland en probeerde wat groente te verbouwen.

‘Een keer in de maand gingen we naar de stad om boodschappen te doen. Mijn vrouw had het moeilijk en werd steeds stiller. Na vier jaar had ze er genoeg van en zijn we teruggekeerd naar Nederland, met inmiddels twee kinderen – er zouden er nog twee volgen. Een rol speelde ook dat we onze kinderen daar niet naar een kostschool wilden laten gaan, dan krijg je ze gedrild terug.

‘In Nederland ben ik gaan werken in de handel in diervoeding, ik reisde veel, naar landen als Engeland, Duitsland, Frankrijk en één keer naar Canada.’

Vond u het jammer dat er een einde kwam aan het emigratie-avontuur?

‘Ik had toen al het voorgevoel dat het mis zou gaan in Zuid-Rhodesië. Een kennis die wel was gebleven, is begin deze eeuw van zijn land verjaagd. Hij kwam in Nederland aan met alleen de kleren aan zijn lijf, was alles kwijt. Gevoelsmatig begreep ik dat de zwarten vonden: dit is ons land. Het klopt dat zij en hun land zijn uitgebuit. Het koloniaal bewind is gunstig geweest voor de kolonisator, niet voor de mensen die er oorspronkelijk woonden. Nu mogen ze het zelf doen. In een land als India is de dekolonisatie goed uitgepakt, ze kunnen alles zelf, tot raketten produceren aan toe.’

U vertelde dat uw kennis van autotechniek u nog van pas kwam

‘In Zuid-Rhodesië strandde ik met mijn landrover in een rivier die ik wilde oversteken. Wat doe je dan? Door mijn opleiding in Deventer wist ik wat ik moest doen. Eerst keek ik of de benzine nog bij de motor kon komen. Dat was het niet. Ik opende de carburateur, die bleek vol zand te zitten; ik maakte hem schoon en de motor liep weer.’

Heeft u weleens gedacht: achteraf had ik een andere keuze moeten maken?

‘Nu ik oud ben, denk ik soms: ik had radiomonteur moeten worden. Als kind was techniek mijn passie, maar op school had ik een talenknobbel. Door mijn werk is mijn Engels zo goed geworden, dat ik er zelfs in droom. En ik heb er nog steeds voordeel van: ik vermaak mij met het lezen van Engelse en Amerikaanse boeken op mijn e-reader.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next