Journalisten zijn gek op sociologen. Op basis van vragenlijstjes met minder respondenten dan vragen, weten die altijd wel iets te produceren dat tot nieuws kan worden opgeblazen. Zo ook de Tilburgse socioloog Quita Muis, van haar proefschrift over polarisatie werd een olifant gemaakt. In haar onderzoek ontdekte zij dat de polarisatie tussen hoger en lager opgeleiden helemaal niet groter wordt, maar aangezien je daarmee de publiciteit niet haalt, zocht en vond men een geschikte spijker op laag water: hoger opgeleiden lijken onderling meer op elkaar dan lager opgeleiden!
Floor Rusman rekende vorige week in NRC al overtuigend af met dit staaltje hoogopgeleide fophef. Muis’ onderzoek gaat namelijk alleen over culturele thema’s en niet over economische, terwijl hoger opgeleiden op dat gebied wel degelijk met elkaar verschillen. Dat na de ontkerkelijking hoger opgeleiden op culturele thema’s meer op elkaar zijn gaan lijken, is een open deur van jewelste, maar niet voor Margriet Oostveen, die eerst voor deze krant en daarna voor De Correspondent de rancuneuze ranja aanlengde. Zie je wel, hoger opgeleiden zijn allemaal dezelfde moreel verheven klootzakken!
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.
Graag geef ik de weerlegging van Rusman hier nog een staartje. Allereerst de dominantie van hoger opgeleiden in de politiek, die enorm zou zijn toegenomen. Oostveen constateert dat tegenwoordig 80 procent van de Kamerleden hoogopgeleid is, terwijl begin jaren vijftig ‘nog niet de helft academisch geschoold was’. Pure misleiding, en niet alleen door het afwisselend gebruik van het verschillende ‘hoogopgeleid’ en ‘academisch geschoold’: in de jaren vijftig was slechts 1 à 2 procent van de bevolking academisch geschoold. En de oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de politiek daarmee tientallen (!) keren groter dan tegenwoordig.
Dan de opgewekte conclusie dat lager opgeleiden ‘diversere’ opvattingen hebben. Dat is natuurlijk helemaal niet automatisch positief. Het is een beetje zoals het bekendste aforisme van Tolstoj: ‘Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier’. Zo is het ook met mensen die geen waarde hechten aan feiten of de wetenschap: ze hebben allemaal hun eigen, unieke kletsverhaal om klimaatverandering te ontkennen. Lekker divers!
Volgens Muis en Oostveen gaat het in de politiek steeds vaker over zaken die hoogopgeleiden belangrijk vinden. Onzin, het gaat al jaren over immigratie en hoe zielig boeren en huisjesmelkers zijn. Was het maar zo, want dat zou volstrekt logisch zijn. Want rara, waarom vinden die hoger opgeleiden klimaatverandering of ongelijkheid toch zo belangrijk? Weten zij soms iets dat lager opgeleiden niet weten? Ja, de dames zijn echt iets op het spoor. ‘Ze lijken liever op andere hoger opgeleiden’, schrijft Oostveen, waarmee politieke opvattingen een lifestylekeuze worden in plaats van de optelsom van kennis en een al dan niet werkend moreel kompas. En natuurlijk komt het argumentum ad toeslagenaffairum ook voorbij in haar populistische betoog: allemaal de schuld van hoger opgeleiden.
Dat hoger opgeleiden neerkijken op lager opgeleiden is niet te bewijzen, ze lijken me vooral bang voor lager opgeleiden. Dat lager opgeleiden neerkijken op andere lager opgeleiden is dan weer wél aan te tonen: zij stemmen immers bij voorkeur op populisten die andere lager opgeleiden, bij voorkeur die met een andere kleur of uitkering, het leven zuur willen maken.
Vrijwel niemand ontkent dat segregatie een probleem is, maar elk idee dat scheefgroei en ongelijkheid wil bestrijden, stuit op weerstand van, u raadt het al, lager opgeleiden. In die zin is het een troost dat we in Nederland de lat zo ongelooflijk laag leggen dat binnenkort een meerderheid van ons land zich hoger opgeleid mag noemen.