Hij gelooft nog steeds dat therapie waardevol kan zijn. Maar we zijn er te veel op gaan leunen, betoogt gepensioneerd systeemtherapeut Flip Jan van Oenen, en we moeten weer leren psychische pijn te verdragen.
is wetenschapsredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft over de geestelijke gezondheidszorg en psyche, brein en gedrag.
De eerste twijfel ontstond op de afdeling spoedeisende psychiatrie in Amsterdam. Op die plek, waar mensen komen die ernstig in de war zijn, zag hij geregeld patiënten die al in behandeling waren bij een psycholoog of psychiater. Al jaren. Alsnog belandden ze op de crisisdienst.
‘Dan bekruipt je toch de gedachte’, zegt Flip Jan van Oenen, ‘dat veel van wat we doen in de ggz blijkbaar niet zoveel effect heeft. We kunnen niet voorkomen dat mensen ontregelen.’
Vol goede moed was hij halverwege de jaren tachtig begonnen als systeemtherapeut, een therapievorm die zich niet alleen richt op het individu, maar ook op het ‘systeem’ van sociale relaties om iemand heen: familie, vrienden, buren, collega’s. ‘Net als veel collega’s dacht ik in die tijd: er valt nog veel te verbeteren aan de psychotherapie. Wij gaan dat doen.’
Inmiddels is hij met pensioen en heeft hij het boek Verdragen gepubliceerd. Strekking: we verwachten te veel van therapie. In de praktijk werkt het vaker niet dan wel. En: we moeten weer leren psychische pijn te verdragen.
U hebt 37 jaar gewerkt als therapeut. Was dat zinloos?
‘Nee. Ik denk nog steeds dat therapie een waardevolle toevoeging kan zijn. Je kunt mensen soms net dat kleine duwtje geven. Bovendien vind ik dat het bij de beschaving hoort dat we ons bekommeren om de mensen die psychisch lijden.
‘Maar je kunt mensen niet van hun leed bevrijden, die illusie ben ik wel armer. Ik heb een tijd bijgehouden hoe het met mijn cliënten ging. Gaan ze er nou eigenlijk op vooruit? Toen zag ik: het schiet vaak niet op. Pakweg de helft verbetert. Uit onderzoek weten we dat uiteindelijk maar een kwart van de mensen opknapt dankzij therapie, de rest zou zonder behandeling ook zijn hersteld.’
Vindt u dat weinig: een kwart?
‘Over dat cijfer wordt vaak gezegd: als je het vergelijkt met medische behandelingen valt het reuze mee. Neem bijvoorbeeld cholesterolverlagers, als die in minder dan een kwart van de gevallen een hartinfarct voorkomen, vinden we dat al mooi.
‘Maar dat is preventieve zorg. Als we zouden zeggen: een kwart van alle mensen knapt op van een heupoperatie, dan zouden we daar tegen in het geweer komen, denk ik.’
Een kwart knapt op dankzij therapie: dat cijfer komt van emeritus hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers, die jarenlang onderzoek deed naar de effectiviteit van therapie. Van Oenen baseert zich in zijn boek op veel van zijn werk, dat geldt als gezaghebbend.
Ook Cuijpers waarschuwt (al jaren) dat de effecten van therapie vaak bescheiden zijn. Het automatisme waarmee mensen pillen of therapie krijgen voorgeschreven, moet volgens hem op de schop. Toch is de wetenschapper desgevraagd niet blij met het boek van Van Oenen, dat is volgens hem ‘veel te kort door de bocht’.
Zo gaat Van Oenen volgens hem ten onrechte uit van de standaardbehandelingen zoals die onderzocht worden: twee maanden lang, acht sessies en als de therapie niet aanslaat, stopt het onderzoek.
In werkelijkheid stopt het vaak niet na die acht sessies en krijgen mensen meerdere behandelingen of verschillende soorten therapie. Pim Cuijpers denkt daarom dat in de praktijk veel meer dan een kwart opknapt van therapie.
‘Dat zou kunnen, maar we weten het niet. Het is niet onderzocht. Wat ik belangrijk vind: vanuit de ggz is de impliciete boodschap vaak: je moet in behandeling en snel ook, want anders komt het niet goed met je. Je kunt je afvragen of dat klopt. In de praktijk zie je dat een deel van de mensen ook zonder therapie opknapt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit vergelijkend onderzoek waarin ook gekeken wordt naar herstel bij mensen die op een wachtlijst staan.’
Hoe kan het dat psychotherapie zo weinig effect heeft?
‘Dat is een moeilijke vraag. Je kunt net zo goed vragen: waarom werkt homeopathie meestal niet? Je kunt beter vragen: waarom zijn wij gaan verwachten dat therapie wél helpt?
‘Onze manier van kijken naar psychische pijn is de afgelopen decennia veranderd. We hebben diagnoses heel belangrijk gemaakt. Ooit was een diagnose simpelweg een combinatie van klachten. Heel simpel gesteld: je was somber en je kon niet slapen, dat heette dan een depressie. Op een gegeven moment zijn we die diagnose als verklaring gaan zien van de problemen. Je bent depressief en dáárom voel je je somber en kun je niet slapen.
‘Dit heb ik niet zelf bedacht: Trudy Dehue, emeritus hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie, heeft dat mooi beschreven in haar boek over depressie. Het punt is: als je die diagnose eenmaal hebt, heb je een professional nodig om het op te lossen. Dat heeft ons vervreemd van het idee dat psychisch lijden bij het leven hoort en dat we in staat zijn dat te verdragen.’
Zijn betoog sluit aan bij wat sommige bekende psychiaters al jaren roepen. We zijn het lijden verleerd, meent de Vlaamse Dirk de Wachter bijvoorbeeld. Het gevolg is: we schakelen bij elk zuchtje tegenwind psychische hulp in, stelt hoogleraar psychiatrie Damiaan Denys.
Kritiek is er ook. Zo noemen twee hoogleraren psychiatrie de boodschap van Van Oenen in een opiniestuk in Trouw ‘potentieel schadelijk’.
Volgens Marie-José van Tol en Christiaan Vinkers versterkt u het stigma rond psychische klachten door te suggereren dat we het lijden moeten verdragen.
‘Ik snap dat eerlijk gezegd niet. Onder stigma versta ik: het idee dat psychische problemen schaamtevol zijn. Dat zeg ik toch niet?’
U zegt wel: we moeten leren onze psychische problemen te verdragen. Iemand die dat niet lukt, kan gaan denken: het is mijn schuld.
‘Ik denk dat we moeten vaststellen dat er mensen zijn die psychisch lijden en dat we daar niet altijd een remedie tegen hebben. We kunnen dan zeggen: dat ligt aan de psychiater of de therapie, maar dat is volgens mij niet realistisch.
‘Je kunt ook zeggen: helaas, je hebt ontzettende pech, voor jou werkt therapie niet en het verdragen lukt ook niet, hoe hard je het ook probeert. Verdragen ís ook niet makkelijk, het is verschrikkelijk moeilijk. En soms is de pijn te groot om te kunnen verdragen. Sommige mensen suïcideren zichzelf, dat is heel verdrietig. Maar ook dat moeten we als samenleving verdragen.’
Je kunt ook zeggen: blijkbaar kunnen we die mensen nog onvoldoende helpen, dus we moeten alles op alles zetten om te zorgen dat het beter wordt.
‘Dat roepen wetenschappers al vijftig jaar en dat heeft geen bal opgeleverd. Er is ontzettend veel onderzoek gedaan. Er zijn honderden nieuwe therapiemethoden bedacht en geen één heeft echt iets toegevoegd. Psychotherapie is de afgelopen vijftig jaar niet beter geworden, blijkt uit onderzoek.’
Hoe zit het eigenlijk met pillen, werken die beter?
'Medicatie werkt over het algemeen ongeveer even goed, alleen op de lange termijn lijkt praten ietsje beter te werken. Ook daarbij geldt: ik ben helemaal niet tegen, als het je helpt om de pijn te verdragen is dat mooi meegenomen. Maar verwacht niet dat het het lijden wegneemt.’
Volgens u moeten we psychische pijn leren te verdragen. Hoe moet dat?
‘Als je psychische pijn hebt, kun je drie dingen doen: klagen, veranderen en verdragen. Klagen kan even fijn zijn, maar op de lange termijn lost het niets op. Als je klaagt, leg je het probleem buiten jezelf en dat belet je het op te lossen.
‘Veranderen kan goed werken. Zoek een nieuwe baan, verbreek die relatie waar je ongelukkig van wordt. Maar vaak is veranderen moeilijk. Je kunt je wel voornemen: ik ga me minder aantrekken van anderen, maar je zit nu eenmaal gevoelig in elkaar. In veel gevallen lukt het mensen niet om te veranderen.’
Dan blijft verdragen over.
‘In de praktijk zijn we daar vaak op aangewezen. Er zijn manieren om dat te doen: smart delen, hoop houden en in beweging blijven, dat zijn de drie belangrijkste.’
Dus toch klagen?
'Bij klagen leg je het probleem buiten jezelf. Het probleem overkomt je, het ligt aan de ander, of aan de omstandigheden. Als je je smart deelt, deel je je pijn met iemand anders in het besef dat het iets is waar jij zelf mee verder moet. Je kunt in zo’n gesprek wel erkenning en waardering krijgen. De ander kan bijvoorbeeld zeggen dat het inderdaad moeilijk is waar je mee worstelt. Dat kan helpen.
‘De tweede manier is hoop houden. Als je geen einde aan het lijden ziet, is het moeilijk om door te gaan. De gedachte dat het beter kan gaan in de toekomst, zonder dat het valse hoop wordt, is belangrijk.
‘En tot slot in beweging blijven. Fysiek: naar buiten gaan, wandelen, rennen, maar ook geestelijk: nieuwe uitdagingen blijven zoeken, voorkomen dat je wegzakt.’
Dat klinkt als drie dingen die je binnen therapie doet.
‘Dat is zo en nogmaals: ik ben niet tegen therapie. Mijn pleidooi is: bied iedereen elke twee jaar pakweg zeven sessies therapie. Als je het maar beperkt en er niet eindeloos mee doorgaat, want dan blijven we in onze gedachten afhankelijk van die therapeut. Terwijl: in de meeste gevallen kunnen we het zelf.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant