Alles ging mis. Bij de kassa vielen de blauwe bessen uit hun pakje, en ze rolden alle kanten op. Onmachtig in te grijpen zag ik het aan. Achter mij keek de hele rij toe hoe de besjes maar bleven rollen en rollen, alsof het hele universum was gestopt, behalve de besjes. ‘Eh…’ zei ik, terwijl ik de caissière vragend aankeek.
Ze wenkte naar het lege bakje in mijn hand, nam het van me aan, legde het achter zich neer en ging door met scannen. Blijkbaar had ze besloten dat ik geen nieuw bakje ging halen. Ik was blij dat ze de leiding nam, want mijn hoofd deed het niet omdat ik in één ruk uit Oostenrijk was gereden. Nou ja, in twee rukken, want de auto was gaan trillen en kloppen, dus had mijn vrouw een garage langs de Autobahn gezocht, en hadden we een afrit genomen.
De garage was dicht gebleken, dus waren we naar de volgende gehobbeld, die ook dicht was. Ik ben dol op het privacybewustzijn van Duitsers, maar je openingstijden moet je gewoon netjes delen met Google, goddomme. Ik dank echter alle goden, dood en levend, voor de smartphone en dat kinderen daardoor drie uur lang zonder klagen op een uitgestorven Duits bedrijfsterrein in een stilstaande auto kunnen blijven. Want zo lang duurde het voordat de Gelbe Engel er was, zoals de bijnaam van de wegenwacht daar luidt.
Ik legde de klacht in mijn beste Duits uit, waarschijnlijk in het beste Duits dat hij ooit had gehoord, want ik had drie uur de tijd gehad om het te oefenen. Hij stak zijn steeksleutel in mijn voorwiel, en zijn mond viel letterlijk open: mijn voorwiel was zo goed als losgekomen. De doppen losgetrild, of zo. Dat ik de snelweg had verlaten was de beste beslissing geweest die ik in mijn hele leven had genomen. En in de levens van mijn gezin, benadrukte hij in de taal die zich zo goed leent voor het benadrukken van dingen.
Dat het slechts een kwestie was van de boel weer aanschroeven was dus een geluk bij een nog groter geluk. De rest van de reis was file op file, afgewisseld met snelheidsduivels die met 240 kilometer per uur uit de duisternis en regen langs mij schoten, mij elke keer de pleuris latende schrikken, zodat ik tegen de tijd ik in mijn buurtsuper stond uitgeput was, niet in staat de rollende besjes te interpreteren.
Thuisgekomen bleek dat ik het kattenvoer was vergeten, en het wc-papier. Dan maar droge brokjes respectievelijk een keukenrol gebruiken, want ik was te moe om terug te gaan. Dat zijn momenten waarop ik eigenlijk niet moet koken, want dan gaat het mis. Maar spaghetti bolo, dat kon niet fout gaan, dacht ik.
En misschien was het wel goed gegaan als ik niet zo ambitieus was geweest om paprika in de blender te gooien. Maar toen ik de paprikaprut in de bolognesesaus schepte, legde ik het deksel van de blender in een lege koekenpan die op een warm pitje stond. Pas toen de rookmelder begon te gillen, snapte ik waarom het zo naar geschroeid plastic rook. Ik ga nu online zoeken of ik ergens dat deksel los kan bestellen. Dat gaat me niet lukken, en daarna ga ik weer naar bed.
Over de auteur
Thomas van Luyn is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant