Mijn vriendin en ik hebben al een tijd lang een discussie waarin ik eigenlijk gelijk heb. Ik hou daarom van deze discussie; iedere keer dat we haar voeren, zie ik mijn vriendin weer wat meer in het nauw gedreven worden. Tijdens een gesprek over New York heeft zij namelijk beweerd dat het in deze stad zes uur later is, aangezien alles daar in zekere zin later gebeurt. Voorbeelden hiervan zijn het ontbijt of Valentijnsdag – ze zijn er in New York allemaal net wat later bij. ‘Omdát het er eerder is’, zeg ik dan, maar hierover blijven de meningen verdeeld.
Een gedachtewisseling die een paar weken geleden opnieuw werd opgerakeld, toen ik met mijn vader en broer naar Engeland ging. We stapten op de trein en reisden de tijd volgens sommigen tegemoet, volgens anderen achterna. In Engeland zouden we een voetbalwedstrijd bezoeken en vanuit een bepaalde optiek was het inderdaad een reis die indruiste tegen de tijd, want voor het eerst in jaren gingen we zonder verdere aanhang met elkaar op pad.
Tegelijkertijd was het ook een nieuw soort reis, aangezien mijn moeder nu ontbrak. Ik ervaarde algauw wat dat betekende: iedere vakantie kent één persoon die benoemt hoe goed we het hebben en vanaf dit moment was ik die persoon. Er is een aantal momenten waarop degene die zegt hoe goed we het hebben deze uitspraak doet. Het bekendste is waarschijnlijk het hèhè-moment: een tijdspanne van enkele minuten waarin de groep ergens is gaan zitten en aan een nog leeg tafeltje wacht op de zojuist geplaatste bestelling.
Zelf greep ik ook andere situaties aan om het positieve te belichten, zoals het moment waarop we voor het eerst ons Airbnb-appartement betraden of tijdens een wandeling langs het prachtige Regent’s Canal in Londen. Mijn broer en vader bleven vaak stil na dit soort uitspraken. Heel af en toe reageerde mijn vader, maar die reactie had doorgaans weinig van doen met wat ik daarvoor gezegd had, wat de vraag oproept of het echt een reactie was.
Op de derde dag raakte ik geobsedeerd met de constatering dat we het goed hadden en het uitblijven van een bevestiging hiervan door mijn omgeving. Aan een klein tafeltje in een wijnbar in Brighton brak ik de ban. Ik zei niet alleen dat het hier enorm leuk was, maar vroeg ook: ‘Vinden jullie niet?’ Mijn broer en vader keken elkaar aan en produceerden iets dat ik geïnterpreteerd heb als een instemmende klank, hoewel het ook ontsteltenis kan zijn geweest.
Op de vierde en laatste dag veranderde mijn houding naar een meer reflectieve. Ik vroeg me af wat de precieze relatie was tussen het hebben van een goede tijd en de expliciete vaststelling hiervan. Met andere woorden: hebben mensen die regelmatig benoemen het leuk te hebben ook echt een leukere tijd?
Ik dacht aan een vrouw met wie ik ooit het bed deelde en vrijwel onophoudelijk ‘dit is geil’ zei. Mijn probleem was dat ik geil geen geil woord vond, waardoor ik eerst aan synoniemen voor geil begon te denken en later aan synoniemen in het algemeen. ‘Zinnenprikkelend’ was misschien beter geweest, zowel voor seks als een stedentrip in Engeland.
Over de auteur
Tobi Lakmaker is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns