Home

Jaren nadat haar eileider is verwijderd vraagt Jantine zich af: had ik ’m ook mee naar huis mogen nemen? Ze gaat op zoek

In 2017 werd de linker eileider van Jantine Jongebloed operatief verwijderd. Nu vraagt ze zich opeens af: had ze haar eileider ook mee naar huis mogen nemen? En wat gebeurt er eigenlijk met menselijk ziekenhuisafval? Ze gaat op onderzoek uit.

schrijft interviews, essays en reportages

Op een dinsdagavond tijdens de herfst van 2017 werd via een sneetje in mijn venusheuvel mijn linker eileider uit mijn lijf getrokken, samen met het embryo dat daarin groeide. Een paar uur eerder wist ik nog niet dat ik zwanger was, ik vermoed dat ik het verschil tussen een eileider en eierstok niet kende, en over een buitenbaarmoederlijke zwangerschap had ik de klok weleens horen luiden, maar waar de klepel hing? Ik had geen idee.

Die ochtend was ik na immense buikkrampen en zweetaanvallen flauwgevallen op de wc. Toen ik bijkwam wist ik nog wel wie ik was, maar niet meer waar; alles was zwart voor mijn ogen. De huisarts die ik vervolgens strompelend bereikte met mijn man, dacht een tel aan een blindedarmontsteking en checkte daarna de kans op een zwangerschap (‘niet 0 procent’, was mijn antwoord). Toen de test roodgloeiend uitsloeg, begon duidelijk te worden wat er vermoedelijk aan de hand was. Met spoed naar het ziekenhuis, was het devies.

Diagnose na een snelle echo: ruim acht weken zwanger, maar een lege baarmoeder, want het embryo was bij het innestelen in mijn linker eileider blijven steken. Ook een mooie plek, maar wel een heel onhandige, want baarmoeders rekken mee met groeiende baby’s – eileiders niet. De mijne had het daarom begeven en was zojuist gescheurd. De hoeveelheid bloed die in mijn buikholte lekte verklaarde het zweten en flauwvallen eerder die dag. Mijn lichaam was langzaam in een shocktoestand aan het raken. Er was iets levensbedreigends gaande. Ik werd die avond de operatiekamer op gereden en de gynaecoloog zette het mes in mijn lijf. Op de uitslaapkamer werd ik beduusd en niet-zwanger wakker uit de narcose. Eén waterijsje in mijn hand, één eileider armer.

Een groeiende behoefte

Het was afgelopen zomer, door het lezen van het interview met Natuurhistorisch Museum-directeur Kees Moeliker in dit magazine – die vertelde dat hij behalve galstenen, ook zijn eigen galblaas en stukjes zaadstrengen thuis op sterk water heeft staan – dat ik me afvroeg waar mijn eileider en embryo eigenlijk zijn gebleven. Ik herinner me dat ik versuft uit de operatie wel op het idee was gekomen om te vragen of ik die mee naar huis mocht nemen, maar dat niet durfde, en het verlangen wegwuifde omdat ik ook niet wist wat ik ermee moest.

Door de manier waarop Moeliker trots vertelde over zijn collectie, had ik er met terugwerkende kracht spijt van. Míjn eileider, míjn ontplofte eileider, en dat embryo dat er ook niets aan kon doen, waren die op een grote hoop in een prullenbak beland? En daarna naar een vuilstort gereden? Had ik ze mee naar huis mogen nemen, of is dat enkel voorbehouden aan museumdirecteuren? Hoeveel mensen die organen laten verwijderen of van wie ledematen worden geamputeerd, nemen ze mee, en wat doet dat voor hun rouwverwerking? Opeens betreur ik het dat ik mijn eileider niet eens heb uitgezwaaid. Ik voel een groeiende behoefte om alsnog een eerbiedig afscheidsritueel voor mijn eileider te organiseren en besluit op zoek te gaan.

Een flinke slagersworst

Mijn zoektocht begint in het OLVG Oost in Amsterdam, waar ruim zeven jaar geleden mijn operatie plaatsvond. In mijn medisch dossier zoek ik op hoe de gynaecoloog heette die me destijds opereerde en na afloop uitlegde dat mijn verwijderde eileider – in gezonde staat zo dun als een flosdraadje – door het groeiende embryo dat erin huisde, het formaat van ‘een flinke slagersworst’ had aangenomen. Dr. Louisette Peters. Op de ziekenhuiswebsite vind ik haar foto. Ik herken direct haar zachte, reebruine ogen, die me geruststellend aankeken vlak voor ik in narcose gleed. Ik mail haar om te vragen of ik langs mag komen, omdat ik benieuwd ben waar mijn eileider is gebleven. Ik ben van harte welkom, laat ze weten.

De route naar de poli gynaecologie weet ik nog uit mijn hoofd. Dokter Peters haalt me op uit de wachtkamer. We bespreken hoe ze mijn hand heeft vastgehouden toen ik het slaapmiddel kreeg toegediend. Ik was in paniek, maar door haar aanraking wist ik dat het goed zou komen. Ook nu voelt het alsof ik in goede handen ben. Het is het einde van haar werkdag, ze heeft alle tijd voor me. In haar behandelkamer nemen we samen de chronologie van het gebeurde door. Op haar bureau een plastic model van het vrouwelijke voortplantingssysteem.

‘En wat als ik je had gevraagd of ik mijn eileider en embryo mee naar huis had mogen nemen?’ leg ik haar voor. ‘Kijk, zíén is altijd mogelijk, na de ingreep, of via foto’s achteraf’, reageert ze. ‘Die vraag krijg ik geregeld, zeker bij bijvoorbeeld een baarmoederverwijdering. We weten dat daar vaak rouw bij komt kijken, dat bespreken we met mensen.’ De gynaecoloog legt uit dat dat bijna altijd geplande operaties zijn, waar vaak al meerdere gesprekken met een arts aan vooraf zijn gegaan, waardoor er meer dan in mijn hectische en acute situatie tijd is om überhaupt stil te staan bij het concept afscheid. ‘Maar we bieden nooit actief aan om het mee te nemen. Het pathologisch onderzoek naar het weefsel wordt dan bemoeilijkt, we willen zeker weten – of juist uitsluiten – dat er kwaadaardige cellen in zitten, bijvoorbeeld.’

Rouw, verdriet of gemis

In de wet is vastgelegd dat menselijk afval moet worden afgevoerd of gebruikt mag worden voor onderzoek, tenzij de patiënt daar bezwaar tegen maakt. Over lichaamsdelen en weefsel meenemen is bij wet niets geregeld, juridisch gezien zou het daarom mogen, concluderen advocaat Rogier Baart en rechtsfilosoof Bart Jansen in een opiniestuk in NRC (2023) en in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (2018), waarin ze betogen dat patiënten vaker moeten worden gewezen op de mogelijkheid weefsel mee te nemen. De auteurs halen religies aan waarin het belangrijk is dat het lichaam zo veel mogelijk in zijn geheel begraven wordt. Er kan ‘een sociaal, cultureel of religieus belang’ zijn bij het beschikken over het weggenomen lichaamsmateriaal. ‘Dit kan invloed hebben op hoe de patiënt de behandeling en het genezingsproces beleeft. Daarbij kan (...) gedacht worden aan stress, religieuze zorgen en het rouwproces dat volgt na verlies van een lichaamsdeel.’

In de praktijk kunnen zorginstellingen verzoeken weigeren als er sprake is van besmettingsgevaar of praktische bezwaren. Formaline, de stof die in de volksmond ‘sterk water’ wordt genoemd, om lichaamsdelen te fixeren, is giftig en kankerverwekkend, legt gynaecoloog Peters uit, en daar ben je toe veroordeeld, anders gaat het vlees rotten en daarna vergaat het. ‘Er zijn strenge regels rond formaline, het mag niet gebeuren dat zo’n pot gaat lekken en iemand het inademt. Als ik er in jouw geval vertrouwen in had gehad dat je de risico’s begreep, had ik met de afdeling pathologie kunnen overleggen om een klein plakje van je eileider af te snijden, dat dan onderzocht kon worden, om je daarna het restant mee naar huis te geven. Als je me dat had gevraagd.’ Maar ik vroeg niks. Ik vraag haar of ze zich kan indenken dat ze in de toekomst actief zal aanbieden om patiënten verwijderd weefsel te laten zien. Dat kan ze, zegt ze. ‘Ik ben wel benieuwd hoeveel mensen het wíllen zien, veel mensen vinden het toch eng of vies. Maar je hebt gelijk: bij dit soort ingrepen kunnen, net als bij amputaties en miskramen, gevoelens van rouw, verdriet of gemis bestaan. Misschien draagt zien wat er is weggehaald bij aan het verwerkingsproces.’

Ik moet denken aan een abortuskliniek in Amsterdam-Zuidoost, waar ik laatst voor een werkproject was. Ze zijn de enige (van zestien klinieken in ons land) die actief aanbieden om het weggehaalde embryo na de ingreep te zien of mee naar huis te nemen. Ze vinden het daar belangrijk dat de patiënt volledige zeggenschap heeft over diens behandeling en de nazorg.

De gynaecoloog en ik lezen samen mijn interne dossier door, waarin gedetailleerd verslag is gedaan van de dag, nacht en ochtend van mijn opname. Een verpleegkundige heeft vlak na mijn operatie de aantekening gemaakt: ‘Patiënt is geschrokken, moet een en ander nog verwerken.’ Ik krijg ter plekke de slappe lach. Opeens zwanger, opeens niet meer zwanger, opeens een eileider minder. Ik herinner me mijn blik op de foto die mijn man maakte toen mijn bed naar de OK werd gereden: aangereden wild, paniekerig en in limbo. Het verwerken zou nog wel even duren. Dan lezen we, helemaal onderaan, een aantekening van de patholoog die mijn weefsel onderzocht en beschreef: ‘Foto’s gemaakt.’ Wat? Is er beeldmateriaal van mijn eileider? Peters weet niet of de foto’s nog bestaan. Ze stelt voor me in contact te brengen met een patholoog die me kan vertellen wat er in het laboratorium precies gebeurt. Over een paar dagen hebben we een afspraak.

Afscheidsdienst

Die week krijg ik van vrienden die van mijn zoektocht weten TikTok-filmpjes doorgestuurd van twee 22-jarige Amerikaanse vrouwen: de ene heeft na haar sterilisatie haar eileiders in epoxyhars gegoten om er een kettinghanger van te maken (wel grappig, niet mooi), de ander heeft een afscheidsdienst voor haar geamputeerde arm georganiseerd, inclusief zwarte kanten sluier (luguber en ontroerend). Op haar Instagramaccount schrijft ze erover: ‘Wat begon als een grap werd uiteindelijk een prachtige, bevrijdende ervaring. Eerst moest ik lachen om de absurditeit ervan, maar daarna probeerde ik terug te denken aan de 22 jaar die ik met dat ding had doorgebracht. Ik heb zoveel handen vastgehouden, de huid van geliefden gevoeld, spinnen opgepakt om ze buiten te zetten, tranen weggeveegd, honden geaaid en talloze paardenbloemen geplukt.’

Het doet me onwillekeurig denken aan dichter Lieke Marsman, die ik onlangs interviewde voor deze krant, en die vertelde dat haar vriendin vlak voor Marsmans armamputatie grappend aan de chirurg had gevraagd of ze de arm mee naar huis mochten nemen, ‘dan had de hond er nog wat aan’. Echt overwegen ’m mee naar huis te nemen had ze niet gedaan. Toen ik vroeg of ze er afscheid van had genomen, zei ze dat ze inmiddels blij was met de fantoompijn die ze sinds de ingreep voelde; een afscheid was niet nodig gebleken, haar arm wás er nog altijd.

Jaarlijks produceert Nederland zo’n 13 miljoen kilo ‘specifiek ziekenhuisafval’, bestaande uit bebloede verbandmiddelen, laboratoriumafval, geïnfecteerde naalden en menselijk weefsel zoals eileiders, stukken blinde darm, galblazen en geamputeerde tenen en andere ledematen – al maakt het menselijk afval maar een klein deel uit van het totaal. Alles wat niet door patiënten mee naar huis wordt genomen, of voor onderzoek bewaard, moet vanwege hygiëne en besmettingsgevaar op hoge temperatuur worden verbrand. Dat gebeurt in Nederland op een centrale plek, in Ziekenhuis Afval Verwerking Installatie Nederland (Zavin) in Dordrecht. Vanuit ziekenhuizen en zorginstellingen uit het hele land rijden de vrachtwagens van afvaltransporteurs Renewi en PreZero met speciale afgesloten plastic vaten naar de Zuid-Hollandse stad, waar al het besmette en menselijk afval boven de 1.000 graden Celsius (met vat en al) wordt vergast en verbrand. De uitspraak ‘hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt’ krijgt door deze wetenschap een geheel nieuwe lading.

Blokjes weefsel

Een paar dagen na de afspraak met mijn gynaecoloog ontmoet ik via een videobelverbinding de patholoog. Dokter Natasja Klioueva werkt bij OLVG Lab, waar ze diagnostisch onderzoek doet naar cellen en weefsels. Ze bijt het spits stevig af: ‘Als je die dag niet naar het ziekenhuis was gekomen, had je kunnen doodbloeden.’ Daarna legt ze uit wat er op haar afdeling gebeurt. Weefsel wordt gefixeerd, bekeken en beoordeeld en daarna in plakjes gesneden, zodat het ook microscopisch onderzocht kan worden. ‘We hebben in jouw geval gecheckt of er daadwerkelijk placentavlokken in je eileider te vinden waren, en of er dus sprake was van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. We controleren ook of we geen kanker zien.’

Ik laat Klioueva weten dat mijn gynaecoloog en ik in mijn dossier hebben gelezen dat in 2017 foto’s zijn gemaakt van mijn eileider en zwangerschapsweefsel. ‘Alle foto’s die we maken, zijn onderdeel van je dossier en blijven bewaard.’ Ze stelt voor de foto’s naar dokter Peters te mailen, die mag ze officieel aan me overhandigen. Dan vertelt ze iets waar mijn oren van gaan klapperen: van al het weefsel dat in het lab wordt onderzocht, worden standaard een of meer ‘blokjes’ bewaard, voor eventueel aanvullend diagnostisch of wetenschappelijk onderzoek, tenzij de patiënt bezwaar heeft gemaakt tegen dat laatste. Klioueva vertelt dat pathologen daardoor nu bijvoorbeeld onderzoek kunnen doen op weefselblokjes die in de jaren negentig zijn gearchiveerd van mensen die inmiddels zijn overleden, wier kinderen een al dan niet genetisch overgedragen aandoening willen laten checken. Jaarlijks komen er in Nederland zo’n 1 miljoen blokjes bij van zo’n 400.000 patiënten.

Oké. Dus blokjes weefsel van miljoenen geopereerde Nederlanders liggen verspreid over het land in ‘weefselbanken’ van ziekenhuizen. Ik stel me grote houten apothekerskasten uit een Harry Potter-film voor, met miljoenen laatjes tot aan het plafond, waar dunne plakjes mens in liggen. Het meeste van mijn weefsel is met kilo’s ander specifiek ziekenhuisafval naar Dordrecht afgevoerd, maar een minuscuul plakje eileider is bewaard gebleven. De patholoog zegt dat ik mijn ‘in paraffine gefixeerd blokjesmateriaal’ mag komen ophalen als ik dat wil.

Stukje lijf mee naar huis

Hoe vaak het voorkomt dat mensen na een ingreep iets mee naar huis nemen, wordt niet landelijk geregistreerd. Op de afdeling pathologie in OLVG Lab gebeurt het een paar honderd keer per jaar dat patiënten (of hun behandelaars) een paraffineblokje opvragen omdat diegene naar het buitenland verhuist en/of wordt overgedragen aan een ander ziekenhuis. Een aanvraag met emotionele of religieuze reden komt ‘zeer, zeer zelden voor’, zegt Klioueva. Gal- en nierstenen gaan met enige regelmaat mee na een ingreep, maar lichaamsweefsel of ledematen na amputaties een enkele keer per jaar. ‘Interne reproductieve organen zijn het meest in trek. Ik denk vanwege de symbolische waarde. Soms wil een kunstenaar iets met het materiaal maken, of een patiënt wil zijn lichaamsdeel begraven.’ Dat laatste is mogelijk en toegestaan via de officiële weg, net als laten cremeren. De uitvaartkosten van een volwassen onderbeen komen neer op 100 tot 600 euro, afhankelijk van het arrangement, volgens het eerdergenoemde stuk in NRC.

Het verhaal van een man uit Spijkenisse die van zijn geamputeerde been een lamp liet maken, is me altijd bijgebleven, maar verder ken ik – op de trofeeënkast van museumdirecteur Kees Moeliker na – geen voorbeelden. Ik ben benieuwd wat meegenomen weefsel betekent voor de mensen die na een ingreep wél durfden te vragen of ze hun stukje lijf mee naar huis mochten nemen. Op een oproep op Instagram komen tientallen reacties. Placenta’s zijn oververtegenwoordigd (vaak om er thuis een boom op te planten, hoewel niet iedereen daaraan toekomt. ‘De placenta van mijn dochter ligt al zesenhalf jaar bij mijn schoonmoeder in de vriezer, oeps’ laat iemand weten), net als gal- en nierstenen inderdaad, en een enkele embryo of foetus na een miskraam of abortus.

Er komt ook een verhaal over een geamputeerde grote teen binnen, de eigenaar is als jongen van 8 aangereden door een vuilniswagen in het dorp (‘mijn teen staat op sterk water in de kast, ik laat ’m graag aan vrienden zien’). Een jeugdvriendin laat na de oproep weten dat ze het resultaat van haar 11-wekenmiskraam in een potje mee naar huis kreeg van de verpleegkundige in het ziekenhuis. ‘Ik ben blij dat mijn foetus niet verdween in de afvalstroom van het ziekenhuis. Ik heb haar begraven tussen de wortels van een boom die in het najaar prachtige gele bladeren geeft. Ik heb zo kunnen rouwen op mijn eigen tempo. Het heeft me geholpen de ervaring een plek te geven.’

In de boekenkast

Ik ben benieuwd of de verzameling van natuurhistoricus Kees Moeliker een emotionele waarde heeft of enkel uit beroepsdeformatie is ontstaan, en of hij anders naar zijn galblaas dan naar zijn zaadstrengen kijkt. Aan de telefoon vertelt hij dat zijn collectie thuis in de boekenkast staat. ‘Ik ben een museumman, ik ben gewend om dingen te conserveren.’ Net als mijn eileider bleek Moelikers galblaas na zijn operatie overgeheveld te zijn naar de afdeling pathologie om onderzocht te worden, maar hij wilde ’m graag terug, ‘uit wetenschappelijke interesse’. ‘Het was nou ook weer niet zo dat ik een enorme band had met dat orgaan. Ik vond het gewoon leuk om het compleet te hebben, met de galstenen die ze wel voor me hadden klaargelegd.’

Een paar weken na zijn operatie mocht hij hem ophalen. ‘Na wat rondbellen stond hij voor me klaar in een potje formaline, keurig met zo’n sticker met mijn naam en BSN-nummer erop.’ Toen hij zich een paar jaar later liet steriliseren, was hij tijdens de ingreep bij zijn positieven, dus kon-ie meteen laten weten dat hij zijn stukjes zaadstrengen graag mee wilde nemen. ‘Dat had wel een andere lading dan die galblaas, het was toch een belangrijk onderdeel van mijn lichaam en leven waar ik afscheid van nam. Het is direct gekoppeld aan mijn nakomelingen, dus ja, daar zat meer emotie bij.’ Moeliker vertelt dat hij ook een pluk haar in zijn boekenkast heeft tentoongesteld, ‘mijn coronamatje’, en dat-ie laatst nog een getrokken kies aan zijn collectie heeft toegevoegd – maar het daar wel bij wil houden. ‘Nou ja, een hartklep zou ik ook wel heel mooi vinden, maar vanaf dit punt is alles wat uit mijn lichaam gaat van vitaal belang, dus misschien moet ik tevreden zijn nu.’

Toevallig krijg ik daarna een bericht van iemand die het is gelukt een hartklep te bemachtigen. Kunstenaar Winnifred Dijkstra mailt dat ze van de hartklep van haar vader (die een tijdje geleden een nieuwe kreeg) een ‘heel klein perkamenten boekje’ wil maken. Dijkstra laat weten ook de teelballen van haar gecastreerde kater mee naar huis te hebben genomen, en de as van haar gecremeerde grootouders heeft ze verwerkt in keramieken vaasjes. De hartklep van haar vader staat op sterk water in haar koelkast, tot ze weet hoe het boekje er precies uit moet komen te zien. ‘Wat druk of schrijf je in een boekje dat gemaakt is van het hart van je vader? Misschien heel kleine portretjes van zijn dochters? De operatie was trouwens best spannend, als het verkeerd was afgelopen had de klep een andere betekenis gekregen. Dan was het écht een reliek geworden. Ik weet niet of ik er dan een kunstwerk van had durven maken, dat ook kan mislukken.’ Dijkstra vertelt dat de chirurg haar verzoek ‘heel leuk’ vond. ‘Ze hebben hun best gedaan om de klep er zo netjes mogelijk uit te krijgen.’ Haar vader vindt het allemaal prima, al had het hem ook niet uitgemaakt als zijn hartklep bij het medisch afval was beland.

De foto’s

Dan komt er een mailtje binnen van het ziekenhuis. Onderwerp: ‘Vertrouwelijk’. De foto’s. Ze zitten in de bijlage, ik moet daarvoor omlaag scrollen, maar eerst volgt een korte uitleg. Op de eerste foto is links mijn (gescheurde) eileider te zien, rechts bloedstolsels en het zwangerschaps- en placentaweefsel dat daaruit is gekomen. Op de tweede foto een ‘dwarsdoorsnede van je eileider, in plakjes’. Mijn gynaecoloog sluit af met: ‘Ik hoop dat je het fijn vindt de foto’s te ontvangen.’ De patholoog biedt in hetzelfde mailtje aan om binnenkort nog eens te videobellen, om uit te leggen wat ik precies op de foto’s zie. Ik ben nerveus omdat ik niet goed weet wat ik kan verwachten. Hoe ziet een ontplofte eileider eruit en wat is er nog van zo’n uit elkaar gevallen embryo te herkennen?

Ik scroll naar beneden en vind twee beeldschermvullende foto’s waar ik een beetje misselijk van word. Ik zie grauwgrijzig weefsel, iets wittigs en pezigs onderaan op de plek waar de eileider aan mijn baarmoeder vastzat, en rechts twee losse grove stukken die nog het meest lijken op uit de kluiten gewassen dolma’s, alsof het zwangerschapsweefsel in donkergroene wijnbladeren is gewikkeld. Het spul ligt op een snijmat met ruitpatroon opgedeeld in centimeters, waardoor de grootte duidelijk te zien is. Mijn eileider is bijna 3 centimeter dik, dertig (!) keer zo groot als een gezonde eileider van 1 millimeter doorsnee. Ik had iets roods en bloederigs verwacht, maar het ziet er afgestorven en doods uit.

Ik roep drie keer ‘jeetje!’ naar mijn laptop, en besluit daarna mijn man te bellen, zodat we samen de foto’s kunnen bestuderen. Veel meer dan ‘tjonge’ weet hij in eerste instantie ook niet uit te brengen. Hij begint over de mergpijpjes die zijn oma vroeger in de soep gooide. We associëren het ontplofte met de slotscène van The Substance, de bodyhorrorfilm met Demi Moore die we onlangs in de bioscoop zagen. Heel duidelijk voel ik: wat fijn dat deze dode viezigheid uit mij is gehaald. In zekere zin vind ik het, zoals de gynaecoloog al hoopte, fijn om de foto’s te zien, al moet ik er ook een beetje van walgen en vrees ik voor nachtmerries. Ik denk dat de confrontatie met wat er is weggehaald inderdaad bijdraagt aan het verwerkingsproces. Misschien is het niet zo erg dat dit deel van mij in de afvalbak is beland. Het ziet eruit alsof het daar thuishoort.

Prachtig kunstwerk

Een paar dagen later spreek ik de patholoog weer in een videogesprek. Klioueva laat weten dat het weefsel niet zo grauwgrijs uit mijn buik is gekomen, maar dat het direct na mijn operatie een nacht op sterk water heeft gestaan; formaline onttrekt de bloedrode kleur. Ze zoekt de microscopische beelden op van een plakje van mijn eileider en kan duizendmaal inzoomen, om het op celniveau te bestuderen. Op beeld verschijnt een prachtig paarsblauw-roze-rood kunstwerk met de meest wonderlijke vormen, die me doen denken aan het kronkelige patroon van een rode kool. De feestelijke kleuren zijn in het lab toegevoegd aan het weefsel, nadat het in doorzichtige paraffine (kaarsvet) is gegoten om er daarna flinterdunne plakjes van te snijden.

Alle elementen waaruit het weefsel is opgebouwd, zoals bloedcellen, celmembranen en celkernen, krijgen een eigen kleur, zodat de patholoog ze goed kan herkennen. Klioueva wijst de innestelplek van het embryo aan, en het placentaweefsel, duidelijk anders gekleurd dan de eileider zelf. Ik vind het wonderschoon. Het weefsel op de afzichtelijke foto’s in mijn mailbox ben ik al vergeten. De patholoog laat weten dat ze me dit allemaal heeft laten zien omdat ik patiënt ben en hier recht op heb, het is niet mijn privilege als journalist. ‘We hebben geen geheimen, iedereen mag zijn of haar weefsel altijd zien en daar alles over weten, maar onze afdeling is niet ingericht om aan veel van deze verzoeken te voldoen. We zijn behoorlijk belast, dus mensen moeten na jouw artikel niet met honderden tegelijk naar onze balie stormen.’

Ik besluit Zavin in Dordrecht te mailen met de vraag of ik langs mag komen. Ik ben benieuwd naar die fascinerende plek vol vaten met menselijk afval. Het trekt me aan bij wijze van bedevaartsoord. Het is toch waar mijn eileider en embryo hun definitieve einde vonden. Voor dit verhaal lijkt het me mooi om de gehele route van ons menselijk afval vanuit de OK naar de verbrandingsoven te volgen. Maar de reactie per mail is teleurstellend: ‘Om de bedrijfsprocessen optimaal te houden, geven we geen rondleidingen op het terrein en in de installatie. Succes met het artikel.’ Op een herhaald verzoek en vraag naar meer informatie wordt niet ingegaan. Ik voel me een presentator van Keuringsdienst van waarde die de toegang tot een fabriek wordt geweigerd omdat de receptuur zogenaamd strikt geheim zou zijn (dan zit er toch meteen een luchtje aan). Ik moet het er maar mee doen.

Mijn plakje eileider

Ik denk terug aan het TikTokfilmpje van de jonge vrouw die een afscheidsceremonie organiseerde voor haar geamputeerde arm. Ze nam geen afscheid van een lichaamsdeel, ze nam afscheid van waar het symbool voor stond. Van alles wat haar arm en hand hadden gevoeld, opgepakt, beetgehouden en liefgehad. Hoewel ik het aanbod van de patholoog eerder had weggewuifd, besef ik dat ik toch verlang naar het weerzien van mijn ‘in paraffine gefixeerd blokjesmateriaal’, omdat ik afscheid wil nemen van waar een eileider voor mij symbool voor staat. Vruchtbaarheid, moederschap, een toekomstidee. (Dat het een afscheid is van mijn ‘vrouwelijkheid’, omdat het daarmee ook wordt geassocieerd – daar weiger ik in mee te gaan). Een jaar na die eerste buitenbaarmoederlijke zwangerschap volgde een tweede (mijn rechter eileider is gespaard gebleven), en hoewel ik nog steeds – ofwel natuurlijk, ofwel via ivf – zwanger zou kunnen worden, veranderde mijn kinderwens de afgelopen jaren en heb ik afscheid genomen van het idee om me voort te planten. Een afscheidsceremonie van mijn eileider zou daarmee geen afscheid van een weefselblokje of van een ‘ontplofte slagersworst’ zijn, maar een afscheid van een alternatief levenspad dat ik niet zal bewandelen.

Ik mail de patholoog dat ik mijn plakje eileider toch wel terug zou willen. Na een week komt er een reactie. ‘We hebben jouw blokje T17-041*** opgezocht. Je kunt het komen halen.’

Op een maandagmiddag rijd ik naar een industrieterrein aan de rand van de stad. Van de secretaresse van het lab krijg ik na het laten zien van mijn paspoort een bubbeltjesenvelop. Daarin vind ik een klein doorzichtig zakje met een wit plastic blokje, daarop een laagje paraffine waar bruinig weefsel doorheen schijnt. Een plakje eileider, ernaast een vlokje zwangerschapsweefsel. Meer dan zeven jaar geleden in dit kaarsvet gegoten. Ik herken de vorm van de foto’s. Ik wandel terug naar mijn auto met het piepkleine blokje in mijn tas. Ergens voelt dit als een emotieloze zakelijke transactie. Maar meer op de voorgrond voel ik dat het klopt. Ik breng mijn weefsel terug naar huis. Op de bijrijdersstoel.

Het gros van mijn eileider en embryo belandde in de hete ovens van Dordrecht, maar dit aandenken heb ik teruggevonden en bewaar ik. Terwijl ik nadenk over wat voor altaar, sieraad of ceremonie me bij het afscheid kunnen helpen, lees ik op de website van afvalverwerker Renewi dat er met het verbranden van specifiek ziekenhuisafval bij ZAVIN jaarlijks ‘voor duizend huishoudens aan elektriciteit wordt opgewekt’. Het idee dat mijn voortplantingsorgaan en nooit geboren kind ergens in Nederland een piepklein schemerlampje van stroom hebben voorzien… opeens vind ik het de mooiste bestemming die ik maar kan bedenken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next