Home

Duitse superkunstenaar Anselm Kiefer opent dubbeltentoonstelling in Amsterdam: ‘Alles wat ik maak is anti-oorlog’

Anselm Kiefer Voor de opening van zijn dubbeltentoonstelling in het Stedelijk en het Van Gogh Museum vertelt kunstenaar Anselm Kiefer (1945) in 16 minuten over zijn werk en zijn leven. Zit hier een tevreden man? „Nee. Ik ben ontevreden. Omdat ik nooit kan maken wat ik echt wil.”

Honderden journalisten uit alle windstreken verdringen zich afgelopen woensdag rond een smal bankje in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Daar zit, kromgebogen en geflankeerd door twee museumdirecteuren, de Duitse superkunstenaar Anselm Kiefer (1945). Kiefer heeft naam gemaakt met letterlijk tonnen wegende installaties van beton en lood en met gigantische doeken vol goudblad, lood, zand, olieverf, stukken bezemsteel, schroot en veel dode bloemen. Alles bij Kiefer draait om de vergankelijkheid van het bestaan, de destructieve driften van de mens en het niet kunnen vergeten van schanddaden uit het verleden. Een dubbeltentoonstelling in het Van Gogh en het Stedelijk Museum Amsterdam, met vooral nieuw werk, laat dat zien.

Anselm Kiefer geeft zeker interviews, maar strikt afgepast en als hij vindt dat het gesprek klaar is, dan is het ook klaar. In het auditorium van het Van Gogh Museum, waar het vol zit met assistenten en persmedewerkers, krijgt eerst The New York Times 15 minuten – maar na een minuut of 13 staat Kiefer op: genoeg is genoeg. Dan is de beurt aan NRC (16 minuten), gevolgd door een cohort van internationale televisie- en radiojournalisten, dat ook 15 minuten krijgt.

De kunstenaar, wiens werk voor miljoenen wordt verkocht, viert op zaterdag 8 maart zijn tachtigste verjaardag. Maar daarover praten wil hij niet. Waarom niet? „Omdat die dag niet plaatsvindt.” Dus geen taart, geen cadeautjes? „Nee.”

Kiefer oogt kwiek, onvermoeibaar en nonchalant. Zijn witte kreukelhemd fladdert uit zijn broek en de schoenen die hij draagt, gebruikt hij als slippers, met van die ingetrapte hielen. Met een blik op mijn vulpen en opschrijfboekje: „Je moet steno leren. Heb ik mezelf ook geleerd. Dat gaat vijf keer zo snel.”

Twee tentoonstellingen in twee belangrijke musea: zit hier een tevreden man?

„Nee. Ik ben ontevreden. Absoluut. Omdat ik nooit kan maken wat ik echt wil. Ik ben gewoon niet goed genoeg. Ik doe mijn best, ik strijd ervoor en ik vecht bijna letterlijk met een beeld. Soms lukt iets, en dan na tien jaar, denk ik: ach nee, dat slaat nergens op, dat moet beter. Als ik tevreden zou zijn, zou ik beter meteen kunnen stoppen.”

U stelt samen met Van Gogh tentoon – zijn schilderijen van korenvelden naast uw onheilszwangere landschappen. In uw jonge jaren, nog voordat u besluit om in 1966 naar de kunstacademie te gaan, reist u met een reisbeurs in de voetsporen van Van Gogh. Waarom? U heeft vaak gezegd: „Van Gogh heeft geen talent – net zoals ik”.

„Klopt. Dat vind ik nog steeds.”

Wat spreekt u in Van Gogh wel aan?

„Hij heeft de wil en het doorzettingsvermogen om ondanks dat gebrek aan talent fantastische schilderijen te maken. Ik heb het dan over de laatste twee jaar van zijn leven, tussen 1888 en 1890. Ik hou van de manier waarop Van Gogh zijn schilderijen in vlakken opbouwt en de manier waarop hij de verf opbrengt. Ik kijk niet naar de vertwijfeling uit die laatste jaren, de persoonlijke hartstocht. Dat is voor mij als kunstenaar niet interessant.”

Kiefer werd in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw beroemd met schilderijen waarin hij het Duitse verleden onder de loep neemt. Er ontstonden doeken die refereren aan het nationaalsocialisme, over het ‘niet-weten’, maar ook aan sagen uit de Germaanse mythologie. Kiefer beeldde niets letterlijk af, maar gebruikte symbolen die nieuw waren voor die tijd. Een zwaard, een zolder, een landschap, een bloem – alles zit vol tragische dreiging.

In 1990 verhuisde hij naar Zuid-Frankrijk, een zijdefabriek in Barjac, waar hij dat Duitse verleden allengs losliet. In plaats daarvan worden de kosmos, zijn sterrenstelsels, de kabbala en de eeuwige cyclus van leven en dood belangrijke thema’s.

Ziet u die verhuizing als een breuk met uw werk van daarvoor?

„Wat betreft die kosmos: soms moet je als kunstenaar je kamer uit gaan, de wereld in. Vanzelfsprekend kom je dan bij de kosmos uit. Maar een breuk is er niet. Mijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog en wat zich daar aan gruwelijks heeft afgespeeld is nooit overgegaan. Ze is wel anders geworden. Alles wat ik maak is anti-oorlog.”

De titel van de twee tentoonstellingen nu – ‘Sag mir wo die Blumen sind’ – is een anti-oorlogslied, vooral bekend geworden door de vertolking van Marlene Dietrich. Oorspronkelijk is het een Oekraïens lied.

„Is dat zo? Dat wist ik niet.”

U heeft die titel dus niet gekozen om een uitspraak te doen over de oorlog in Oekraïne?

„Nee. Bij mij zit alles van binnen. Ik heb geen programma. Ik ga echt niet zitten denken: ‘Oh, het is oorlog in Oekraïne, in Gaza, ik moet iets over die conflicten maken.’ Zo werk ik niet.”

U heeft zich in uw werk beziggehouden met de ontrafeling van mythes. Nu bent u zelf een mythe, een ster aan het firmament, over wie films worden gemaakt en boeken worden geschreven. Ontrafelt u uw eigen mythe ook?

„Ik ben geen ster. Ja, in de jaren tachtig was ik een ster, vooral in Amerika. Dat was handig. Ik mocht altijd voor in de rij. Maar nu niet meer. Ik maal daar ook niet om. Ik wil alleen maar beelden maken.”

Source: NRC

Previous

Next