Home

Of we niet wat meer aan onszelf moesten denken, vroeg onze blonde leider tijdens het Oekraïnedebat

De kans is groot dat hij aan Abraham dacht, de aartsvader van de door hem zo teerbeminde joods-christelijke tradities. Want precies zoals Abraham, die toen het echt niet anders kon bereid was zijn zoon Isaak te offeren, zo stapte ook Geert Wilders woensdagavond richting het spreekgestoelte van de Tweede Kamer, klaar om geschiedenis te schrijven.

Het was oorlog, zijn oude vriend Poetin had Nederland al tijden geleden een mes in de rug gestoken en nu bleek ook zijn nieuwste vriend Trump een onbetwiste verrader van bondgenoten. Na jarenlang gekibbel met de oppositie was het daarom eindelijk tijd voor eendracht en opofferingsgezindheid.

Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Die van GroenLinks hadden net al gezegd dat ze hun pacifisme wilden opgeven, Timmermans stond te praten over het gebruik van atoomwapens en de VVD nam zelfs het woord eurobonds in de mond. Dus natuurlijk zou ook hij een handreiking doen. Ons aller vrijheid stond immers op het spel en zijn partij was niet alleen de grootste, maar heette nota bene de Partij van de Vrijheid.

When the going gets tough, the tough get going, dacht Wilders, en dus schraapte hij zijn keel en sprak vervolgens de historische woorden ‘onverminderde steun voor Oekraïne’.

Hij liet een korte stilte vallen. Is het niet verstandiger, ging hij verder, daar ‘blijvende steun’ van te maken? Dat klinkt namelijk net wat minder onveilig. En eerlijk gezegd schrok hij ook wel een beetje van die 3,5 miljard euro extra voor defensie. Hij was laatst namelijk bij de Albert Heijn en zag daar hele dure boodschappen. Appelmoes, enzo. Moeten we niet iets meer aan onszelf denken?

Eeuwenlang werd opoffering gezien als de ultieme deugd, iets wat je deed voor je vaderland, de eer, de toekomst van je kinderen of voor God. De Maya’s offerden tweelingen op als het volk getroffen werden door extreme rampspoed. In sommige delen van de wereld, daar waar ze Abraham Ibrahim noemen, vieren ze tijdens het Offerfeest nog altijd diens bereidheid een zoon op het altaar te plaatsen.

Maar in Nederland, zo bleek woensdagavond bij monde van onze geblondeerde, geborneerde leider, zijn we onze opofferingsbereidheid volledig kwijtgeraakt. Wij weigeren onze vliegreisjes op te offeren voor het welzijn van toekomstige generaties, vinden het onacceptabel ons grondrecht op kringverjaardagen op te geven teneinde een pandemie te beteugelen. We zijn zelfs niet langer bereid ons uitzicht op te offeren om ouderen in nood te helpen, zo bewees woonminister Mona Keijzer toen ze onlangs een bezwaarprocedure begon tegen een woonzorgcomplex nabij haar huis.

Hoe we die opofferingsgezindheid verloren, weet ik niet, maar nu de wereld steeds verder verstrikt raakt in de Trumpiaanse Twisten, weet ik wel dat het belangrijk is er een keer over te praten. Het wordt tijd een serieuze discussie te voeren over het al dan niet opofferen van onze bondgenoten, of ze nou Hongaars, Slowaaks of Amerikaans spreken. We moeten praten over het inleveren van koopkracht ten faveure van raketten. En uiteindelijk zullen we het zelfs moeten hebben over het meest ingewikkelde onderwerp van allemaal, namelijk het opofferen van mensen.

Niet van Oekraïense mensen uiteraard, daar hebben we weinig moeite mee. Maar onze eigen mensen. Dat wordt een moeilijke discussie, vurig, vuil en hopelijk ook puur hypothetisch, maar hem consequent uit de weg gaan, zoals Wilders probeert, is laf.

En laat lafheid – kijk maar naar die vorige oorlog – nou net het allerslechtste medicijn zijn dat er bestaat tegen oprukkend kwaad.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next