Home

‘Je wist niet hoe je moest reageren hè?’, vroeg de vriendin. ‘Nee’, lachte ik schaapachtig, ‘zag je het?’

In de sportschool kwam ik een vriendin tegen. Ze was net een maand op vakantie geweest en haar gezicht stak glanzend en zongebruind af tegen de bleke tronies van de andere sporters. Ze was niet alleen bruin, maar straalde ook een hernieuwde zin in het leven uit, voorbehouden aan mensen die een maand lang geen grijze luchten hebben gezien.

Hoewel ze over leek te lopen van energie, vertelde ze dat ze een paar dagen eerder flink was doorgezakt en zich nog steeds brak voelde. Voordat ik kon zeggen dat het niet aan haar was af te zien, vertelde ze er gelijk maar bij dat ze die avond ook voor het eerst in een half jaar weer eens seks had gehad.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Toen deed ik iets doms. Ik hield mijn hand omhoog, palm naar voren, waarschijnlijk (ik weet het niet meer zeker, wellicht had ik een lichte black-out) om haar een high five te geven en terwijl ik dat deed, slaakte ik een kreet. Het was een soort aanmoedigend gejoel, maar ik wilde tegelijkertijd ook iets zeggen als ‘lekker bezig’, alleen kwam dat er alles bij elkaar helemaal niet goed uit. Mijn opgestoken hand werd niet beantwoord en daarom draaide ik een halve slag om mijn as en gaf mezelf dan maar een high five met mijn andere hand. Daarna keek ik weg. ‘Wat goed’, mompelde ik nog, ietwat verward.

Dit soort kortsluitingen heb ik soms. Het gebeurt uitsluitend als ik me te bewust ben van mezelf en het te graag ‘goed’ wil doen: reageren op een manier waarvan ik denk dat een coole gast zo zou reageren. Makkelijker gezegd: het gebeurt als ik tof wil doen.

Bijvoorbeeld ook toen ik de vader van een vriendinnetje van mijn dochter enthousiast wilde begroeten. Ik liep op hem af met een open hand, om zo zijn hand te pakken, hem naar me toe te trekken en een broederlijke hug te geven. Maar hij had zijn vuist al uitgestoken om een boks te geven. Dus toen vouwde ik – aarzelend, wat het allemaal nog erger maakt – mijn hand om zijn vuist. Heel even stonden we zo, toen hij gelukkig zo genadig was om mij naar zich toe te trekken en dit hele echec te dempen in een innige omhelzing.

Het ergste van dit soort momenten – en tevens bepalend voor hoe lang een dergelijk voorval me blijft achtervolgen – is als de ander doorheeft dat het gebeurt en de vernedering helemaal compleet is. ‘Je wist niet hoe je moest reageren hè?’, vroeg de vriendin in de sportschool. ‘Nee’, lachte ik schaapachtig, ‘zag je het?’ Daarna imiteerde ik wat ik zojuist had gedaan, God mag weten waarom.

Ik troost mezelf dan altijd dat dit soort knulligheden voortkomt uit de beste bedoelingen. Maar goed, in dit land dempen we de grachten met beste bedoelingen. En worden ze geplaveid met de laatste beetjes waardigheid van klunzen zoals ik.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next