Bij elk volksfeest hoort een drankje en dezer dagen bij carnaval is dat Schrobbelèr. Een transportondernemer met een zwakke maag bedacht de kruidenlikeur in 1973 voor zijn carnavalsvrienden in Tilburg. Zijn hobby is nu goed voor een half miljoen liter per jaar.
is regioverslaggever Zuid-Nederland van de Volkskrant.
Carnaval 1973: in zijn huisbar ‘Bij den Schrobbelèr’ laat transportondernemer Jan Wassing zijn carnavalsvrienden een zelfgemaakte kruidendrank proeven. Eentje die zijn zwakke maag wél kan verdragen, dus niet te bitter, eerder zoet en met minder alcohol dan de doorsnee borrel. Jans zoon Pieter-Jan was erbij. ‘Die vrienden zeiden: Wat schenk jij nou weer in, Jan, jij rare gifmenger? En na een eerste slok: o, maar dat is lekker. En dat dan met een gelukzalige glimlach.’
Zo reageerden in totaal 150 van Wassings vrienden. ‘Iedereen vindt het lekker, zei mijn vader. Dat vond hij een prima objectief marktonderzoek.’ Kruikenstad, zoals Tilburg tijdens carnaval heet, had nog geen eigen drankje toen Wassing met zijn kruidenlikeur kwam. Hij bottelde zijn hobby in honderd kleine kruiken om het tijdens carnaval te verkopen en noemde het Schrobbelèr. Nu verlaten jaarlijks anderhalf miljoen kruiken, goed voor 500 duizend liter, de productiehal op een bedrijventerrein aan de rand van Tilburg.
De Onderneming
In deze wekelijkse rubriek vertellen ondernemers over hun bedrijf. Vandaag: Schrobbelèr uit Tilburg, opgericht in 1973, met 25 werknemers en een omzet van 6 miljoen euro in 2024.
Jan Wassing overleed in 1981. ‘Hij heeft het succes van de honderd kruikjes nog net meegemaakt’, zegt zijn zoon Pieter-Jan Wassing (65), nu de eigenaar van Schrobbelèr.
Het drankje gaat tegenwoordig naar duizenden slijterijen en horecazaken in heel Nederland, ook boven de rivieren. Daarmee is Schrobbelèr – de klemtoon op de laatst lettergreep, uitgesproken als ‘air’ – niet meer uitsluitend een carnavalsdrankje.
Al is het volksfeest elk jaar wel een bedrijfseconomisch én persoonlijk hoogtepunt, aldus Prins Jan d’n Derde, oftewel Jan Eijsermans, de 39-jarige commercieel directeur van Schrobbelèr. ‘Met carnaval pakken we in één week 10 procent van de jaarafzet’, zegt de man die vier dagen – compleet met lijfwacht – de baas is van Kruikenstad. ‘De weken ervoor en erna verkopen we dan wel wat minder.’
Schrobbelèr is zowel een kleine speler als een bijna-monopolist: het is maar hoe je de markt definieert. ‘Alles wat in een borrelglas geschonken wordt, is onze concurrent’, zegt Eijsermans, kleinzoon van geestelijk vader Jan Wassing. ‘Dat gaat van jenever tot Flügel en elk ander partyshotje. Als je het zo bekijkt, hebben we een heel klein marktaandeel.’
Tegelijk is er geen Nederlandse drankje dat erop lijkt. ‘We zijn uniek’, legt Eijsermans uit, ‘omdat wij een likeur zijn en de anderen in de bittere hoek zitten. Dat we lager in de alcohol zitten en iets zoeter zijn, daar zat helemaal geen marketinggedachte achter. Het was gewoon lekker zo. Onbedoeld hebben we een niche gevonden qua receptuur.’
Zo waren de grillen van het lot wel vaker bepalend in de vijftigjarige geschiedenis van het kruidendrankje. ‘Ons succes is een optelsom van toevalstreffers’, zegt de commercieel directeur van het ‘organisch gegroeide’ familiebedrijf. ‘We groeien tegen de marktomstandigheden in.’ In de krimpende categorie ‘binnenlands gedistilleerd’ (4 miljoen liter) wordt Schrobbelèr steeds groter en staat het nu op een marktaandeel van 12,5 procent.
Eijsermans’ oom, Pieter-Jan Wassing, wiens zoon Floris nu Schrobbelèr-distillateur is, herinnert zich de begintijd toen Schrobbelèr ‘per ongeluk’ bijna een derde van de Tilburgse borreltjes voor zijn rekening nam. Dat het drankje 43 kruiden bevat, net zoveel als het grote Spaanse Licor 43, is volgens Wassing trouwens ook toeval. Net als dat het originele recept met al die kruiden – onder meer steranijs, lavendel, kaneel, knoflook, zoethout – in de kluis van zijn vader bleek te liggen. ‘Niemand kende dat uit zijn hoofd.’
Even onbedoeld leidde de keuze voor de verpakking tot grote herkenbaarheid en, volgens Eijsermans, ‘aaibaarheid’. En de naam? Uit marktonderzoek bleek dat het niet echt uitmaakt om voor specifieke markten, specifieke merken te bedenken. ‘Waarom dan de naam veranderen?’, zegt Wassing. ‘Laten we het maar gewoon met Schrobbelèr proberen.’
Een schrobbelaar was een ongeschoolde arbeider in de Tilburgse textielindustrie die geverfde wol schoon schrobde en reinigde met zijn eigen urine. Die nam hij mee in een kruik – de bijnaam voor Tilburger is kruikenzeiker. In de productiehal van Schrobbelèr staan pallets vol in Duitsland gebakken kruiken te wachten om de lopende band op te mogen. ‘Om die te maken heb je lang niet zoveel energie nodig als voor glas’, legt Eijsermans uit. Hergebruik als kruik zit er echter niet in. ‘Wel als puin voor de huizen- en wegenbouw.’
Naam, kruik, kruidige geur, goudbruine kleur en milde smaak: alle factoren droegen bij aan een effect dat de jonge Pieter-Jan al in zijn vaders kroeg thuis zag. ‘Die 150 vrienden van mijn vader die Schrobbelèr voor het eerst dronken ervaarden dat allemaal als een hoogstpersoonlijke ontdekking. Daarmee werden het 150 ambassadeurs die iets positiefs met anderen wilden delen, bijna zo van: dit drankje heb ik uitgevonden.’
Dat gevoel van eigenaarschap kenmerkt volgens Wassing en Eijsermans nog steeds de Schrobbelèr-drinker. Die is van alle leeftijden en drinkt de likeur met of zonder ijs, warm met slagroom, bij de koffie, voordat de carnavalsdag begint, tussen rondjes bier. Tilburgers spreken liefdevol van ‘een knuffel van binnen’.
‘Het zorgt voor verbinding als je anderen wilt laten meedelen in iets wat jij hebt ontdekt’, weet Wassing. ‘Sfeer en beleving bepalen in hoge mate de smaak; bij een blinde proef herkent hooguit 30 procent Schrobbelèr.’
Dat cijfer komt uit de rondleidingen die het bedrijf voor groepen organiseert. Een onbedoelde hit: jaarlijks komen 25 duizend liefhebbers zich drie uur lang onderdompelen in de wereld van Schrobbelèr. ‘De rondleidingen dragen niet wezenlijk bij aan het bedrijfsresultaat’, zegt Eijsermans, ‘maar des te meer aan het ambassadeurschap van onze fans.’ En aan verbinding, benadrukt zijn oom. ‘We ontvangen zestig wildvreemden en drie uur later gaan ze als een grote familie weer naar buiten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant