Home

Alicja Gescinska: ‘Schuldgevoel is geen slecht gevoel. Het kan het begin zijn van verandering’

Terwijl grenzen dicht gaan en eigenbelang regeert, pleit de Pools-Belgische filosoof-schrijver Alicja Gescinska ervoor mee te leven met wie het minder goed heeft. Niet eenvoudig. ‘Als het makkelijk was, dan waren er geen vernietigingskampen geweest.’

is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek, subsidiebeleid en wat zich afspeelt op het snijvlak van kunst en samenleving.

Op een drukkend warme dag in 2017 kwam Alicja Gescinska (43) met een cameraploeg aan bij het Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila aan de zuidrand van de Libanese hoofdstad Beiroet. Vrijwel meteen wist ze: ‘Hier ga ik niet ongeschonden uitkomen. Hier schrijf ik op een dag over.’

Acht jaar later is het ervan gekomen. De vorm was er niet meteen, alleen een brief van liefst vijfduizend woorden met ervaringen die Gescinska meteen aan een penvriend had geschreven. Maar een jaar geleden zag de veelzijdige Pools-Belgische filosoof ineens de literaire personages voor zich om de ideeënnovelle De gezichtslozen te dragen.

Fotograaf Mona is de hoofdpersoon. Uit Europa komt ze over naar Beiroet om aan een kunstproject te werken. Na een paar weken bezoekt ze het Palestijnse Shatila. Het is haar entree in een schaduwwereld die haar stadse Libanese vriendinnen Juhaina en Ruba ‘de rattenholen van het zuiden’ noemen. In de beschrijving zet Gescinska een duistere toon voor de novelle.

‘Traag liepen we tussen het vuilnis richting de gebouwen die gemaakt leken om in te storten. Alles was rudimentair; voegmortel ontbrak vaak tussen de betonblokken, waar vensters hadden moeten zitten gaapten soms vierkante, soms rechthoekige gaten in de muren. Hier en daar waren er balkons met lakens over de balustrades gehangen. Het was niet duidelijk of het gordijnen waren of de was die te drogen hing. Bewoonde ruwbouw.’

De gezichtslozen gaat over een filosofische vraag die Gescinska als een rode draad in haar werk ziet: hoe meelevend met anderen moeten we als mens zijn? Ze had daar moeilijk een actueler decor voor kunnen kiezen.

Het vluchtelingenkamp Shatila is in 1949 gesticht door de Verenigde Naties, als een plek met vijfhonderd tenten om Palestijnse gezinnen op te vangen die waren gevlucht voor het Israëlische leger. Het is een van de tientallen kampen die de VN aan de grenzen van Israël runnen om tot op de dag van vandaag onderdak te bieden aan veelal de nakomelingen van de 700 duizend Palestijnen die zijn verdreven toen het leger van de jonge Joodse staat hun dorpen en steden overmeesterde.

Driekwart eeuw later zijn de VN-tenten al lang verwaaid en wonen meer dan 11 duizend Palestijnse vluchtelingen in Shatila in krappe, gevaarlijk geïmproviseerde woonblokken. Ze zijn stateloos en leven zonder nationaliteit, paspoort of burgerrechten in Libanon. Zonder toekomst zijn ze in afwachting van terugkeer naar het huis dat hun ouders of hun grootouders ooit verlieten – of van een oversteek op een migrantenboot naar Europa.

Als Mona in De gezichtslozen vriendschap sluit met de Palestijnse vluchteling Suhaila en haar jeugdvriend Jamal, hoort ze over hun moeizame bestaan. Haar foto’s van de buurtbewoners winnen gaandeweg aan kracht, en ook haar Libanese vriendinnen in het centrum zijn geraakt door het portret van Khaled, die in de Libanese burgeroorlog het bloedbad van Sabra en Shatila overleefde. Dan confronteert ze hen met de vraag hoe zij zich kunnen verzoenen met het lijden dat slechts een taxirit van hun huis is verwijderd. ‘Kun je vertederd naar zijn portret kijken, meeleven, echt meeleven met zijn lot en dan wegkijken?’

Wat trof u zo tijdens het bezoek aan Shatila?

‘Soms spreek je iemand die je vertelt over het zware leven dat zij leidt. Maar het is iets anders wanneer je straat na straat langs vergeten mensen loopt. Mensen die levenslang zijn veroordeeld tot één vierkante kilometer.

‘De plek waar we worden geboren kiezen we niet. De geschiedenis die we op onze schouders torsen is een gegeven waar we het maar mee hebben te doen. Het besef dat ieder van ons daar had kunnen zitten, kwam hard bij me binnen. Ik ben in Polen geboren en in 1988 als kind met mijn ouders naar België gevlucht. We hebben toen zeven jaar geen papieren gehad. Maar vanaf het moment dat ik een paspoort had is mijn lot volkomen anders: met identiteitspapieren heb je bestaansrecht in de wereld.’

De geschiedenis van de Palestijnse vluchtelingen is toch regelmatig in het nieuws. Kende u hun verhaal niet?

‘Kennis ergens van hebben is iets anders dan het voelen. Je kunt weten dat bijvoorbeeld in Somalië een hongersnood is en dat daar zo- en zoveel kinderen dreigen te sterven. Maar het is iets anders wanneer je zelf zo’n kind vasthoudt, of met de moeder praat die vertelt dat ze afgelopen nacht ook haar vierde kind is verloren.

‘Uitzichtloosheid kun je theoretisch misschien begrijpen. Maar ik heb daar pas ervaren wat het betekent om tussen de plooien van de geschiedenis te vallen. Het lot dat je treft is nog niet het ergste. Maar dat niemand het zich aantrekt. Dat iedereen het maar normaal vindt: gewoon pech hebben. Het personage Mona lijdt onder dat besef.’

Het 110 pagina’s tellende De gezichtslozen verschijnt op een moment dat het lijden van de Palestijnen onder Israëlische bombardementen al zeventien maanden onophoudelijk in het nieuws is – nadat zij in de jaren daarvoor langzaam van de radar van het wereldnieuws waren verdwenen. Maar met haar novelle wil Gescinska een verhaal vertellen dat Israël, Palestina en het Midden-Oosten overstijgt, zegt ze, met koffie en water op tafel in haar woonkamer in een Vlaams dorp vlak over de grens bij Breda.

‘De vragen die ik opwerp gaan over alle mensen van wie wij ons afwenden. Evengoed over de Rohingya die uit Myanmar zijn verdreven, of de afgewezen asielzoekers in onze eigen straten. Wie denkt aan de miljoenen Oeigoeren die China onderdrukt, uitbuit en vermoordt? Veel tomatenketchup die je bij ons kunt kopen is gemaakt van puree van tomaten die in slavenarbeid door Oeigoeren zijn geplukt. We willen dat soort dingen niet weten, omdat het niet comfortabel is om te weten dat andere mensen lijden voor onze levensstandaard. We zijn uitmuntend in onze ogen afwenden.’

Al vanaf De verovering van de vrijheid – Van luie mensen, de dingen die voorbij gaan (2011) betoogt Gescinska dat het leven ons is gegeven met de opdracht om je voor elkaar in te spannen. Stel jezelf niet alleen de vraag wat je mag doen, maar ook wat je kan doen, hield ze de lezers van haar debuut voor. Sindsdien hield ze vele lezingen en schreef ze een roman, twee stevige boekessays, een poëziebundel en een theatermonoloog.

Hoofdschuddend ziet ze aan hoe mensen T-shirts dragen met de opdruk ‘Ik moet helemaal niks’. Zelf sloeg ze al allerlei paden in om zich nuttig te maken: ze maakte twee seizoenen lang het filosofisch interviewprogramma Wanderlust voor de Belgische televisiezender Canvas en stelde zich daarna (tevergeefs) kandidaat voor het Europees Parlement. Over het belang van politieke betrokkenheid schreef ze vervolgens Intussen komen mensen om (2019).

De novelle De gezichtslozen mag dan ook gerust maatschappijkritisch heten, ‘daar schaam ik mij niet voor’. Het laat zich lezen als een in proza verpakte strijdkreet op een moment dat overal waar nationalistische politiek terrein wint, migranten, vluchtelingen en minderheden van alle aard in het nauw raken.

Waarom zijn we er als mensen zo goed in onze ogen te sluiten voor het leed van anderen?

‘Om niet gek te worden. Maar ik vind dat we best een beetje gebukt mogen gaan onder de problemen van de wereld. We hebben de morele plicht om ons steeds opnieuw het lot van onze medemens aan te trekken. De vraag is hoe je dat in balans houdt. Hoe kun je je het lijden van anderen aantrekken zonder er zelf aan onderdoor te gaan? Ik slaag daar zelf ook niet altijd in, want ik ga vaak ongelukkig slapen. Ik kan je dus niet precies vertellen hoe je dat moet doen. Maar ik weet wel dat het niet gerechtvaardigd is om onze ogen te sluiten. Dat lijkt mij het foute antwoord.’

Maar waarom eigenlijk: veel problemen lijken toch te groot om op te lossen?

‘Hoe we elkaar behandelen raakt aan de kern van wat ons tot mens maakt. Hoe we onszelf zien hangt af van hoe anderen ons bejegenen. Het mooie idee dat we mensen zijn met rechten, waardigheid en een eigen stem, komt niet zomaar uit onszelf. Je leert dat eerst van je ouders en daarna van de samenleving waarin je opgroeit.

‘Maar als anderen je niet zien staan en je als afval behandelen dan ga je jezelf ook als een stuk afval beschouwen. In literatuur van overlevenden uit de concentratiekampen van de nazi’s of de goelagkampen van de Sovjet-Unie lees je dat ook terug. De opsluiting en uithongering knaagde niet alleen aan hun waardigheid, maar ook aan hun begrip van menszijn: ze zagen zichzelf als nummer of ding.

‘Zoals we in staat zijn om elkaar te ontmenselijken, kunnen we elkaar ook tot mens maken. Daarom vind ik het belangrijk dat we ons bewust zijn van hoe we met elkaar omgaan en ons eigen gedrag kritisch bekijken.’

Waarom is dat zo moeilijk?

‘Het is makkelijker om de fouten bij een ander te zien, dan om jezelf onder de loep te nemen. Het is makkelijk om de anderen barbaars, achterlijk of niet beschaafd te vinden. Maar zijn we zelf wel zo beschaafd?

‘Mona zegt tegen haar Libanese vrienden: jullie hebben geen oog voor de Palestijnen, jullie doen het niet goed. Jullie, jullie, jullie. Maar ze vraagt zich niet af: wat doet mijn land eigenlijk voor onzichtbaren en staatlozen die op straat slapen. België? Nederland? Wij ontmenselijken vluchtelingen en migranten voortdurend. Hoe we over ze spreken in kranten en op televisie. Altijd als een probleem, nooit als een oplossing. Ze zijn ballast, overlast, een kostenplaatje.

‘Ik hoop dat mijn novelle lezers uitdaagt tot een denkoefening: wie zie ik niet, wie is voor mij onzichtbaar? We zien allemaal mensen over het hoofd, ook ik. Niemand is heilig. Het kan over veel meer gaan dan mensen zonder papieren. Er zijn allerlei redenen waarom iemand erbuiten valt: iemand van 1,40 meter beweegt zich anders door de samenleving dan iemand van 1,80 meter; en mooie mensen weten niet hoe het leven is als je minder fortuinlijk bent met je uiterlijk.’

Wie zich bewust is van hoeveel mensen in de wereld tussen wal en schip vallen, of onder erbarmelijke omstandigheden werken om de spullen te maken voor ons welvarende leven, krijgt toch een enorm schuldgevoel?

‘Ja, maar dat is geen slecht gevoel, hè. Het is een onprettig gevoel voor degene die het ondergaat, maar het kan het begin zijn van verandering. Ik zou het fijn vinden als mensen zich vaker slecht en schuldig zouden voelen en zich afvragen of iets wel correct is. Ook politici. In de nieuwe Belgische regering zit in het kernkabinet niet één vrouw. Het is volledig archaïsch. Ik hoop dat sommigen dat eigenlijk niet normaal vinden en zich daar schuldig over voelen. Ze hebben allemaal een moeder tenslotte.’

Momenteel winnen partijen die eigenbelang voorop stellen bij tal van verkiezingen. Hoe verklaart u dat?

‘Zelfbehoud is onderdeel van de overlevingsdrang die ons bijna instinctief is ingebakken: eerst aan jezelf en je eigen welvaart denken en dan pas aan een ander. Het is een slingerbeweging die we scherp in de gaten moeten houden. Steeds hebben we weer de opdracht om in het leven als mens te blijven groeien. Dat is moeilijk, maar goed leven is geen walk in the park. Als het makkelijk was, dan waren er geen goelagkampen geweest, of vernietigingskampen.

‘Het is belangrijk om te weten dat je geen held hoeft te zijn om iets te veranderen. Je hoeft niet naar Beiroet te gaan om Palestijnse vluchtelingen te helpen. Hoe je iemand bejegent in een winkel of bij het oversteken van de straat; of je iemand aankijkt of niet. Al die dingen maken verschil. Hoe je kinderen opvoedt. Ik heb drie zonen en die moet ik leren dat ze dingen moeten delen. Het is een opdracht die nooit ophoudt.’

Wat staat u het meest bij van de jaren dat u stateloos was?

‘Ik herinner me de dag dat wij onze papieren kregen en Belg werden. Die avond zaten mijn ouders, mijn twee zussen en ik aan tafel en ieder had zijn identiteitskaart tegen een glas water gezet. We waren allemaal aan het eten en tegelijk naar het document te kijken. Zo van: we hebben een pas, we horen erbij. We mochten na zeven jaar eindelijk thuis zijn in de wereld.

‘Het moment dat Mona haar paspoort in haar zak koestert, is het meest autobiografische moment uit de novelle. Als ik op reis ga is het elke keer een bijzonder moment als ik mijn paspoort klaar leg. Ik controleer ook vaak waar het ligt. Het is nooit gewoon maar een boekje. Het is een sleutel tot de wereld.’

Alicja Gescinska: De gezichtslozen. De Bezige Bij; 110 pagina’s; € 19,99.

Wie is Alicja Gescinska?

Alicja Gescinska (1981) is geboren in Warschau, toen Polen een communistisch bestuurd land was en in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie lag. Toen ze 7 jaar was, vluchtten haar ouders met hun drie dochters naar België – ‘ze hadden de autoriteiten verteld dat we alleen op vakantie naar Frankrijk zouden gaan’ – en vestigden zich in Vlaanderen. Gescinska studeerde en promoveerde in de filosofie aan de Universiteit van Gent. Later deed ze in de Verenigde Staten postdoctoraal onderzoek, onder meer aan het prestigieuze Amherst College, dat het decor was van haar eerste roman Een soort van liefde (2016). Ze won er de Vlaamse Debuutprijs mee.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next