Home

Sami al-Ajrami schreef een dagboek over het eerste halfjaar van de Gaza-oorlog: ‘Journalist zijn in Gaza is vastzitten in je eigen reportage’

De Palestijnse journalist Sami al-Ajrami deed verslag van de oorlog in Gaza. ‘Maar ik was zelf ook vluchteling, dus na het werk ging ik terug naar mijn tent, waar geen eten was, en ik niet kon douchen.’

is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël,de Palestijnse gebieden, het Midden-Oosten en België.

Hoe het met hem gaat? Het is een simpele vraag, maar Sami al-Ajrami weet niet zo goed hoe hij hierop moet antwoorden. Hij heeft de oorlog in Gaza overleefd, net als zijn twee dochters. Hij is gezond en hij is even in Nederland omdat de vertaling van zijn boek net is uitgekomen. Dus in principe zou je zeggen dat alles goed is.

‘Maar ik voel me afschuwelijk’, zegt hij, ‘want een deel van mij leeft nog steeds in Gaza. Alleen bestaat die plek niet meer. Alles waar ik van houd, mijn huis, de straten waar mijn vrienden woonden, de restaurants waar ik graag kwam: allemaal vernietigd. En ja, ik ben veilig in Caïro, maar mijn broers en zussen en mijn moeder van 85 zijn nog steeds daar.’ Hij zwijgt even en zegt dan: ‘Ik weet niet of ik hen ooit terug zal zien.’

Als journalist en fixer voor internationale media (waaronder NRC en de Italiaanse krant La Repubblica) had de 58-jarige Al-Ajrami al veel oorlogen meegemaakt. Maar dit was het anders, schrijft hij in zijn boek De sleutels van het huis, omdat hij niet enkel toeschouwer was, maar deel uitmaakte van het verhaal. Zo stond hij zelf in het ziekenhuis om veertien familieleden te identificeren. ‘Dan til je dat laken op en zie je hun gezichten’, vertelt Al-Ajrami. ‘De familie waarin je bent opgegroeid, de kinderen met wie je zelf hebt gespeeld. Een dag later doe je verslag van mensen die hetzelfde doormaken. Het brak me.’

De meeste oorlogscorrespondenten gaan ’s avonds na hun werk naar een hotel en stappen na een paar weken op het vliegtuig terug naar huis. U kon dat niet.

‘Ik heb nog nooit onder zulke zware druk moeten werken: het internet lag plat, net als het telefoonnetwerk, er was geen stroom, geen brandstof om met de auto ergens naartoe te gaan. Maar nog veel erger was dat ik zelf ook vluchteling was. De hele dag was ik bezig met de veiligheid van mijn dochters, twee meisjes van 19, en ’s avonds keerde ik terug naar een tent, waar ik niets te eten had en ik me niet kon wassen.’

De pers was bovendien een doelwit voor de Israëliërs. U schrijft in uw boek dat dit een van de belangrijkste redenen was om Gaza te verlaten.

‘Tegen de tijd dat ik uit het gebied vertrok, zes maanden na het begin van de oorlog, waren 182 journalisten of hun familieleden vermoord. Ik zit in een chatgroep met alle 640 Palestijnse journalisten in het gebied, en er ging geen dag voorbij of een van ons was vermoord – vrienden, collega’s, elke dag weer.

‘Ik besefte bovendien dat ik, als journalist, een gevaar was voor anderen. Dat als ze mij zouden vermoorden, iedereen in mijn buurt zou worden meegesleurd in de dood. Mensen wisten dat zelf ook en werden bang om met me te praten. Toen besloot ik dat het genoeg was. Ik ben nog duizend keer van gedachten veranderd, maar uiteindelijk besloot ik te gaan.’

Ook voor de oorlog was het leven in Gaza zwaar. De inwoners waren arm omdat Israël het gebied had afgesneden van de buitenwereld en volledig bepaalde wat er binnenkwam. Daarnaast was er de Hamas-regering die de bevolking haar streng islamitische regels oplegde en elke vorm van protest met harde hand neersloeg. En kon het altijd weer oorlog worden.

Toch verschijnen er lachrimpeltjes als Al-Ajrami vertelt over Gaza: het heerlijke klimaat, het eindeloze strand en de lange avonden met vrienden. ‘En het eten is geweldig! Vissoep uit Gaza, je kunt nergens beter krijgen!’

U schrijft veel over de onderlinge solidariteit in Gaza – die is enorm.

‘Als je alles dreigt te verliezen, vallen alle meningsverschillen weg. Familie en vrienden helpen elkaar om te overleven: je logeert in elkaars huizen, je deelt eten, water en medicijnen, je zorgt voor elkaars kinderen. Het is de enige manier om door te kunnen.

‘Maar naarmate de oorlog langer duurde en er geen eten meer was, sloegen wanhopige mensen elkaar dood voor een stuk brood. Die beelden liet Israël weer aan de buitenwereld zien. Kijk: dit zijn geen mensen meer, dit zijn wilde barbaren.’

U moest vaak extreem snel beslissingen nemen, over kwesties van leven of dood, meestal zonder goede informatie.

‘Het is een zware beslissing om alles achter te laten, en op het moment dat je je spullen pakt, merk je dat werkelijk alles belangrijk voor je is. Je hele leven zit in je huis, en je beseft dat je wellicht nooit meer terugkomt. We hadden bovendien geen idee waar we naartoe moesten.

‘Die paniek bleef. Zitten we hier wel veilig, of moeten we weer ergens anders naartoe? Elke keer dat je vlucht – in totaal ben ik wel zeven keer naar een andere plek gegaan – verlies je weer iets. Kleding, herinneringen: je laat iets vallen in de haast of je kunt het zo snel niet vinden in de chaos. Je moet rennen, anders ga je dood.’

Als journalist spreekt u veel mensen. Eén van hen is de 13-jarige Yezim, die voor zijn zusje van 11 zorgt omdat de rest van de familie is gedood bij een luchtaanval. Weet u wat er met hen is gebeurd?

Zijn gezicht verstrakt even, en dan komen er tranen. ‘Sorry’, zegt Al-Ajrami, en veegt ze weer weg. ‘Al die mensen die ik heb gesproken, al hun tragische verhalen, spoken ’s nachts door mijn hoofd.

‘Veel mensen zoeken nog contact met me. Ze bellen of ze appen. Maar ik kan het soms niet aan, ik probeer mijn wonden te laten helen en telkens als ik denk dat het beter gaat, zie ik die beelden weer. Het is te pijnlijk om contact te houden. Maar Yezim is anders, die belt regelmatig en wil altijd weten hoe het met míj gaat. Terwijl ik veilig ben, en hij nog daar zit, in Gaza.’

Dankzij uw netwerk is het gelukt om eerst uw dochters uit Gaza te krijgen, en daarna bent u zelf vertrokken. Na zes maanden oorlog, stond u plotseling in Caïro, waar het leven gewoon was doorgegaan. Hoe was dat?

‘Zo onwerkelijk. Toen ik over de grens was, hoorde ik de drones nog, hoorde ik de bommen nog. Maar ik, een broodmagere man in stinkende, gescheurde kleren, was veilig. Ik stortte in. Letterlijk. Ik ging zitten op de grond zitten en kon niet meer bewegen. Na tien dagen had ik alweer spijt. Ik miste iedereen. Dat is nog steeds zo, maar ik moet mijn verhaal vertellen – het verhaal van alle mensen in Gaza.’

Ik draai de deur twee keer op slot en doe de sleutels in mijn zak. ‘Niet omkijken’, zeg ik zachtjes tegen de meiden. Ik laad de auto in, help mijn zieke vader met instappen en doe hem de veiligheidsgordel om. We gaan allemaal zitten, maar ik aarzel nog even. Voor de zoveelste keer vraag ik: ‘Hebben jullie alles?’ (Fragment uit De Sleutels van het Huis)

Sami al-Ajrami spreekt zaterdag 1 maart vanaf 20.00 in Debatcentrum De Balie in Amsterdam, en op dinsdag 4 maart om 19.00 uur bij Boekhandel Paagman in Den Haag.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next