Helpende handen sloeg ze aanvankelijk weg, daarna werd ze ondanks suïcidale neigingen lang ‘van het kastje naar de muur gestuurd’. Inmiddels leidt Iris Workum haar eigen Transformers Community voor jongeren met mentale problemen: ‘Bij ons vormt zingeving de rode draad’.
Als 22-jarige weet ze twee studierichtingen te combineren met een stage van drie dagen per week, zes keer per week sporten en ’s nachts uitgaan. In haar omgeving dwingt ze daarmee nogal eens bewondering af: ‘Mensen keken tegen me op. Ik sliep maar vier uur per nacht om het allemaal te kunnen combineren.’ Dat lukt, tot op die middag in de sportschool waarop ze plots geen adem meer krijgt. Een paniekaanval dwingt haar vervolgens naar huis. Ze belandt in een spagaat: ‘Ik had niet meer de energie om door te gaan, maar kon ook niet stoppen. Dan zou mijn leven instorten.’
Voor psycholoog Iris Workum, inmiddels 31 jaar, volgt dan een tien maanden durende, wanhopig stemmende zoektocht langs hulpverlenende instanties in de ggz (geestelijke gezondheidszorg): ‘Ik moest mijn huisarts wekelijks bezoeken en iedere keer beloven dat ik er de volgende week nog zou zijn. Ik ben hem nog altijd dankbaar. Net als mijn vrienden, zonder hen zou ik er niet meer zijn geweest.’
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Wat er in die tien maanden in de ggz misgaat? ‘Ik kreeg te maken met wachtlijsten en met instanties die zeiden mij niet te kunnen helpen. Voor de een was ik te suïcidaal, voor de ander niet suïcidaal genoeg.’ Ze ontmoet een psycholoog die haar niet kan behandelen, omdat ze een persoonlijkheidsstoornis ontbeert: ‘Dat was bij haar instituut een vereiste van de zorgverzekeraar. Die vrouw had tranen in haar ogen. ‘Ik wil je heel graag helpen, maar ik mag het niet doen’, zei ze.’
Pas bij de vijfde psycholoog (‘een zeer ervaren man die mij zag als mens met een probleem, niet als een probleem’) weet ze de weg omhoog te vinden. Ze vindt werk bij een debatcentrum. Wanneer dat in 2020 door corona stilvalt, reflecteert ze op wat haar is overkomen – in de voorbije jaren, maar ook in haar jeugd. ‘Het had nooit zover hoeven komen. Wat met mij is gebeurd, was te vermijden geweest’, concludeert ze.
Het brengt haar tot de oprichting van de Transformers Community, die is gericht op het vroegtijdig helpen van jongeren met mentale problemen. In 2024 staat de stichting duizend jongeren bij, achthonderd online en tweehonderd met trainingen. Jongeren worden onder supervisie van ervaringsdeskundige mentoren met elkaar in contact gebracht – ze delen hun problemen en leren vaardigheden om zich in het leven staande te houden. Zelf had ze dat soort steun vroeger graag gehad: ‘Als ik eerder had geweten dat ik me niet voor mijn gedachten en gevoelens had hoeven schamen, was het allemaal niet zo uit de hand gelopen.’
Waar schaamde u zich voor?
‘Ik kom uit een gezin waarin mijn ouders weliswaar naar de emoties van mij en mijn zusje vroegen, maar zelf nooit hun gevoelens van verdriet of boosheid toonden. Daardoor lukte het niet me emotioneel met hen verbonden te voelen. Mijn vader werkte voor een Amerikaans bedrijf, hij was veel weg. Mijn moeder had een pedicurepraktijk aan huis, dus was er wel, maar schermde zich deels af. Als ze moest huilen, sloot ze zich op in de badkamer. Dat afschermen ben ik ook gaan doen. Toen onze kat overleed, stond ik als 10-jarige in de voorraadkast te huilen. ‘Ik blijf hier net zo lang staan tot het weer over is’, dacht ik. Ik kreeg vaak te horen dat ik ‘te gevoelig’ reageerde. Dat gaf me het gevoel dat ik eigenlijk niet goed was zoals ik was.
‘Ik begon niet alleen mijn emoties te onderdrukken, maar kreeg ook een laag zelfbeeld. In mijn puberteit kreeg ik steeds vaker het gevoel dat niets er meer toe deed. Daar sprak ik met niemand over. Als ik nu terugkijk, is het duidelijk voor me dat ik depressief was. Destijds vond ik vooral dat ik geen recht had op mijn gevoelens. ‘Ik ben nooit geslagen of misbruikt, heb een dak boven mijn hoofd, zit op het vwo, haal goede cijfers en heb veel vrienden, dus ik heb geen enkele reden me ongelukkig te voelen’, hield ik mezelf voor. Dat ik toch niet gelukkig was, verweet ik mezelf. Dat leidde tot een hang naar perfectie. ‘Als ik perfect ben, ga ik me gelukkig voelen’, werd mijn overtuiging. Ik deed er alles aan te verbloemen dat er iets mis met mij was en probeerde er voortdurend voor anderen te zijn.’
Heeft u het nooit met iemand besproken?
‘Ik herinner me op de middelbare school een gesprek met een vriendin die tegen me zei: ‘Als er iets is, dan mag je dat zeggen, hè?’ Ik antwoordde haar dat mijn problemen er niet toe deden, dat in andere landen kinderen doodgingen. Zij antwoordde: ‘Het is niet dat jij daarom geen gevoelens mag hebben.’ Maar tot een echt gesprek kwam het niet. Wanneer mensen mij de helpende hand reikten, sloeg ik die weg. Ik was bang dat mensen niets meer met me te maken wilden hebben als ik open over mijn gevoelens zou zijn.’
Wat niet het geval bleek, ontdekte u na uw paniekaanval?
‘Het tegendeel bleek inderdaad het geval. Vrienden vonden het fijn dat ik gelijkwaardig aan ze werd, toen ik mondjesmaat iets over mijn gevoel begon prijs te geven. In hun ogen werd ik eindelijk menselijk. Voor mij was dat een enorme mindfuck. Vanaf mijn 14de tot mijn 22ste had ik mezelf ervan overtuigd: ‘Als je dit laat zien, gaat iedereen bij je weg.’ In plaats daarvan kreeg ik juist hechtere vriendschappen. Die hebben me door de tien maanden die toen volgden heen geholpen. Maar vrienden zijn natuurlijk geen professionals. Ik had therapie nodig, er was te veel gebeurd.’
U had ook suïcidale gedachten.
‘Ik deed aan zelfbeschadiging, wat gezien wordt als een indicatie dat het echt serieus is. Toch kwam ik op een wachtlijst terecht. Ik had het gevoel van het kastje naar de muur te worden gestuurd, sommige psychologen waren alleen maar bezig een label te verzinnen, ik voelde me door hen niet als mens gezien. Na negen maanden kon ik niet meer verder. ‘Ik geef mezelf nog een week, dan ben ik er wel klaar mee’, bedacht ik. Juist toen kwam de juiste hulp.’
Waardoor ging het volgens u bijna mis?
‘Je hebt goede en slechte psychologen natuurlijk, maar ik maak niemand persoonlijk een verwijt, iedereen is op zich welwillend. In mijn ogen ligt het vooral aan een systeem dat al na een eerste gesprek aan een therapeut vraagt een label op iemand te plakken. De verzekeraar weet dan waar hij aan toe is, maar ik denk niet dat het de cliënt helpt. Eigenlijk kun je een diagnose pas stellen als je iemand kent en dat vergt tijd. Bovendien is de ggz overbelast. Tien jaar geleden waren er al wachtlijsten, dat is alleen maar erger geworden. Ook daarom geloof ik zo sterk in preventie. Dan kun je ervoor zorgen dat de zwaarste gevallen niet eerst op een wachtlijst terechtkomen, maar direct door de ggz worden geholpen. De selectie moet beter, niet alle hulpvragen zijn vragen voor de zorg.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘Het probleem is dat jongeren denken dat de wereld uit geluk en succes moet bestaan, voor negatieve emoties is er dan geen ruimte meer. Maar die hebben net zozeer een functie als blijdschap en geluk. Onlangs sprak ik een jongen die erg verdrietig was, omdat zijn allereerste relatie uit was gegaan. Hij dacht dat hij depressief was en dus een psycholoog nodig had. Ik heb hem gezegd: ‘Met alle respect, dit voelt nu voor je alsof de wereld vergaat, maar je hebt gewoon verdriet. Op een gegeven moment is dat weer weg, ook al kun je je dat nu nog niet voorstellen.’ Bij zo iemand is er geen rol voor een therapeut. Meer dan vroeger problematiseren jongeren hun emoties en doen ze via TikTok aan zelfdiagnose. Dan concluderen ze dat ze autisme of ADHD hebben, of depressief zijn, en denken dus behoefte te hebben aan een therapeut.’
Zegt u nu dat het met mentale problemen bij jongeren wel meevalt?
‘De cijfers (CBS, Trimbos-instituut, red.) laten een stijging zien tot minimaal een half miljoen jongeren, dat kun je niet met wat meer openheid en zelfdiagnoses verklaren. Ik bedoel alleen te zeggen dat je ook aan andere vormen van hulpverlening kunt denken. Bij onze gemeenschap kunnen jongeren hun verhaal delen in een veilige omgeving, wat ze helpt vertrouwen in de omgang met anderen te krijgen – er wordt niet alleen gepraat, we vergroten ook hun vaardigheden om met ups en downs te leren omgaan. Of onze trainingen tot preventie leiden kun je niet weten, maar wel hebben we gemeten dat jongeren er een positiever zelfbeeld door krijgen en dat hun mentale veerkracht toeneemt. Dat is aantoonbaar, dus is het aannemelijk dat we een bijdrage leveren aan het voorkomen van grotere mentale problemen.’
Hoe verklaart u die toename van mentale gezondheidsproblemen bij jongeren?
‘Onze psychologische basisbehoeften zijn verbinding en autonomie – je wilt met anderen in contact zijn en je wilt je lot in eigen hand kunnen nemen. Beide aspecten staan onder druk. Jongeren verwarren communicatie vaak met verbinding. Veel berichten met iemand uitwisselen op een dag betekent nog niet dat je bent verbonden, dat hangt af van de kwaliteit van de communicatie. Wat we vaak aan het einde van een training te horen krijgen is: ‘O, nu weet ik wat verbinding echt is.’
‘Tegelijkertijd is onze behoefte aan autonomie in het gedrang gekomen, omdat jongeren niet zien hoe zij invloed kunnen hebben op de grote problemen van deze tijd, zoals klimaatverandering, oorlog en politieke ontwikkelingen. Als dat raakt aan je gevoel van vrijheid om je eigen leven in te kunnen richten, je eigen keuzen te maken, dan wordt het zwaar, zeker als dat boven op een gevoel van een gebrek aan verbinding komt. Dat betekent nog niet meteen dat iemand ook depressief wordt, maar deze maatschappelijke ontwikkelingen maken jongeren wel kwetsbaar.’
Wat wilt u daar tegenoverstellen?
‘Wat we nodig hebben zijn nieuwe gemeenschappen. Vroeger waren er de zuilen, daar moet iets voor in de plaats komen, we blijven tenslotte gemeenschapsmensen. Daarom hebben we onszelf ook Transformers Community genoemd. Ik hoop dat het een beweging wordt van mensen die elkaar helpen – niet alleen op mentaal vlak, maar breder. Mijn ideaal is dat het een gemeenschap wordt die impact wil hebben, wil bijdragen aan een betere wereld. Als dat lukt, kunnen wij ons als organisatie opheffen en kan de gemeenschap op eigen kracht verder.
‘Transformatie begint altijd bij een beweging van binnen naar buiten. Bij ons kunnen jongeren allereerst een warm bad ervaren, in de vorm van verbinding met lotgenoten. Daarna ontstaat er ruimte voor: welk leven wil ik leiden, wat is voor mij ten diepste belangrijk? In een wereld met zoveel ruis is dat lastig scherp te krijgen. Vandaar dat in onze programma’s zingeving de rode draad vormt. Heb je eenmaal het idee hoe je wilt bijdragen, dan vergroot je daarmee niet alleen je mentale veerkracht, maar help je ook de wereld.’
Boekentip: The top five regrets of the dying, Bronnie Ware.
‘Je kunt in je leven gemakkelijk uit het oog verliezen wat écht belangrijk is. Of je kunt leven naar de verwachtingen van anderen, in plaats van je hart te volgen. Dit boek helpt me bij mezelf te blijven, te kiezen voor mijn eigen pad ook wanneer dat niet gemakkelijk is.’
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant