Home

Of ik zin had samen naar het Trumpfeest te gaan

‘Jij lijkt op die voetbaltrainer.’

‘Maar ik ben hem niet’, antwoordde ik, ‘ik heb nog nooit een voetbaltraining gegeven.’

‘Ik ook niet’, zei de kerel scherp, ‘ik zei ook niet dat je hem was. Ik zei alleen dat je op hem leek. Dat is wat anders. Of ben je hem wel?’

‘Nee, echt niet’, antwoordde ik, en keek voor me. De man en ik stonden in de lift van een Bredaas hotel, het was 3 uur ’s nachts en we gingen naar beneden.

‘Ik zal je eerlijk zeggen’, klonk het naast me, ‘ik kom veel liever dubbelgangers tegen. Ik vind iemand die bijvoorbeeld heel erg op Ronald Koeman lijkt specialer dan Ronald Koeman zelf. Met stem en al, bedoel ik dan, hè. Koeman, dat weten we nu wel. Maar een perfecte dubbelganger? Wat vind jij?’

De lift maakte zijn zachte, geruisloze landing. Stilte.

‘Nou’, zei ik, in een poging niet met alle winden mee te waaien, ‘Koeman zelf lijkt me ook niet verkeerd om tegen te komen.’

Behalve zijn conversatie waren er nog wel andere aspecten raar aan de kerel – ik zal ze zo opsommen. Maar eerst hoorde ik vlak bij mijn oor, met een behoorlijk goed nagebootst Ronald Koeman-stemmetje: ‘Ik dacht, ik neem die bal gewoon op m’n pantoffel, in het ergste geval komt-ie in een baan om de aarde. Maar hij vloog er lekker in.’

De deuren schoven open. ‘Haha’, zei ik droogjes.

Waarom was de man zo raar? Om te beginnen zag hij er griezelig betrouwbaar uit. Als een notaris die weekend heeft, en samen met Elsemieke en de kinderen bij opa en oma een taartje gaat eten: rode wortelbroek, gepoetste klassieke veterschoenen, een rond, blozend gezicht. Maar het was 3 uur ’s nachts en we bevonden ons in een goedkoop stationshotel. Het leek me onwaarschijnlijk dat Elsemieke en de kinderen boven in hun bedje lagen. En als ze er toch lagen, wat ging de notaris dan doen? Waar was zijn hond?

We stapten de lift uit. De vent, het is echt waar, trapte op mijn hak. ‘Sorry, scheids’, riep hij met zijn hoge Koeman-stemmetje, ‘geen opzet in het spel.’

Zelf was ik ook vreemd, bedacht ik, ik had mijn broer Mike in zijn bedje achtergelaten. Ik had hem ingehuurd om me de drukproeven van mijn boek voor te lezen, leek me handig, maar het bleek hallucinant en zenuwslopend. Maar toch, ik zou niet snel midden in de nacht tegen een wildvreemde Koeman nadoen.

De rare notaris en ik liepen door de lobby. ‘Goedenavond’, groette hij de jongen achter de balie – nog steeds als Koeman.

Buiten sloeg ik linksaf – hij ook. Toen we bij mijn fiets stonden, vroeg hij: ‘Waar ga jij heen?’

‘Naar huis’, zei ik.

‘Nu?’, riep hij lachend. ‘Naar huis? Je komt net uit een hotel. Je gaat toch niet midden in de nacht naar huis? Ik ga nog even Breda in. Woon je in de stad? Dan fiets ik met je mee.’ Hij gebruikte weer zijn eigen stem, maar dat stelde me niet gerust.

‘Ik woon in een buitenwijk’, loog ik.

Hij rommelde aan het slot van een ov-fiets, en zei: ‘Joh, ga nog even mee. Volgens mij is het carnaval. Ze hebben een Trumpfeest. Ze hebben heus nog wel twee MAGA-petjes. Grab ’m by the pilsje.’

Mijn gezicht schoot per ongeluk in de lach. Het was ergens wel een komische notaris. Maar wel extreem raar. Het was nog lang geen carnaval, bijvoorbeeld. Ik was stiekem op mijn fiets gaan zitten, voet op de trapper. ‘O’, zei ik, ‘je wil naar het Trumpfeest. O, ja, nee.’ Ik draaide me honderdtachtig graden om, en wees.

‘Dat is dáár’, zei ik, en ik begon te fietsen, zo hard mogelijk. Staande. ‘Veel plezier’, riep ik.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next