Het is kwalijk dat de minister van Justitie op geen enkele manier verantwoordelijkheid neemt voor zijn rol in de online intimidatie van de rechter die de komst van drie islamitische sprekers toeliet.
Minister David van Weel (Justitie en Veiligheid) probeerde vorige week een drietal veronderstelde haatpredikers de toegang tot het land te ontzeggen. Een Amsterdamse rechter zette een streep door dat plan. Het besluit van de minister en zijn collega-minister Marjolein Faber (Asiel en migratie) was onvoldoende gemotiveerd. Een heel gebruikelijke uitspraak in het bestuursrecht, dat verder geen enkel inhoudelijk oordeel geeft over de (on)wenselijkheid van het besluit deze mensen te weigeren.
Na de uitspraak van de rechter bleek dat Van Weel zelf eigenlijk ook wel wist dat zijn besluit zou sneuvelen. Toen de uitspraak van de rechter eenmaal binnen was, heeft hij immers geen enkele poging ondernomen om tot een betere motivering te komen. Waarom hij dan toch met een inreisverbod kwam – wetende dat hij daarmee niet zou voldoen aan de minimale inspanningsverplichting die in zo’n geval van een minister van Justitie kan worden verwacht – blijft speculatie.
De desbetreffende rechter werd vervolgens het doelwit van een online haatcampagne die in ons land nog niet eerder was vertoond als het aankomt op rechters. De online uitlatingen die geparafraseerd voorbij kwamen in de media, zijn zonder meer strafbaar.
Over de auteur
Barbara van Straaten is strafrechtadvocaat bij Prakken d’Oliveira in Amsterdam en staat als advocaat regelmatig slachtoffers van doxing bij.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Daags nadat het online riool was opengetrokken, spraken vertegenwoordigers van advocatuur, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht zich in ferme bewoording uit tegen de voortdurende aanvallen op de rechtsstaat, ook vanuit de politiek. Wie goed tussen de regels doorlas, kon daarin ook lezen hoe de minister van Justitie daarbij zelf werd aangesproken. Niet alleen als aanstichter van het onheil dat deze arme Amsterdamse rechter nu ten deel valt, maar ook omdat de minister vervolgens op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen rol hierin.
Pas na stevige kritiek van onder andere de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak leek de minister enigszins bij zinnen te komen en bracht hij een verklaring uit waarin hij aangaf te staan voor de veiligheid van rechters. Daarmee zegt hij echter niets over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de rechterlijke macht. Me dunkt dat van een minister van Justitie in zware tijden op zijn minst kan worden verwacht dat hij pal staat voor de rechtsstaat, zelfs als rechters technisch gezien niet onder zijn verantwoordelijkheid vallen omdat ze nou eenmaal onafhankelijk zijn.
Maar deze minister heeft zelfs dat beetje morele moed niet durven te tonen. In plaats daarvan meiert hij tegen de media dat hij ‘nog steeds niet wil dat ze binnenkomen’. Het is tijd dat het parlement deze minister krachtig ter verantwoording roept en hem vraagt waar zijn loyaliteit én verantwoordelijkheidsbesef nou eigenlijk ligt: bij de rechterlijke macht die onze rechtsstaat moet beschermen, of bij de populistische onderbuik die zo graag een stoer statement had willen maken?
De rechtsstaat verdient meer dan deze minister.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant