Ook als schoonmakers aan huis wit werken, komen ze niet in aanmerking voor een uitkering en bouwen ze geen pensioen op. Dat moet veranderen, vindt Eveline Bourik, die jarenlang huizen boende. En dus sleept ze vandaag het UWV voor de rechter.
is binnenlandverslaggever van de Volkskrant.
Niet wachten tot de storm overwaait, maar leren dansen in de regen. De leus die in haar lichte, Zandvoortse flat op een tegeltje prijkt, is wel zo’n beetje haar lijfspreuk, zegt Eveline Bourik (52).
Twee jaar geleden kreeg ze longklachten – een allergische reactie op schoonmaakmiddelen waarmee ze andermans huis boende. Maar al was ze ‘zo ziek als een hond’, toch stapte ze elke dag op de fiets naar haar vaste adressen. En niet alléén omdat ze een doorbijter is: als dienstverlener aan huis kwam ze, ondanks het feit dat ze wit werkte, volgens het UWV niet in aanmerking voor een Ziektewet-uitkering.
Reden daarvoor is een uitzondering in de wet, de zogeheten Regeling dienstverlening aan huis. Die ontslaat particulieren van allerlei werkgeversverantwoordelijkheden zolang ze iemand minder dan vier dagen per week inhuren. Zo kunnen huishoudens hun schoonmaker, tuinier, oppas, ramenlapper of hondenuitlater wit betalen zonder dat daar een uitgebreide boekhouding en allerlei verplichtingen aan te pas komen.
Dat klinkt praktisch, maar honderdduizenden dienstverleners hebben daardoor geen sociaal vangnet: ze hebben geen recht op uitkeringen en bouwen geen pensioen op. Dat moet veranderen, vindt Eveline Bourik, en dus sleept ze het UWV vandaag voor de rechter. ‘Dit soort werk is geen bijbaantje: ik ben de kostwinner in dit huis. Het wordt tijd dat we het als een serieuze baan benaderen.’
Dat dienstverlening aan huis, en zeker schoonmaken, niet als volwaardig werk wordt beschouwd, staat in een lange traditie, zegt Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Vroeger was het huishouden de verantwoordelijkheid van de vrouw des huizes. Dat werk bleef letterlijk ongewaardeerd: zij kreeg niet betaald, de man die daardoor buiten de deur kon werken wel. Dat gebruik schemert door in de informele manier waarop we nu omgaan met mensen die ons huishouden regelen, ook als dat niet door een familielid wordt gedaan.’
Dat informele karakter spreekt ook uit Bouriks ervaringen. ‘Ik was deel van die gezinnen’, zegt ze. ‘Ik kende alle verjaardagen uit mijn hoofd en nam dan altijd een cadeautje mee.’ In plaats van sociale zekerheden of een contract kreeg ze een ijskast, een spiegel en een luie stoel van werkgevers. ‘Eén klant gaf regelmatig de Hello Fresh-maaltijdbox mee die hij was vergeten te annuleren. Ik heb geleerd om van niets iets te maken, dus van zo’n doos konden mijn twee zoons en ik soms wel drie dagen eten.’
Nog een erfenis van die traditionele rolverdeling: zo’n 95 procent van de schoonmakers aan huis is vrouw, tegenover 69 procent van het totale aantal schoonmakers. De slechte rechtsbescherming van huishouders bij particulieren is daarom indirecte discriminatie, stellen Bureau Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht. De vrouwenrechtenorganisaties steunen de rechtszaak van Bourik.
Eerder begeleidden de organisaties Carol Kollman in haar gang naar de rechter. Als thuiszorgverlener kwam zij volgens het UWV niet in aanmerking voor de Werkloosheidswet. Onterecht, oordeelde de rechter in eerste én tweede aanleg: dat is discriminatie, vanwege het grote aandeel vrouwen in de thuiszorg.
Dienstverleners aan huis die worden betaald uit een persoonsgebonden budget (pgb), dat mensen krijgen om thuiszorg te regelen, hebben daarom sinds 2023 wél een sociaal vangnet. Werkgeverstaken worden de particulier uit handen genomen door de Sociale Verzekeringsbank.
Als de rechter nu een streep zet door de Regeling dienstverlening aan huis, komt die administratieve last bij de particulier te liggen. Voorstanders van die regeling zijn bang dat er dan een verschuiving naar de zwarte markt plaatsvindt of dat huishoudens de taken zelf oppakken, waardoor mensen werk kwijtraken.
Maar voor zowel particulieren als dienstverleners maakt de regeling amper verschil ten opzichte van zwart werk, concludeerde een commissie onder leiding van oud-PvdA’er Ella Kalsbeek al in 2014. ‘De kennis over de regeling, en de daarbij behorende rechten en plichten, is zeer gering’, aldus het verslag.
Acht jaar lang meldde Bourik zich bijvoorbeeld vrijwel nooit ziek, omdat haar werkgevers niet wisten dat ze wettelijk verplicht waren om haar de eerste zes ziekteweken dienden door te betalen. In plaats daarvan ging ze in overleg minder werken, tot ze nog maar zo’n 800 euro per maand verdiende. Ook kreeg ze, in strijd met de regeling, niet van elke werkgever vakantiegeld of doorbetaalde vakantiedagen.
Voor een betere regeling kijkt hoogleraar Verhulp naar België. Daar geldt al jaren een veelgebruikt systeem met ‘dienstencheques’: een gesubsidieerde tegoedbon voor dienstverlening aan huis, waar sociale premies bij inbegrepen zitten. Die mogelijkheid werd ook verkend door de commissie-Kalsbeek, maar kwam niet op de politieke agenda te staan.
Wie zijn huishoudelijke hulp nu zo goed mogelijk wil beschermen, kan het beste een schoonmaakbedrijf inschakelen, zegt Verhulp. ‘Die voorzien in jouw plaats in die sociale zekerheden.’
Eveline Bourik hoopt dat particulieren zich door deze zaak bewuster worden van hun positie als werkgever en bijvoorbeeld een contract met duidelijke voorwaarden aanbieden.
Zelf besloot ze te stoppen toen ze naast haar longproblemen vorig jaar ook nog een gebroken sleutelbeen kreeg. Sinds augustus werkt ze in een winkel; haar klachten zijn verdwenen. ‘Mijn kinderen hebben hun moeder terug.’