Home

Jullie stadsmensen zullen nooit de geur van mest begrijpen

Naar het noorden, daar is het lente, autoraampje open voor de geur. Er mag weer drijfmest uitgereden en een vochtige dag als deze is ideaal, althans, als stadsmens las ik dat. De gierputten zijn vol, maar de polder ruikt naar niks en op de eindeloze velden is geen trekker te zien; zelfs het koeienland van Ursela en Durk in het Friese streekdorp Ouwster-Nijega moet nog een paar weken wachten.

Later zegt Ursela: ‘jullie stadsmensen begrijpen er niks van.’

Over de auteur
Toine Heijmans is rondreizend columnist van de Volkskrant. Daarnaast is hij romanschrijver.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Bij mij in de stad is het ook voorjaar: kuifeendjes waaien door de gracht als plukjes dons, de geur van krokussen, het geluid van hogedrukreinigers. Toch blijft de harde scheidslijn tussen stad en boerenland bestaan, al zijn de omgekeerde vlaggen bijna allemaal gestreken. Alles wordt politiek gemaakt, zelfs de geur van mest, die in Friesland officieel tot erfgoed is verklaard. Door een motie van Ursela Lolkema, naast boer ook makelaar en Statenlid namens de BBB.

Nu het platteland wordt overlopen door klagende mensen uit de stad wil ze duidelijk maken: het boerengebied stinkt en gromt, het is werknatuur.

Ze is druk als ik onaangekondigd op het erf verschijn, maar haar man Durk Veldstra neemt me graag mee naar de stal. Hun land is grotendeels veengrond en kan de last nog niet dragen. Mest uitrijden komt nauw, vertelt hij, en de boer doet het niet zelf: hij huurt een loonbedrijf in met een sleepslangbemester. Verdund met slootwater wordt de mest door een lange buis naar de trekker gepompt, en die injecteert het in de grond – sproeien mogen alleen nog de biologische boeren, daarom ruikt het tegenwoordig minder.

68 hectare, grotendeels grasland direct aan de boerderij, 115 Holstein-Friesians die als het even kan buiten in het weiland staan. De boerderij stamt uit 1916 en gaat drie generaties terug, toch stopt hier waarschijnlijk de geschiedenis. Als de boekhouder het rond kan rekenen, zegt Durk, zoeken ze een mooi plekje om te wonen en dat was het dan. Hij is de zestig voorbij, er is geen opvolger, ‘ik ben bijna zover’. Twaalf jaar geleden, bij het bouwen van de nieuwe stal, ‘had ik er nog verschrikkelijk veel zin in’ – zo snel verandert het land. ‘Hier zaten vroeger dertig boeren, nu nog vier’; alleen de grootste overleven.

Zwaluwen maken zich druk onder het gebint – daar is de lente. Toevallig is dit ook de dag dat de ‘mestverkenner’ van het kabinet oproept tot een ‘collectieve aanpak’ van het probleem. Minister Femke Wiersma (BBB) had om dat rapport gevraagd en is er blij mee: ‘Ik pak dit graag samen met andere bevoegde gezagen en de sector verder op.’ In klare taal: we doen maar even niks, want zolang het duurt is het niet gedaan.

Maar volgend jaar moeten Durk en Ursela al terug van 250 kilo stikstof naar 170, ‘dan is de aardigheid eraf’. Mest laten verwerken is duur, land bijkopen ook, dat kan eigenlijk niet uit.

Met één zin in het Friese provinciale ‘omgevingsprogramma’ zijn nu alle ‘zintuigelijke ervaringen van beelden, geuren en geluiden’ tot erfgoed verklaard. Dus ook het ronken van een trekker, het kraaien van een haan, het maaien van het gras – alles wat verwijst naar hoe het was. Dat heeft geen consequenties, het is ‘meer voor de bewustwording’, zegt Ursela. ‘Wij merken dat stadsmensen die vinden hiernaartoe te moeten komen voor de rust en de ruimte, gaan klagen over de mestgeur of over het melken van de koeien op zondag. Of over de kerkklok, terwijl, die islamitische dingen mogen allemaal wel.’

Als makelaar heeft ze dat ‘persoonlijk nog niet ervaren’, maar stadsmensen ‘weten écht niet wat er gebeurt op een boerderij’, ‘het is hier geen openluchtmuseum’ – ze klinkt bijna bozig nu, vraagt of ik weet hoeveel stikstof de lucht in gaat op het slagveld van Oekraïne, ‘schrijf daar eens over, jullie zijn altijd zo eenzijdig’.

Het regent zacht, een dikke donkergrijze lucht leunt zwaar op het land. Durk zegt: ‘Als het oorlog wordt, weten de mensen vast de boeren weer te vinden.’

Misschien is het ook een vorm van afscheid nemen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next