Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. René Massen (71) leerde bij de spoorwegpolitie dat je altijd een maatje nodig hebt dat bijspringt als je het even niet meer weet.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik vertel je over twee incidenten die ik bij de spoorwegpolitie meemaakte, en wat ik daarvan heb geleerd. In december 2004 speelde Ajax thuis tegen Bayern München. Onze middagdienst was nog niet begonnen, ik stond me om te kleden op ons bureau op het station van Arnhem toen de meldkamer ons naar het derde perron stuurde: er was een internationale trein binnengekomen met reizigers zonder vervoerbewijs. Met drie collega’s liep ik rustig die kant op.
‘Twee conducteurs en twee marechaussees hadden een tiental Duitse voetbalsupporters uit de trein gezet. Die groep groeide tot een man of veertig, die allemaal uit de trein kwamen en allemaal in het zwart waren gekleed. We zetten ze apart van de drukte. Ik vroeg in mijn beste Duits waarom ze geen treinkaartje hadden. Dat verliep rustig.
‘Zodra hun trein verder reed richting Amsterdam, werden die supporters onrustig. Plotseling trokken ze hun mutsen voor hun ogen; dat bleken bivakmutsen te zijn, dit waren hooligans. Ze begonnen af te tellen in het Duits: ‘Fünf! Vier! Drei!’ Bij ‘Eins’ stormden ze massaal op ons af. Mijn collega, een forse, sterke beer, werd ondersteboven gelopen. We trokken onze wapenstokken, sloegen op ze in en vroegen via onze portofoons om versterking.
‘We hadden geluk: ME’ers die op de Veluwe hadden getraind, waren vlakbij. Met politiehonden stormden zij vanuit alle kanten het perron op en omsingelden de groep, waarna we ze op een trein terug naar Emmerich zetten. We begeleidden hen met een man of tien en twee politiehonden. Onderweg schopten ze tegen de deuren, maar zodra we de honden dreigend lieten blaffen, bonden ze in.
‘In Emmerich trokken die hooligans het centrum in, waarna de al geïnformeerde Duitse politie erachteraan ging. Ik stond nog even met hun commandant te praten, toen ineens de deuren van de trein dichtklapten en ik mijn collega’s zag terugrijden naar Nederland. Ik dacht: als ze in Arnhem zijn, halen ze me wel op met een dienstauto.
‘Daar stond ik. Alleen. In mijn Nederlandse uniform. En toen kwamen die hooligans terug. Ze sprongen van het perron, raapten stenen tussen het spoor op en begonnen die naar mij te gooien. Ik kon geen kant op en trok mijn wapen. Ik had al in mijn hoofd op welke oproerkraaier ik gericht zou schieten, dat beslis je in een split second. Mijn wapen was een gouden greep: ze stoven weg zonder dat ik hoefde te schieten. Dat liep maar net goed af. Ik heb in veertig jaar diensttijd maar twee keer mijn wapen getrokken, en dit was er een van.
‘Het tweede incident betreft een slechtnieuwsgesprek. Ik had in m’n eentje dienst, de rest was ziek of op cursus, en ik moest een vrouw gaan vertellen dat haar man, een machinist, was verongelukt. Hij was op een goederentrein gebotst.
‘Ze was niet thuis. Toen ik op haar werk aankwam, was ze net naar de buitenschoolse opvang vertrokken. Terug op haar woonadres kwam ze aanfietsen met twee kleine kinderen.
‘Zodra ik vertelde wat er was gebeurd begon ze te gillen, dat snijdt door je ziel. Het oudste zoontje van 4 jaar ging tussen haar en mij in staan om haar te beschermen. Dat raakte me, zo’n klein kereltje tegenover zo’n grote vent.
‘Die moeder wilde naar de plaats van het ongeval. Dus reed ik met haar en die kinderen in de politiebus naar Roermond, een rit van een dik uur. Dat is geen pretje. Je weet niks te zeggen, er is te veel verdriet. Je kunt moeilijk over het weer beginnen. Dan duurt een uur heel lang.
‘In Roermond waren veel mensen aan het werk: de brandweer moest die man bevrijden, de recherche en de verkeersongevallendienst deden onderzoek. Zodra ik met haar aankwam, viel iedereen stil en vertrok respectvol. Ik droeg haar over aan de leider van de plaats delict en ging zelf in de mobiele politiecontainer koffiedrinken, om even tot mezelf te komen. Zo veel verdriet met zulke kleine kinderen, dat raakt je hoor.
‘De vrouw nodigde me uit voor de begrafenis. Daar ben ik in m’n eentje naartoe gegaan. Ik werd er bedankt, dat vond ik heel aangrijpend.
‘Dat is wat ik van deze incidenten heb geleerd: zorg dat je nooit, maar dan ook echt nooit, alleen bent. Hoe klein een incident misschien ook lijkt: ga altijd met een maatje. Vanwege je veiligheid, zoals in Emmerich, maar ook om te sparren, om van te leren, om mee te praten of om een getuige te hebben als je geweld moet gebruiken. En als jij even niks meer weet te zeggen, zoals met die weduwe, neemt de ander het over.
‘In Emmerich had ik achteraf misschien met die Duitse commandant moeten meelopen. En bij slechtnieuwsgesprekken nam ik naderhand altijd iemand mee, desnoods iemand van de administratie. Met z’n tweeën ben je sterker. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Dan voel je je gesteund.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant