De ceremoniële begrafenis van voormalig Hezbollah-leider Hassan Nasrallah en diens secondant Hashem Safieddine, zondag in Beiroet, was meer dan een eerbetoon. De bijeenkomst liet ook zien dat, anders dan mensen, ideeën zich niet laten bombarderen.
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Amman.
De klok wijst bijna 1 uur als de menigte in het Camille Chamoun-stadion de adem inhoudt. Mobiele telefoons gaan de lucht in. Dit is het moment waarvoor de honderdduizenden aanwezigen in de Libanese hoofdstad Beiroet zijn gekomen. Op een podium meters verderop glijdt een bordeauxrood gordijn open, waarna een vrachtwagen tevoorschijn komt met daarop de versierde grafkist van Hassan Nasrallah.
Nasrallah, de man die ruim drie decennia aan het hoofd stond van de Libanese militante beweging Hezbollah. De man wiens speeches bekeken werden in alle windstreken van de Arabische wereld. De man die in Libanon beschikte over oorlog en vrede. Die minstens zo gehaat was als geliefd. En de man die eind september gedood werd, toen Israëlische gevechtsvliegtuigen 80 ton aan explosieven op zijn hoofdkwartier afwierpen.
Uit de speakers klinkt deze middag – opgediept uit het archief – zijn gedragen stem. Nu ze voor het eerst Nasrallahs grafkist zien, wordt het veel Libanezen te veel. Hij is dus echt dood. Vrouwen op de tribunes grijpen hun papieren zakdoekjes. Potige kerels begraven hun gezicht snikkend in een handpalm. Vuisten gaan de lucht in. De kreet die ze al zo vaak hebben geroepen – ‘Wij volgen je, Nasrallah’ – klinkt vandaag nog emotioneler, nog schriller.
Destijds, na die fatale 27 september, werd Nasrallah in allerijl begraven op een geheime locatie, maar daar wilde de Hezbollah-leiding het niet bij laten. Zondag volgde er een groots opgezette herbegrafenis waar aanhangers uit tientallen landen op af kwamen. Iran stuurde de parlementsvoorzitter, Jemen een Houthi-delegatie, Irak een aantal verwante milities, en vanuit Turkije arriveerden busladingen enthousiastelingen.
Dat het méér zou worden dan een begrafenis stond van tevoren vast. Hezbollah zit flink in de knel, zowel internationaal als in eigen land, en wilde deze zondag in februari aangrijpen om vriend en vijand te zeggen: we zijn niet verslagen. Zo zwak als nu is de groepering sinds de millenniumwisseling niet geweest. De oorlog met Israël werd verloren, de bondgenoot in het Syrische Damascus (dictator Bashar al-Assad) van zijn troon gestoten, de aanvoerlijn met broodheer Iran doorgeknipt.
Over de oorlog die in de herfst van 2023 ontbrandde tussen Israël enerzijds en het trio Hezbollah-Hamas-Iran anderzijds, valt inmiddels een alternatieve geschiedenis te schrijven, aan de hand van de uitgeschakelde kopstukken – Ismail Haniyeh: gedood. Yahya Sinwar: gedood. Nasrallah: idem. Hun opvolgers ontberen hun charisma.
Libanezen die de invloed van Hezbollah beu zijn, speculeren openlijk over volledige ontwapening. Het nieuwe staatshoofd, oud-legerleider Joseph Aoun, haalde de Iraanse delegatie kort voor de begrafenis naar het presidentieel paleis om hen de les te lezen. Samengevat: het moet klaar zijn met de Iraanse bemoeienis in Libanon.
Leg dat maar eens uit aan de toegestroomde bezoekers, zondag in het stadion. ‘Laat ze maar dromen’, glimlacht de 50-jarige Rola (‘geen achternaam’), een Libanese in een stemmige, zwarte abaya die voor de ceremonie is overgekomen uit haar woonplaats Berlijn. ‘Onze vijanden begrijpen niet dat je een idee niet kunt vernietigen. Men probeert ons sjiieten al 1.400 jaar te vernederen en te kleineren. Dat is nooit gelukt.’
Ze doelt op de slag bij Karbala (680) waarbij een kleinzoon van profeet Mohammed, Hoessein ibn Ali, smadelijk om het leven werd gebracht. Een historisch onrecht, vinden sjiieten, maar óók een aansporing om nooit de moed op te geven. Bestond er een handboek voor Hezbollah-aanhangers, dan zou les één zijn: nooit toegeven dat je een nederlaag hebt geleden. Rola wijst naar de stampvolle tribunes. ‘Je ziet hoeveel mensen er vandaag gekomen zijn. Dat bewijst dat we niet verslagen zijn.’
Uit de geluidsboxen dreunen Koranverzen en eulogieën. ‘Jij leeft in ons voort’, galmt het door het stadion. ‘Jij leeft tussen onze botten.’ Een 32-jarige moeder vertelt dat ze de avond ervoor naar Beiroet is gereisd en de nacht met haar kinderen in de auto heeft doorgebracht. Alles om te zorgen dat ze bij het krieken van de ochtend de beste plekjes zouden hebben.
Verderop glijden de kisten van Nasrallah en diens secondant Hashem Safiedinne (eveneens gedood bij een bombardement) traag langs de menigte, geflankeerd door in zwart geklede bodyguards. Als popsterren gooien ze aandenkens naar begerige handen. Hier, een witte roos. En daar, jij krijgt een sjaaltje. Een toegesnelde studente drukt huilend een roos tegen de borst.
Dan kijkt iedereen plots omhoog. Uit de helderblauwe lucht klinkt een donderend geraas. Vier Israëlische gevechtsvliegtuigen komen in formatie overgevlogen. En dat niet alleen: ze vliegen ijzingwekkend laag. Onmiddellijk schakelt de omroeper over op een ander repertoire. ‘Dood aan Israël!’, roept hij schor, een leus die de menigte gewillig herhaalt. ‘Dood aan Israël! Dood aan Amerika! Onze stemmen zijn luider dan jullie vliegtuigen!’
Niet lang daarna lopen de plechtigheden op hun eind. Tegenover persbureau Reuters zal een overheidsbron het aantal toegestroomde mensen – binnen en buiten het stadion – nadien schatten op 1 miljoen. Tegen de tijd dat Naim Qassem, Nasrallahs opvolger, op een groot scherm verschijnt om het publiek toe te spreken, is het stadion al halfleeg – veelzeggend voor Qassems bescheiden status.
Bij de uitgang van het stadion laat café-eigenaar Talal Wahbe (34) alle indrukken van die middag op hem inwerken. Zijn huis in Zuid-Libanon ligt als gevolg van de oorlog in puin, vertelt hij, en dus huurt hij tijdelijk een appartement elders. Niet getreurd: de huur, een slordige 400 euro per maand, wordt door Hezbollah betaald. Hij kijkt er tevreden bij. De leider mag dan dood zijn, de beweging is springlevend.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant