Al decennia is Donald Trump geobsedeerd door Amerika’s handelstekort, oftewel het feit dat de supermacht meer spullen koopt uit het buitenland dan andersom. Maar hoe terecht is Trumps woede over dit tekort, en de handelsoorlog die hij erover wil ontketenen?
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over de financiële sector.
Donald Trump is door zijn tegenstanders al dikwijls beticht van flip-flopping, oftewel draaikonterij. Op talloze terreinen veranderde de Amerikaanse president de voorbije jaren van geharnaste tegenstander in een vurige voorvechter – bitcoin, TikTok, vapen, Elon Musk – terwijl zijn standpunten op andere gebieden – toegang tot abortus, decriminalisering van cannabis – soms even veranderlijk lijken als het weer.
Maar als er één thema is waarop Trump geen windhaan is gebleken, dan is het zijn frustratie over het Amerikaanse handelstekort. Al sinds de jaren tachtig klaagt hij steen en been over het feit dat Amerikanen structureel meer spullen kopen uit het buitenland dan dat ze aan het buitenland weten te verkopen. En al even lang zweert hij wraak op Amerika’s handelspartners, zoals de Duitsers, Japanners en (tegenwoordig) Chinezen.
Want de VS mogen dan ’s werelds grootste economie zijn, toch lukt het de Amerikanen maar niet om meer goederen en diensten te exporteren naar de rest van de wereld dan andersom. Dat is, met uitzondering van één kwartaal in 1980, al zo sinds 1976.
Geen enkel land komt ook maar in de buurt bij het Amerikaanse handelstekort. Vorig jaar bedroeg dit verschil tussen de ex- en import van goederen en diensten 918 miljard dollar (881 miljard euro), blijkt uit cijfers van het Bureau of Economic Analysis. Vooral met China (295 miljard dollar), de EU (236 miljard dollar) en Mexico (172 miljard dollar) noteerden de Amerikanen hoge tekorten.
Aan dit Amerikaanse falen – want zo ziet Trump het althans zelf – ergert Trump zich al veertig jaar groen en geel. In zijn ogen is de wereldhandel een nulsomspel, waarbij de winnaars – landen die juist meer exporteren dan importeren, zoals China en Duitsland – de verliezers – in casu: de VS – in het pak naaien.
‘Ik ben het zat om te zien hoe andere landen de Verenigde Staten oplichten’, foeterde Trump eind jaren tachtig al tegen CNN-presentator Larry King over het handelstekort. Tijdens zijn eerste presidentstermijn dreigde hij Europa net zo lang te geselen met importtarieven ‘tot er geen Mercedes meer over Fifth Avenue rijdt’.
En afgelopen december las hij Europa nog maar eens de levieten over het handelstekort, alsof de klok bijna veertig jaar had stilgestaan. ‘Ik heb de EU gezegd dat ze haar enorme tekort met de VS moet goedmaken door grootschalige inkoop van onze olie en gas.’ Zo niet, dan volgen straftarieven, waarschuwde hij. Bijvoorbeeld met tarieven van 25 procent op buitenlandse auto’s, chips en medicijnen, zoals hij afgelopen dinsdag dreigde.
Economen vragen zich echter vrijwel unisono af of Trump met zijn obsessie met het handelstekort niet een hersenschim najaagt, vergelijkbaar met Don Quichots strijd tegen de windmolens. En of de handelsoorlog waarin Trump de wereld wil storten niet evenzeer berust op een waanvoorstelling.
Want zoals de vernuftige edelman van La Mancha zich het hoofd op hol liet brengen door ridderromans, zo laat de vernuftige zakenman van Manhattan zich verblinden door de Amerikaanse handelsbalans, stellen zij. Waar de dolende ridder uit de roman van Cervantes zijn lans in de wieken van een molen stak, denkende dat het de armen van een reus waren, zo probeert Trump de exportreuzen van de wereld te vellen met draconische importtarieven.
Daarmee gebruikt hij echter een wapen dat niet werkt, om een kwaad te bestrijden – het handelstekort – dat helemaal geen kwaad is, zweren economen van rechts tot links. Dat torenhoge tarieven een inefficiënt wapen zijn, komt onder meer doordat ze zowel de import als de export verlagen, al is het maar omdat andere landen terugslaan met hun eigen straftarieven op Amerikaanse waar. Tijdens Trumps eerste termijn resulteerden zijn importtarieven zelfs in een gemiddeld iets groter handelstekort, nog los van de economische schade – 7,2 miljard dollar welvaartsverlies – die Trump er in eigen land mee aanrichtte.
‘Of je het nu vraagt aan economen van progressieve denktanks, zoals het Peterson Institute, of van conservatieve denktanks als het Cato Institute, allemaal zeggen ze dat Trumps fixatie op het handelstekort onzinnig is’, zegt Andreas Freytag, hoogleraar politieke economie aan de universiteit van Jena, die veel over handel publiceert voor het Amerikaanse Cato Institute. Ook Amerikaanse media, van de rechtse Wall Street Journal tot het marxistische Jacobin, zijn eensgezind over Trumps ‘domme handelsoorlog’. ‘Ik ken nauwelijks economen die het met Trump eens zijn, behalve Peter Navarro, zijn handelsadviseur’, zegt Freytag.
Drie redenen waarom het Amerikaanse handelstekort een nep-probleem is.
Dat een handelstekort niet per se veel zegt, blijkt alleen al uit het feit dat bijvoorbeeld Papua-Nieuw-Guinea, Laos en Congo-Kinshasa juist een handelsoverschot hebben. In tegenstelling tot de VS exporteren ze dus meer dan ze importeren. Tegelijkertijd zijn Amerikanen, met een bbp per hoofd van 87 duizend dollar, blijkens IMF-cijfers respectievelijk 35, 44 en 123 keer zo rijk als de Papoea’s, Laotianen en Congolezen.
En Duitsland, dat in 2024 een duizelingwekkend handelsoverschot van 241 miljard euro behaalde, verkeert al twee jaar in een recessie. Dit terwijl de Amerikaanse economie, Duitslands belangrijkste exportbestemming, in 2024 wederom bijna 3 procent groeide. De enige Europese economie die het vorig jaar beter deed dan de VS was Spanje, een land, jawel, met een handelstekort.
In tegenstelling tot wat Trump denkt, leidt een kleiner handelstekort dan ook helemaal niet tot meer economische groei, constateert Freytag. Hij zette vijftig jaar Amerikaanse handelscijfers af tegen de reële bbp-groei. De correlatie bleek 0,01, vrijwel nihil. Soms, zoals begin jaren negentig, ging een krimpend handelstekort samen met flinke bbp-groei, maar op andere momenten, zoals tijdens de kredietcrisis, slonk het handelstekort terwijl de Amerikaanse economie dramatisch presteerde.
Freytag vond daarentegen wel een bescheiden correlatie met de werkloosheid, zij het precies tegenovergesteld aan de retoriek van Trump. Die houdt zijn publiek graag voor dat het handelstekort tot het ‘weglekken van Amerikaans levensbloed’ leidt, in de vorm van verdwijnende fabrieksbanen. Dat het aandeel fabrieksbanen in de Amerikaanse economie al sinds de jaren vijftig dalende is, toen de VS nog een handelsoverschot hadden, vertelt hij er niet bij.
Freytag ontdekte dat wanneer het handelstekort stijgt (wat Trump niet wil), de werkloosheid juist daalt (wat Trump wél wil). Dat wil niet zeggen dat er een oorzakelijk verband is – correlatie is geen causatie – maar wel dat er geen bewijs is dat het handelstekort banen kost. Dit wordt onderstreept door het Peterson Institute, dat aantoonde dat het aantal fabrieksbanen juist harder daalde in landen met een handelsoverschot dan in landen met een handelstekort.
Een ongemakkelijke waarheid is dat de Amerikanen niet zozeer een handelstekort hebben omdat andere landen hen oneerlijk behandelen, zoals Trump meent, maar simpelweg omdat ze meer geld uitgeven dan dat ze verdienen. Net zo goed als dat landen met een handelsoverschot, zoals China, Duitsland of Nederland, juist per definitie minder uitgeven dan ze verdienen, oftewel geld sparen.
Om boven hun stand te kunnen leven en al die extra import te kunnen betalen, moeten de Amerikanen dus aan buitenlands geld zien te komen. Dat doen ze door geld te lenen van de rest van de wereld, en door Amerikaanse bezittingen – denk aan fabrieken, aandelen of appartementen met uitzicht op Central Park – te verkopen aan buitenlanders.
Amerikanen zijn de voorbije decennia steeds minder gaan sparen. Hun spaarquote – het percentage van hun besteedbare inkomen dat ze opzijleggen – daalde van 8 à 10 procent begin jaren negentig naar onder de 4 procent nu. De Amerikaanse overheid deed hier net zo hard aan mee. De staatsschuld steeg van 30 procent van het bruto binnenlands product (bbp) begin jaren tachtig naar 120 procent nu. Het begrotingstekort van de regering-Trump komt in 2025 waarschijnlijk uit op 6,2 procent, een getal waar ze in Brussel, als het een EU-lidstaat zou betreffen, een rolberoerte van zouden krijgen.
Een teken van zwakte zijn Amerika’s schulden echter niet per se, weet Freytag. Ze tonen aan dat buitenlanders de VS zien als een veilige en profijtelijke economie, waar ze graag geld in steken of aan uitlenen. ‘Het tegenovergestelde is Duitsland, waar men juist te veel spaart, met als gevolg dat er de voorbije jaren te weinig is geïnvesteerd in de eigen economie.’
Dus als Trump het Amerikaanse handelstekort echt wil verkleinen, dan moet zijn regering domweg minder geld uitgeven, iets wat Trump tot nu toe niet van plan lijkt. Ook zou hij Amerikaanse burgers moeten oproepen om de hand op de knip te houden, en voorlopig bijvoorbeeld niet op vakantie te gaan naar het buitenland, want toerisme is een vorm van dienstenimport en verergert het handelstekort.
Bovendien zou hij zijn aangekondigde belastingverlagingen moeten terugdraaien, want die leiden er alleen maar toe dat mensen en bedrijven meer geld uitgeven. En dat geld eindigt veelal in de zakken van vermaledijde buitenlandse exporteurs.
‘Zelfs de mislukte importtarieven uit Trumps eerste termijn hebben zijn entourage er niet van weten te overtuigen dat zijn handelsvisie op flauwekul berust’, zegt Freytag. ‘Misschien dat niet in het Witte Huis, maar op het Capitool uiteindelijk het verstand zal zegevieren, maar veel hoop heb ik niet.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant